Zand, verzen en kniezen

De laatste warme adem van de zomer. Dus naar De Haan. Met boeken. Bij het geluid van de bruisende branding à la Homeros, παρὰ θῖνα πολυφλοίσβοιο θαλάσσης… En of die schuimde!

Een waaiwind doet het zand knarsen tussen de jongste verzen van Hertmans:
Daar deint de kust van Lesbos,
het bootje is zo dun als huid.
Mare nostrum, zegt ze, de zee
is van iedereen die eromheen –
en zwijgt, met ogen die in
schaduw dood gelezen zijn.

(Onder een koperen hemel, 64)

Daarna een reeks pleidooien en getuigenissen omtrent Grieks en Latijn. Wat ik tot dusver las uit L’Avenir se prépare de loin (Les Belles Lettres, 2018) klinkt nostalgisch en te apologetisch. Ik hou er wel een mooie metafoor aan over: Le Léthé est en crue, schrijft een kniesoor (67). Maar ook zinnen die nazinderen, zoals die van bij Paul Demont: … des mille et une identités qui constituent le socle antique, … toutes ces identités si diverses, à la fois liées entre elles et en perpétuelles ruptures, sont nécessairement constitutives de la nôtre et si fragilement liées à la nôtre. (76-77).

Heerlijke bundel van Hertmans, over de kniezers voorlopig wat zand.