Van Eyck

Een schoollezing brengt me vandaag naar Maaseik, een lange, lange tocht met bussen en treinen voor de goede zaak. Voor de klassieken. De plek is me dierbaar, want ik ontving er lang geleden in 1990 de eenmalige Poëzieprijs ‘Jan van Eyck en zijn oeuvre’. Het tweeluik Johannes de Eyck fuit hic (bij Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw (1434), National Gallery, Londen) werd geregeld gebloemleesd en finaal opgenomen in de bundels Carmina Miscellanea  en in In tegenstroom.

Johannes de eyck fuit hic

1.

Het spiegeloog dat niets ontgaat, besluit

het laat bezoek dat hij met tere hand

en dromig ongeduld ten afscheid duidt.

En zij, dicht bij het rode ledikant,

 

legt toegewijd, nauw voelbaar en beraden

haar wezen in zijn palm, verdicht de brede

plooival van fluweel en droomt zich gade

en moeder in dit vreemde huis van vrede.

 

Ten voeten uit getekend door de trouw

verhalen zij op kleur en stof de geest,

een glimp der eeuwigheid, nu man en vrouw

voor ´t eerst. Want Jan van Eyck is hier geweest.

 

2.

Ver weg het feestgedruis van boven,

wég het hoogland van retabels en van kerken.

’Want, vriend Giovanni, als ich can,

dan leg ik in dit huis de veelheid van mijn werken.

 

Jouw ramen open op de verre reis,

haar hemelbed dat wacht. Maar in de tover

van oog en hand het woordeloos bewijs:

van jullie eerste woord gaat niets verloren.’

 

Reeds lagen muiltjes achteloos ter zij

en maakte ik het sluitstuk op dit feest

van zinnen en mysterie: olie, lijn

en kleur. Want ik, van Eyck, ben hier geweest.