De laatste van d’Ormesson

In Brussel-Zuid laat ik me bij het begin van een lange treindag nogal eens verrassen in een papierwinkel. En dus lees ik in de trein retour na een Ambrosiuslezing in Roermond Un hosanna sans fin van Jean d’Ormesson. Zijn laatste boekje, het manuscript waarvan hij de laatste bladzijden niet meer kon herlezen. Wijsgerige aantekeningen, zowat in dagboekstijl. Met tussenin veel wit.
De tweede annotatie van een van de ‘immortels de l’Académie française’ hakt erin: Nous mourons, c’est tout simple, parce que nous avons vécu. Mais pourquoi diable naissons-nous? (15)
En de negenenvijftigste, voorlaatste overweging van de agnosticus – hij heeft die bladzijde dus niet meer herwerkt: Je ne prétends pas que Dieu existe: je n’en sais rien. Je prétends qu’il peut exister. Je prétends que rien ne s’oppose à son existence. Je prétends qu’il a le droit d’exister. C’est comme un coin de ciel bleu au terme d’une journée plutôt sombre. (139)
Toen reed de trein Brussel-Zuid binnen. In volle zon.