79 – Aristoteles over vriendschap

Het eindexamen middelbaar onderwijs in Italië (maturità) bestond deze week o.m. uit een vertaling van de aanhef van het achtste boek van Aristoteles’ Ethica Nicomachea. Over de vriendschap dus.

‘Het volgende thema dat we moeten bespreken is vriendschap. Vriendschap is namelijk een vorm van voortreffelijkheid of is althans nauw met voortreffelijkheid verbonden. En bovendien is zij onmisbaar voor het leven. Zonder vrienden zou niemand willen leven, ook al bezat hij alle andere goede dingen. Rijkelui en mensen met een hoge functie of een machtspositie hebben immers zoals bekend nog meer dan anderen behoefte aan vrienden. Waartoe dient zulke voorspoed immers als men niet de mogelijkheid heeft een ander gunsten te verlenen? Het is toch vooral in relatie tot vrienden dat men diensten kan bewijzen en dat dit waardering verdient. Trouwens, hoe kan iemand zulke voorspoed veilig stellen en behouden zonder vrienden? Want hoe groter die is, des te meer risico is er aan verbonden. En in armoede en bij andere tegenslagen beschouwt men vrienden als de enige toevlucht. Evenzo is men van mening dat vriendschap jonge mensen behoedt voor misstappen, oude mensen verzorging biedt en bijstaat wanneer lichamelijke zwakte hen verhindert te handelen, en mensen in de bloei van hun leven aanspoort tot edele daden: ‘wanneer twee te zamen gaan’ (Homeros, Ilias X.224-226), dan is men namelijk beter in staat iets te bedenken en uit te voeren. De liefde van ouders voor hun kinderen en van kinderen voor hun ouders is kennelijk een natuurlijk gegeven, niet alleen bij mensen, maar ook bij vogels en de meeste andere dieren. En ook zijn leden van een zelfde soort, en vooral mensen, door een natuurlijke vriendschap met elkaar verbonden; daarom waarderen wij hen die menslievend zijn. Wie reizen maakt kan zien dat tussen alle mensen een natuurlijke affiniteit en vriendschap bestaat.
Kennelijk waarborgt vriendschap ook de eenheid van stadstaten en bekommeren wetgevers zich nog meer om vriendschap dan om rechtvaardigheid. Eendracht lijkt namelijk verwant aan vriendschap en juist eendracht streven wetgevers boven alles na, terwijl zij tweedracht, die een vijandschap is, boven alles willen uitbannen.’

Aristoteles, Ethica Nicomachea VIII.1 (1155a1-1155a26), vert. Christine Pannier en Jean Verhaeghe, Historische Uitgeverij, Groningen, 1999, p. 243-244.