Gedichtendag – Pindaros

Gedichtendag. En ik grijp nog eens naar een brok Pindaros (ca. 520-445 v.C.), wiens Zegezangen ik twintig jaar geleden vertaalde. Van zijn poëzie zijn ook heel veel fragmenten bewaard, groot en klein. In de aanhef van paean 6 (vv.1-19) komt hij aan in Pytho, beter bekend als Delfi, het orakel van Apollo bij de Kastaliabron, waar dé zanger van Hellas privilegies had. Alles spreekt van muziek en dans en poëzie.

In naam van Zeus Olympiër,
met Afrodite, met de Gratiën
smeek ik u, gulden Pytho,
illuster oord van zieners:
onthaal me op dit heilig ogenblik
als de vermaarde tolk van Muzen.
Ik hoor hoe de Kastalia wel murmelt,
– haar water vloeit door bronzen poorten –
maar zij mist de reidans van de mannen.
Ik kwam om uw getrouwen in hun onmacht
te helpen, om mijn voorrecht te vrijwaren.
Ik volg mijn hart,
zoals een kind zijn lieve moeder,
dalwaarts naar Apollo’s woud
waar kransen en festijnen bloeien,
waar Delfi’s jonge meisjes
vaak zingen voor de zoon van Leto
nabij de duistere navel van de wereld,
en soepel tokt hun voet de grond.

Foto: zanger met citer, Attische roodfigurige vaas uit Vulci, na 490 v.C. (Musée Languedocien, Montpellier)