80 – Flaubert over zijn lectuur

Aan Louis de Cormenin. – Rouen, 7 juni 1844.
[…] Het vleit me dat je mijn haat tegen Sainte-Beuve en zijn santenkraam deelt. Ik houd bovenal van krachtige, substantiële, heldere zinnen, gespierde, met een gebruinde huid: ik houd van mannelijke zinnen en niet van vrouwelijke zoals die van Lamartine heel vaak en, in minder mate, die van Villemain. De mensen die ik gewoonlijk lees, mijn lievelingsboeken, dat zijn Montaigne, Rabelais, Régnier, La Bruyère en Le Sage. Ik geef toe dat ik weg ben van het proza van Voltaire, en zijn vertellingen vind ik om je vingers bij af te likken. Ik heb Candide twintig keer gelezen, ik heb het in het Engels vertaald en ik heb het van tijd tot tijd nog herlezen. Op het ogenblik herlees ik Tacitus. Over een tijdje, wanneer het beter met me gaat, begin ik weer met mijn Homerus en met Shakespeare. Homerus en Shakespeare, daar gaat het om! In vergelijking met hen lijken de andere dichters, ook de grootste, klein.
– Gustave Flaubert, Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie (vert. Edu Borger), Privé-Domein, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1979, p. 28.

Flaubert sluit deze rubriek af.