70 – Diederik Burgersdijk over Claudianus

De heiden Claudianus, een geromaniseerde Egyptenaar en beschermeling van Theodosius en diens zoon en opvolger Honorius, bezong in zijn betrekking als hofdichter in klassieke verzen christelijke keizers, consuls en generaals. Dat hij in zijn vraag ‘bestaat er een god of niet’ de populairste – of machtigste – god van het moment negeert, is in die wirwar van vierde-eeuwse goden even eenvoudig te verklaren als verrassend. Hij uit deze woorden in een schimpdicht tegen Rufinus, die met als titel praefectus praetorio orientis de hoogste ambtelijk bestuurder van het Oosten was, en wil hiermee zeggen: ‘Als er zulke monsters bestaan als deze kerel, hoe kunnen er dan goden zijn?’ In de duizend verzen die daarna volgen legt Claudianus een enorme geleerdheid aan de dag, waardoor hij toch voornamelijk de indruk wekt de heidense traditie aan te hangen. De vraag naar het kwaad bij het bestaan van goden zou een indrukwekkende theologische geschiedenis krijgen. Claudianus stelt haar alvast.
– Diederik Burgersdijk, De sluipwesp en de leliën. Geloof en ongeloof in de klassieken, Athenaeum, Amsterdam, 2018, p. 53.