‘Doodsche varwen’

´t Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt den staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en ´t stappen van die gaat,
een doof gerucht in ´t loof,
dat, afgevallen, plekt
den grond, dien ´t in een’ spree
van doodsche varwen dekt.
´t Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs den natten tak
geklaverd, uw gepink
laat hooren, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
‘Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts ´s winters winterdom!’

Guido Gezelle, Tijdkrans (1893)
Gezelle schreef het gedicht op 14 november 1890,
in Biekorf 1891,12 was de titel Het meezeken.