Escher – Verhaeren

Veel weekenduren spendeerde ik aan de lectuur van Wim Hazeu’s biografie van Escher (Meulenhoff, 1998). December 2014 zag ik in Rome in het Chiostro di Bramante de grote tentoonstelling van de man die in het Italië van de jaren 1920-30 zijn grafisch talent zag ontwikkelen, tot het fascisme hem eerst naar Zwitserland, daarna naar Ukkel dreef.
Ik was verrast bij Escher opnieuw tegen Emile Verhaeren aan te botsen. Escher las hem blijkbaar veel, o.m. om zijn liefdesverdriet te verbijten bij zijn eerste onbeantwoorde liefde (55). In een brief aan Jetta, met wie hij in 1924 in Viareggio zou trouwen, schreef hij in 1923: Al sinds jaren lees ik van tijd tot tijd voor mezelf hardop de gedichten van Emile Verhaeren, een groot Belgisch dichter van wie ik veel houd; een zachtzinnige en tegelijk zeer sterke man die gedichten heeft geschreven dronken van levensvreugde. Ik houd ervan mij aan zijn kracht, zijn machtige ritme te laven, mijn zwakheid kracht te geven – maar nooit is het mij gelukt hem zo goed te begrijpen en zijn ritme zo te voelen als nu. (109) Escher las de drie bundels van Les Heures.
Lezen doe je steeds met een oog dat deels bepaald wordt door wat je bezighoudt. Binnenkort verschijnt bij het Verhaerenmuseum, bij Uitgeverij P en bij De Zwarte Panter in meervoud de bundel Belle Chair – Heerlijk Lijf. Vandaar. Maar de verrassing blijft: Escher las dus o.m. Verhaeren.

San Gimignano (1922), houtsnede van de jonge Escher.