72 – Hugo Claus en Lucretius

De Kei had het over Lucretius die door de theologen van zijn tijd uitgescholden werd voor dode hond. De heilige Jeroom was iets genuanceerder geweest in zijn oordeel. Volgens hem was Lucretius waanzinnig geworden door een liefdesdrank.
De leerlingen lachten onderdanig.
‘Clinamen,’ de Kei schreef het ongeduldig met hoekige letters op het bord. ‘Clinamen,’ Louis deed zijn best om aandachtig te zijn, maar het was heet in de klas, hij had ook het gevoel dat de Kei de hele les uitsluitend voor hem bestemde, de soms verdubbelende ogen acher de glazen zwommen in doorschijnende olie, achtervolgden hem. Clinamen, de afwijking die steeds aanwezig is. In de beweging van de lichamen. Waardoor zij ontsnappen aan het noodlot. Wie kon het wat schelen? Clinamen ook zijnde de verbuiging. Wat de syntaxis toelaat. Let toch op. Toelaat dat de woorden in hun kleinste gemene delen. Gemene delen, slaat dit op mij? Verbogen worden. Verboden gemene delen. Van functie veranderen.
Volgens mij is deze Kei een of ander voordracht aan het voorbereiden en aan het uitproberen op deze slaafse klas vol proefkonijnen die dit onbegrijpelijk getetter aanvaarden. Een lezing die hij straks voor geleerde pijprokende priesters zal houden.
‘Zodat wij misschien mogen besluiten dat de meeste levensbeschouwingen esthetisch zijn en daar niet willen voor uitkomen.’ De bel ging, precies op tijd, op de laatste lettergreep.
‘Ge waart aan het dromen,’ zei de Kei op de speelplaats.
‘Gij geeft lessen die de jongens niet begrijpen.’
‘De jongens?’
‘Ik ook niet. Dit is niet van onze leeftijd.’
‘Op uw leeftijd sprak men vroeger al vloeiend Grieks en Latijn.’
‘Vroeger, vroeger,’ zei Louis. Sommige jongens stonden op een afstand naar hen beiden te kijken – vooral naar mij, de favoriete hoveling.
Plus est en vous,’ zei de Kei.
‘Gij wilt maar één ding, dat ik een Jezuïet word.’

– Hugo Claus, Het verdriet van België, De Bezige Bij, Amsterdam, 1983, p. 336.

Zie ook: https://patricklateur.be/2018/05/05/een-grieks-epigram-in-claus-verdriet/