71 – Maarten Asscher over Romereizigers

‘Er zijn weinig steden op de wereld waar de ervaringen van eerdere reizigers zo’n markante rol spelen bij het opdoen en verwerken van je eigen indrukken en belevenissen. Ik had me op deze plaats nog met vele andere beroemde Rome-pelgrims kunnen bezighouden, maar heb me in het voorgaande beperkt tot een drietal, vanaf het einde van de zestiende tot het begin van de twintigste eeuw. Alle drie kwamen zij met een zeer intellectuele, zelfbewuste achtergrond naar Rome, maar hun respons kon onderling niet verschillender zijn.
Voor Sigmund Freud was de uiteindelijke ontdekking van Rome een psychische confrontatie, die in zijn onderbewustzijn allerlei diepere lagen van jeugdherinneringen, angsten en frustraties aanroerde. In het geval van de triomfalistische alleskunner Goethe betekende de eerste levende kennismaking met Rome uiteindelijk een ontdekking van zijn fysieke levensdrift, als bron voor het scheppende schrijverschap. En Montaigne, voor wie de taal al bij uitstek het instrument van zijn denken en doen was, bleef het meest trouw aan zijn uitgangspunten. Hij liet zich van de drie het minst door Rome van de wijs brengen en voor hem lijkt de stad vooral een bevestiging in te houden van de mentaliteit waarmee hij toch al ten opzichte van de geschiedenis en van zijn eigen tijd stond: een nieuwsgierige observator die geen systeem zoekt waar dat niet is, en die ermee volstaat om aan de hand van zorgvuldige waarnemingen zijn begrip van de mens uit te breiden.’
– Maarten Asscher, De ontdekking van Rome. Homeruslezing, Athenaeum, Amsterdam, 2018, p. 30-31.