63 – Jan Vanriet en de Duiker

De weerspiegeling van lichtroze nachtwolken, de omlijning van zwarte roerloze eiken. Ik aarzel. Als ik nu duik, zal ik die spiegel verbrijzelen.
Ik sta naakt op de rand. Ik spring alsnog.
Voor ik het water raak, zie ik nog even het gespannen oppervlak, als een vlies. En dan is er de schok, de scheut, splets!
Ik glijd naar de bodem, stuw me met een korte slag van mijn bekken naar boven, draai op mijn rug en laat me dan drijven.
Het is bladstil. Slechts de golfslag tegen het beton van het zwembad. Deinend in het water kijk ik opnieuw naar de roze wolken, deze keer rechtstreeks. Ik snuif de nachtlucht op, voel me de duiker van Paestum, de schildering op een antiek Grieks graf van kalksteen. Een gestorvene die, vanaf een hoge schans van zuilen, een gestileerde sprong maakt in de golven van het hiernamaals.

Het was na middernacht toen de vrienden vertrokken. Ik stap uit het zwembad en rust op de doorgezakte ijzeren mazen van een zonnedivan. Dubbend over de voorbije conversatie probeer ik te herinneren wie wat vertelde, de woorden van die of diens gevatte repliek. Als een velum hing boven ons de droefheid om het verse verlies, want er was er weer eentje minder en veel te jong. Dat beaamden we allen.
Ik denk opnieuw aan de duiker, diens vrienden lagen rond de gedekte tafel van hun symposion en ze hieven het glas zoals wij, omhoog, naar de sterren, naar die overkant waarin wij niet geloven.

– Jan Vanriet, Radeloos geluk, Hollands Diep, Amsterdam, 2018, p. 127

N6yTh5sXGE6K9gNRskJlP7FK1o8