74 – Jodocus Badius Ascensius over de zotheid

Hoofdstuk 34
Van ver weggaan wordt niemand geleerd.
Menigeen die zot vertrekt, keert zotter terug.

Het is zeker waar dat wie veel ziet en hoort en alles overdenkt, wijzer en kundiger kan zijn dan degene die doordat hij altijd thuis blijft, niet weet wat men in andere landen doet. Daarom het volgende. Toen Homerus, bron van alle begrip en inzicht genoemd, wilde betogen dat Ulysses wijs en bekwaam was, zei hij dat hij veel dorpen, steden, landen, levenswijzen of zeden en gewoonten van veel volken gezien had. Maar, zoals Horatius in zijn brieven schrijft, Celum non animum mutant qui per mare currunt: ‘bij hen die over de zee of over het water reizen, veranderen wel de lucht en de stand van de sterren, maar niet hun karakter.’ Immers, wie zot vertrekt en altijd met zotheid omgaat, kan niet wijzer terugkeren. Daarom zegt Seneca dat de reis geen medicijn vormt, noch de bezochte plaats een deskundige maakt. Het is echter zoals men tegen kinderen zegt: Sepe rogare, rogata tenere, retenta docere: hec tria discipulum faciunt superare magnificum, wat betekent: ‘Door drie handelwijzen kan de leerling of de scholier uitstijgen boven zijn meester. De eerste is: zo vaak vragen stellen totdat hij het snapt en begrijpt. De tweede is: goed onthouden wat hij goed nagevraagd en begrepen heeft.De derde is: aan anderen doorgeven wat hij goed onthouden heeft.’ Dat moeten we allen doen bij goede lessen, willen we niet lijken op die zotten die almaar het gezang en lied van de ganzen zingen dat ze horen. Daarover spreekt de leraar als volgt.

De leraar
Wie veel vraagt en weinig leert,
wie ver reist en overal heen gaat,
maar geen acht slaat op wat hij ziet,
die veel snapt maar er niets mee doet,
die altijd als eerste aan het dansen is
en altijd zingt als was hij een gans,
die zal ook voor een gans doorgaan.
Om zijn verre reizen wordt niemand geprezen.

– Theo Janssen en Ann Marynissen, Het Narrenschip in de Lage Landen. Deel 1. Josse Bade: Der zotten ende der narren scip – tekst en hertaling, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2018, p.80-81.

P1090624