75 – Lernutius en Ingelbrecht: Kussen uit Brugge

BASIUM VIII
Molle reluctanti rapio dum basium Hyella,
Dum satiare avidum cor in amore aveo:
E medio mihi corde animam rapuere labella,
Hei nata in poenas bella labella meas.
Quare animam sodes actutum redde, deinde
Bella labella mihi perge negare tua.
Vel si te raptus delectat, desine Hyella,
Usque labella mihi bella negare tua.

 

Ik heb van jou, ondanks protest,
Hyella, zacht een zoen geroofd,
omdat ik zo mijn hunkerend hart
graag met jouw liefde had gedoofd.

Jouw lipjes zogen zo bij mij
mijn ziel helaas wel uit mijn hart:
dus zijn jouw lieve lipjes nu
voor mij nog slechts een bron van smart.

Geef daarom alsjeblief heel vlug
mijn zieltje lief aan mij terug
en weiger mij daarna maar weer
je lieve lipjes keer op keer.

Maar als je van de diefstal van
een zoen, Hyella, ook geniet,
verbied mij dan van nu af aan
gewoon jouw lieve lipjes niet.

Janus Lernutius, Kussen uit Brugge. Vert. Tom Ingelbrecht, P, Leuven, 2018, p. 26-27.