Een Grieks epigram in Claus’ Verdriet

De Clausexposities moet ik nog bezoeken, maar in zijn herdenkingsjaar leest men het best de auteur. Dat er in Het verdriet van België een paar antieke reminiscenties voorkomen is niet zo verwonderlijk. In het college krijgt Louis Seynaeve o.m. les van de Kei (de Eerwaarde Heer de Launay). Die heeft het in een van zijn lessen over Lucretius’ clinamen, de onvoorspelbare afwijkende beweging van de atomen (335-336). Morgen citeer ik de pagina als nummer 72 in de rubriek Oudheid op zondag.

Van diezelfde leraar krijgt Louis Seynaeve later een exemplaar van “L’Anthologie Grecque, Editions Garnier Frères, Paris” (599). Claus – zo heeft Paul Claes in De mot zit in de mythe. Hugo Claus en de oudheid (1985) overtuigend aangetoond – gebruikte die vertaling van Maurice Rat uit 1938 van de boeken 5 en 6 van de Anthologia Graeca voor gedichten in de bundel Oog om oog.
Maar in het boek dat Seynaeve krijgt, steekt ook een blaadje met annotaties, met o.m. deze vertaling: Laat ons vluchten, ongelukkige geliefden (minnaars?) zolang de pijl niet op het koord (touw) zit (is). Weldra, ik ben er de bode (profeet) van, zal er een grote brand (vuurhaard) zijn. Philodemus. […] (599). De voorlopige vertaling van de Kei met varianten tussen haakjes, is die van de verzen 5-6 van epigram AG 5.124 van Filodemos van Gadara: φεύγωμεν, δυσέρωτες, ἕως βέλος οὐκ ἐπὶ νευρῇ / μάντις ἐγὼ μεγάλης αὐτίκα πυρκαϊῆς. De vertaling van Rat ligt erg dicht bij het origineel, Claus’ weergave eveneens.

Zie ook: https://patricklateur.be/2018/05/06/hugo-claus-en-lucretius/