59 – ‘Het Bataafse Oor’ van Erasmus

‘De Italiaanse humanisten zagen zichzelf als nazaten van de antieke Romeinen. Zij gingen prat op hun glorieuze verleden, de oud-Romeinse beschaving, en ze beschouwden zich bovendien als ‘native speakers’ van het Latijn. Noorderlingen, die deze bagage niet hadden, werden niet serieus genomen. Deze problematiek vormt de achtergrond van Erasmus’ essay ‘Het Bataafse Oor’ (Auris Batava). De uitdrukking ‘auris Batava’ is afkomstig van de Romeinse dichter Martialis, die een laatdunkende grap maakte over buitenlanders met onvoldoende kennis van de Latijnse taal en een tekort aan beschaving, lieden die volgens hem verfijnde poëzie nooit konden begrijpen. (Epigrammata VI.82.4-6). Er is niet veel fantasie voor nodig om zich voor te stellen dat dit precies de ervaring was die Erasmus tijdens zijn verblijf in Italië meer dan eens heeft meegemaakt. Hij werd als noordelijke humanist niet helemaal serieus genomen.

Om die reden kwam hij op voor zijn Bataafse afkomst, waarbij hij probeerde de vooroordelen van de Italianen tegen te spreken. Hij liet zien dat de Bataven wel degelijk een glorieus verleden hadden – net zo goed als de Romeinen – en dat ze helemaal niet onbeschaafd of ongeciviliseerd waren, maar zelfs deugdzamer dan de Romeinen. Daarom vergeleek hij de Bataven met antieke morele voorbeelden zoals de Spartanen, die in de oudheid als het dapperste volk ter wereld golden. Erasmus onderstreepte in zijn essay het hoge peil van de Bataafse beschaving en beweerde dat geen volk op aarde gemiddeld zoveel algemene kennis bezat als de Bataven. Tegen al te grote geleerdheid en superieure kennis van de oudheid in het bijzonder, zette Erasmus zich echter af. Dat terrein liet hij graag over aan de Italiaanse humanisten. Hun grote slimheid, zo meende hij, grensde aan doortraptheid en achterbaksheid. Dan liever de Bataven die niet pretentieus, maar zuiver op de graat waren.’

– Karl Enenkel & Koen Ottenheym, Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden 1400-1700, Vantilt, Nijmegen, 2017, p.164.