Driemaal Vergilius compleet

Piet Schrijvers publiceerde bij Historische Uitgeverij zijn vertaling van Vergilius’ Bucolica en voltooit daarmee zijn vergiliaans drieluik. Hij is na Vondel en Anton van Wilderode de derde vertaler in de Lage Landen die de volledige Vergilius brengt. Ter vergelijking de bekende aanhef van de Eerste Ecloge.

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi
silvestrem tenui Musam meditaris avena;
nos patriae fines et dulcia linquimus arva.
nos patriam fugimus; tu, Tityre, lentus in umbra
formosam resonare doces Amaryllida silvas.

Gij Tityr legt en duikt vast, uitgestrekt
In ´t groen, zo dicht van beukenloof bedekt,
En tureluurt op uwe pijp, gesnede
Van wankel riet, een veldlied, wel tevrede:
Maar wij, och arm, verlaten land en zand,
En Vaders haard. Gij moogt aan dezen kant
Uw Amaril, uw schoonste, in schaduwe eren,
En bos en galm uw minnewijzen leren. (Vondel, 1660)

Jij, Tityrus, die op je rug daar neerligt
onder een brede beukenkruin vol schaduw,
jij kan je herdersdeuntje onbekommerd
improviseren op je dunne rietfluit! –
ik moet het vaderlijk domein verlaten,
mijn langvertrouwde veie landerijen,
ik word uit mijn geboortestreek gewezen!
Jij, Tityrus, luilekker in het lommer,
jij doet de bossen eindeloos herhalen
hoe mooi zij is, je liefje Amaryllis! (Van Wilderode, 1971)

Tityrus, jij ligt onder het wijde dak van een beuk en
oefent op een spichtige stengel veldmuziek van de Muzen.
Ik moet de dierbare grond van mijn vaderland achter mij laten,
ik vlucht weg uit mijn land; jij, Tityrus, loom in de schaduw,
leert hoe de bossen ‘schone Amaryllis’ laten weerklinken. (Schrijvers, 2018)

Volledigheidshalve en bij wijze van correctie nog dit: Schrijvers is de vierde vertaler die de complete Vergilius brengt. Het groene boekje van Patrick De Rynck en Andries Welkenhysen (De Oudheid in het Nederlands, 1992) vermeldt nog de Vergilius-vertaling van Dirk Doncker uit 1688.