61 – Anton van Wilderode en Horatius

1  Horatius

Ik hoop dat ik hem zie zoals hij was;

uit alle liederen die ik van hem las

worden zijn trekken langzaam duidelijker

gelijk een beeld te voorschijn uit zacht was.

  

2  Villa Horatius

Ik zie boven de raten van de zalen

het toegenomen gras zich vele malen

tot bij de milde bron Bandusia

vermenigvuldigen en stug herhalen.

  

3  Bandusia. In Horatius’ villa te Tibur             

Hier liep Horatius. Hij hoorde en zag

de bergwand wak van los afstromend water

dat tegen een beschot van hazelaren

zijn bedding zocht naar de begonnen dag,

 

doorzichtig tot de bodem, waar een rag

van wier dat altijd waait en edelvaren

onder de schilden van de nenufaren

raakbaar nabij en onbereikbaar lag.

  

–  Anton van Wilderode, Nagelaten gedichten. Een keuze door Patrick Lateur, Lannoo, Tielt, 2005, p. 68.

Villa van Horatius bij Licenza ten noordoosten van Rome.