77 – Inger Kuin over atheïsme

‘In het Grieks betekende atheos traditioneel gezien iemand die door de goden in de steek was gelaten en in het verlengde daarvan een goddeloos, zeer slecht iemand. Pas vanaf de tweede helft van de vijfde eeuw voor Christus wordt de term gebruikt voor mensen die te weinig of zelfs helemaal niet toegewijd waren aan de goden. Vanaf de vierde eeuw voor Christus vinden we lijsten van atheïsten (index atheorum) terug in filosofische teksten, maar hierbij moeten we aantekenen dat de beschuldiging atheos te zijn soms ook voort kon komen uit professionele concurrentie. Hoewel de Epicuristen zelf zeiden niet atheïstisch te zijn, werden ze hiervan door de Stoïcijnen en de volgelingen van Plato’s Academie geregeld beschuldigd. Het label atheos is dus lastig te interpreteren en hoeft niet altijd te betekenen dat de genoemde filosoof daadwerkelijk het bestaan van de goden, welke goden dan ook, ontkende.
[…]
Naarmate de christenen aan invloed wonnen begonnen ze zich de atheos-terminologie verder toe te eigenen. In sommige gevallen werd atheos gebruikt voor andere christenen die de verkeerde theologische dogma’s aanhingen. Vaker nog waren het de ‘heidense’ polytheïsten die, ironisch genoeg, als atheïsten werden aangeduid, omdat ze niet in de enige ‘ware’ God geloofden. In de late oudheid en vroege middeleeuwen betekent atheos en aanverwante termen ‘andersgelovige’ en dit blijft in feite zo tot de Verlichting.’
– Inger Kuin, Leven met de goden. Religie in de oudheid, AUP, Amsterdam, 2018, p. 151-152.