Viermaal Vergilius volledig

Piet Schrijvers publiceerde bij Historische Uitgeverij zijn vertaling van Vergilius’ Bucolica en voltooit daarmee zijn vergiliaans drieluik. Hij is na Joost van den Vondel, Dirck Donckers en Anton van Wilderode de vierde vertaler in de Lage Landen die de volledige Vergilius brengt. Ter vergelijking de bekende aanhef van de Eerste Ecloge.

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi
silvestrem tenui Musam meditaris avena;
nos patriae fines et dulcia linquimus arva.
nos patriam fugimus; tu, Tityre, lentus in umbra
formosam resonare doces Amaryllida silvas.

Gij Tityr legt en duikt vast, uitgestrekt
In ´t groen, zo dicht van beukenloof bedekt,
En tureluurt op uwe pijp, gesnede
Van wankel riet, een veldlied, wel tevrede:
Maar wij, och arm, verlaten land en zand,
En Vaders haard. Gij moogt aan dezen kant
Uw Amaril, uw schoonste, in schaduwe eren,
En bos en galm uw minnewijzen leren. (Vondel, 1660)

Gy, Tityr, onder een breed’ beuckenbóóm belommerd
Neêrleggend’, op dun riet speêld ´t veld-lied onbekommerd:
Ik ´s vaarlands grenzen en eige ackers laten moet:
´k Moet derven ´t vaderland: gy, Tityr, rustig doet,
Beschaduwd, ´t bosch een galm van schóón Am’ryll’, weêr geven. (Donckers, 1688)

Jij, Tityrus, die op je rug daar neerligt
onder een brede beukenkruin vol schaduw,
jij kan je herdersdeuntje onbekommerd
improviseren op je dunne rietfluit! –
ik moet het vaderlijk domein verlaten,
mijn langvertrouwde veie landerijen,
ik word uit mijn geboortestreek gewezen!
Jij, Tityrus, luilekker in het lommer,
jij doet de bossen eindeloos herhalen
hoe mooi zij is, je liefje Amaryllis! (Van Wilderode, 1971)

Tityrus, jij ligt onder het wijde dak van een beuk en
oefent op een spichtige stengel veldmuziek van de Muzen.
Ik moet de dierbare grond van mijn vaderland achter mij laten,
ik vlucht weg uit mijn land; jij, Tityrus, loom in de schaduw,
leert hoe de bossen ‘schone Amaryllis’ laten weerklinken. (Schrijvers, 2018)