Patrick De Rynck over ‘Homerische miniaturen’

Op 19 december 2017 werd in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde Homerische miniaturen. 150 vergelijkingen uit Ilias en Odyssee voorgesteld. Patrick De Rynck gaf er deze lezing.

Beste mensen,

Een slordige 2800 jaar geleden bouwden jongetjes op Griekse stranden zandkastelen, die ze vervolgens zelf weer omverhaalden. Moeders hielden vliegen van hun zoet slapende kind af. Buurmannen maakten rond 800 v.Chr. ruzie over een smalle strook bouwgrond, met de meetstok in de hand, en spinsters probeerden voor hun kinderen een schamel loon bijeen te garen. Verwoestend vuur deed grote bossen in vlammen opgaan. Bloedworsten werden op barbecues gekeerd en gedraaid, zoals wij soms in ons bed liggen te woelen, en mensen sloegen in paniek, zoals een kudde koeien aangevallen en opgejaagd wordt door een rusteloze brems, als de dagen in de lente lang zijn.

Dat allemaal gebeurde een slordige 2800 jaar geleden. Ik weet het zeker. En ik weet dat allemaal zo feilloos omdat ik Homeros heb gelezen. En omdat die Homeros in zijn Ilias en Odyssee een slordige 250 lange vergelijkingen inlast waarin bijvoorbeeld de god Apollo de wal van het kamp van de Achaïers moeiteloos omverhaalt. Zoals kinderen hun zelfgemaakte zandkasteel, schrijft Homeros. Uiteraard is Homeros de eerste die deze stijlfiguur toepast – Homeros, de uitvinder van Europa, is in alles de eerste – en daarom noemen wij die lange vergelijkingen tot op vandaag ‘Homerische vergelijkingen’. Het adjectief ‘homerisch’ wordt volgens Van Dale in nog twee contexten gebruikt: om een bovenmenselijke strijd te beschrijven, en een onbedaarlijk gelach.

Patrick Lateur heeft nu voor uitgeverij P 150 van die vergelijkingen gebloemleesd uit zijn eigen Homerosvertalingen, een heerlijk idee. ‘Homerische miniaturen’ noemt hij zijn bloemlezing treffend, met een woord uit de visuele, beeldende kunsten. Want dat is een van de eerste dingen die opvallen als je een aantal van die Homerische vergelijkingen na elkaar leest: ze zijn zo visueel. Dat Homeros blindgeboren zou zijn, lijkt me dan ook een straf staaltje fake news. Ik moest bij het genot van het lezen denken aan dat prachtige beeld van de Romeinse dichter Lucretius, waar hij schrijft dat je in een plas de wereld weerspiegeld kunt zien. Homerische vergelijkingen zijn plassen.

Al die Homerische vergelijkingen zijn uit het leven gegrepen. Vanzelfsprekend, we hebben niets anders: het leven van mensen en van goden; het leven van leeuwen en andere wilde dieren; het leven van vogels, vee en vissen; en het woeste leven van de natuurelementen. Dat zijn meteen ook de vier grote luiken waarin Patrick Lateur zijn verzameling heeft geordend.

Ik heb uit elk van de vier een korte lange vergelijking geselecteerd om u nader te laten kennismaken met die merkwaardige stijlfiguur ‘Homerische vergelijking’:

Uit het luik Van goden en mensen, van leven en dood:

Zoals een moeder van haar kind, dat zoetjes
te slapen ligt, een vlieg verwijderd houdt –
zo hield Athena van zijn huid de pijl af.

De tweede gaat over wat David Attenborough in zijn natuurdocumentaires doorgaans niet laat zien. Ze komt uit Van leeuwen, wilde dieren allerhande:

Zoals een leeuw die in het open veld
een rund heeft opgevreten en nu wegloopt,
zijn borst en beide wangen gans bebloed,
het beest is vreselijk om aan te zien –
zo was ook Odysseus geheel besmeurd
van kop tot teen, aan benen en aan armen.

Nummer drie, uit Van vogels, vee en vissen:

Zoals cicaden die vanuit een boom
getjirp laten weerklinken door het bos –
zo zaten op het bolwerk de bestuurders
van Troje…

(Tjirpende beleidsmakers… Ook Twitter is dus een uitvinding van Homeros.)

Een iets langere uit de afdeling over de elementen. Het is niet verboden aan Goethes ‘Über allen Gipfeln ist Ruh’ te denken:

Zoals rondom het schijnsel van de maan
zich aan de hemel schitterende sterren
vertonen: in de lucht ruist er geen wind,
de toppen van de bergen, hoge kapen,
bosrijke dalen worden alle zichtbaar,
de eindeloze ether breekt hoog aan
de hemel door, heel het gesternte laat
zich daarin zien, het herdershart verheugt zich –
zo talrijk schenen vuren tussen vloot
en stroming van de Xanthos, door Trojanen
ontstoken voor de muur van Ilion.

Nog eentje om het af te leren uit afdeling III, Van vogels, vee en vissen:

Zoals een man op een uitspringend rotsblok
met snoer en glimmerende bronzen haak
een goddelijke vis uit zee aan land trekt –
zo trok hij met zijn schitterende speer
de man, de mond wijd open, uit zijn wagen
en smeet hem met geweld op zijn gezicht.

Die laatste, wrede vergelijking komt, uiteraard, uit de Ilias, het oorlogsepos dat ook een anti-oorlogsepos is. En wel uit een van de vechtboeken. Dat brengt me bij een merkwaardige teloefening: van de zowat 250 Homerische vergelijkingen staan er een kleine 200 in de Ilias, en maar een vijftigtal in de Odyssee. (Wees gerust, ik heb er niet zelf mijn telraam bij moeten halen, nijvere onderzoekers hebben dat voor mij gedaan.) Die verhouding van vier op één wordt in deze bloemlezing bevestigd: het register telt drie pagina’s. Zeven derden zijn voor de Ilias, twee derden voor de Odyssee.

En ik tel nog even verder. Van de 200 Ilias-vergelijkingen zijn er zomaar even ongeveer 160 die gevechtsscènes opluisteren, als ik dat zo mag zeggen. Dat eerste contrast tussen Ilias en Odyssee en ook die concentratie van vergelijkingen in de vechtboeken is opvallend. Een verklaring zou kunnen zijn dat de wereld van de Ilias zo geconcentreerd is, in tijd, plaats en ook sociaal, dat de auteur met al zijn vergelijkingen als het ware de bonte grote wereld binnenbrengt in die kleine, smalle wereld van vechtersbazen en orerende querulanten. Of moet ik zeggen: de kleine wereld binnenbrengt in die grote heldhaftige wereld? De wereld buiten die van het dampende oorlogsbloed. De posttraumatische wereld van als de oorlog eenmaal afgelopen zal zijn. Anderen zullen zeggen: dit is de esthetisering van de gruwel.

Richard Buxton merkt in een prachtige bijdrage over de Homerische vergelijkingen op dat veel van die vergelijkingen in de vechtscènes als het ware gepersonaliseerde doodsprentjes of -berichten zijn voor alweer een gesneuvelde. En volgens hem zijn er in de Odyssee veel minder vergelijkingen omdat dat epos is van zichzelf al zo divers is – geografisch, in tijd, sociaal-maatschappelijk – dat veel scènes eigenlijk een soort van Homerische vergelijking zijn. Denk aan de miniatuur waarin de twintigjarige, stervende hond Argos de teruggekeerde Odysseus kwispelend herkent.

Een van die doodsprentjes uit de Ilias gaat zo:

Hij viel ter aarde, lag daar in het stof.
Zoals een zwarte populier die oprees
in laaggelegen beemden van een grote
zomp, glad van stam, alleen zijn kruin droeg takken;
een wagenmaker velde hem met blanke
bijl om het hout te buigen tot een velg
voor zijn erg mooie wagen; nu ligt hij
te dorren aan de oever van een stroom –
zo velde Ajas, Zeus’ beschermeling,
Anthemions zoon Simoësios.

Kristoffel Demoen schreef bij de collectie-Lateur een heel mooi en treffend nawoord, dat overigens begint met twee kakelverse Homerische vergelijkingen, waaronder eentje over voetbal en tv. Dankzij Kristoffel hoef ik hier niet in te gaan op de functies van al die Homerische vergelijkingen in en bij Homeros’ narratief. Dat ze de spanning verhogen, het lees- en hoorplezier verlengen, een overgang helpen maken, zorgen voor contrastwerking, pauzes scheppen: u kunt het zoveel beter bij hem lezen.

En toch. Ik wil het met u nog heel even hebben over misschien wel de meest prangende, inslaande Homerische vergelijking van allemaal. Niet toevallig speelt die zich integraal af in de mensenwereld. Ze komt uit de Odyssee. Even situeren: Homeros last ze in op het moment dat aan het hof van de Faiaken de blinde zanger Demodokos net het verhaal heeft gebracht van het paard van Troje. U weet wel, het nepbeest dat de verwoesting van de stad met zich meebracht. De aanstoker van die geniale list is Odysseus. Na Demodokos’ verhaal houdt diezelfde Odysseus het niet meer uit:

Zoals een vrouw die weent, haar armen slaat
om haar geliefde man die in het aanschijn
van stad en volk gesneuveld is al vechtend
om de meedogenloze dag te weren
voor stad en kroost: zij ziet hem stuiptrekken
en sterven, klampt zich aan hem vast, kermt luid;
met speren slaat de vijand haar vanachter
op rug en schouders, voert haar met zich mee
naar slavernij, ellende en labeur;
erbarmelijk haar smart, haar wangen kwijnen –
zo liet ook Odysseus onder zijn brauwen
de vrije loop aan tranen vol erbarmen.

Wat gebeurt hier? Odysseus laat zijn tranen de vrije loop. En de vergelijking zegt: zoals een oorlogsweduwe bij haar dode man, een vrouw die vervolgens meteen in slavernij wordt weggevoerd. Anders gezegd: de winnaar van de Trojaanse Oorlog, Odysseus, weent zoals pakweg Andromache, de vrouw van de gesneuvelde Trojaan Hektor, die inderdaad als slavin wordt afgevoerd. Nog anders gezegd: de winnaar huilt als een van zijn slachtoffers, na een lied over zijn grootste wapenfeit.

Het is een van de kenmerken van veel Homerische vergelijkingen dat ze met het vertelperspectief spelen. Maar dit geval is nog veel straffer. Hier laat Homeros zien wat poëzie vermag en hoe ze werkt: Demodokos’ lied biedt Odysseus “een vergezicht op zijn eigen verleden”, zoals David Rijser mooi schrijft. Dankzij Demodokos’ poëzie voelt Odysseus het verdriet van die hele rampzalige oorlog. Odysseus wordt Andromache. Dankzij een Homerische vergelijking.

Beste mensen, ik weet het nu nog zekerder dan voor deze bloemlezing: Homeros is geniaal. En het is heel mooi bekeken van de samensteller van dit boek dat hij pal naast déze vergelijking een ander fundamenteel fragment zet uit het einde van de Ilias, als Priamos bij Achilles, de moordenaar van zijn zoon, Hektors lijk komt vragen. Maar die vergelijking moet u straks zelf maar ontdekken. Ja, het gaat bij Homeros over de grote emoties.

Bij de verschijning van de Ilias zong ik elders al volgaarne en grif de lof van Patrick Lateurs Homeros. Ook dat hoef ik hier dus niet opnieuw te doen. Ik zou Van Dale alleen willen suggereren om voor ‘homerisch’ een vierde gebruik te lanceren: een homerische prestatie.

Ik wil wel graag nog even herhalen hoe verdomd geslaagd en doodgewoon juist Lateurs bepalende keuze voor vijfjambische verzen blijft. Dat blijkt hier opnieuw uit deze collectie met kostbare vignetten. U weet of u weet niet dat de vertaler voor zijn keuze inspiratie en steun vond bij een poëtische leermeester van hem: Anton van Wilderode, die al in de jaren 1970 de hexameters van Vergilius’ Aeneis vertaalde in verzen van vijf jamben. Toen ik gisteren even door het volledige dichtwerk van Anton van Wilderode bladerde, ons bezorgd door de hier al een paar keer genoemde Patrick Lateur, viel mij nog eens op hoe intens observerend Van Wilderodes poëzie is, en hoe die observaties niet zelden dienen om diepere, hogere, ongezegde dingen te zeggen. De natuur, de mensen, de elementen, de vele bomen en vogels in Van Wilderodes oeuvre, zoals bij Homeros: het lijkt soms één grote onuitgesproken Homerische vergelijking. Zo zal het altijd zijn, luidt het begin van zo’n natuurgedicht van twaalf verzen:

Opnieuw

 Zo zal het altijd zijn: de lijsters zingen,
hun grauwe pak ten spijt, een grijze haas
wipt uit zijn leger met een plotse haast,
de katjes van de hazelaar blinken,

 de grondel werkt zich uit het moer, libellen
schieten als spoeltjes haaks van links naar rechts
over de witte watervlakte weg,
een nesse geur van groei waait uit de velden.

 De mollen ondergronds, de merels boven,
alles begint van vooraf aan
in elk vorm van leven te bestaan;
de eerste koekoekstoeroep is te horen.

(uit: Het oudste geluk in Anton van Wilderode, Volledig dichtwerk.Gebundelde gedichten, red. Patrick Lateur, Lannoo, Tielt, 1999, p. 1412)

Ik wil eindigen met een allerlaatste Homerische vergelijking. U zult ze niet aantreffen in het boek dat we vanavond vieren. Ze gaat zo:

Zoals na het oogsten dunne halmen worden weggebrand,
zoals soms heggen laaien, wanneer reizigers hun fakkels
te dicht erlangs doen gaan of achterlaten ’s ochtends vroeg,
zo raakte onze god in vuur en vlam, zo stond hij gloeiend
in lichterlaaie en gaf zijn hopeloze liefde hoop.

Waarom staan deze verzen niet in de ‘Homerische miniaturen’? Omdat ze niet Homerisch zijn, maar Ovidiaans, van Ovidius, de man wiens verbanning vorige week ongedaan is gemaakt door het stadsbestuur van Rome, een geste voor zijn 2000ste sterfdag, die voor het overige redelijk onopgemerkt voorbijging.

Die Ovidius doet in dit fragment over de verliefde god Apollo aan het begin van zijn Metamorfosen een beroep op Homeros om zijn lezers en toehoorders in te peperen dat het ook bij hem om een epos gaat, al heeft het er niet altijd de schijn van. Het is een mooie eerbetuiging aan de Griekse grootmeester, zoals je die ook al bij Vergilius aantreft. En er zijn er in de 2000 jaar na Ovidius nog veel gevolgd. De Homerische vergelijking is een blijver.

Een eerbetuiging aan Homeros, dat is dus ook het prachtige, tweetalige! miniaturenboek dat we hier vanavond aan de wereld prijsgeven en waarvoor ik de auteur-samensteller-vertaler en de uitgever van ganser harte feliciteer. Het is mooi dat dit mogelijk blijft, 2800 jaar na de eerste Europese zandkastelen.

Zo zal het altijd zijn.

Ziedaar de onverwoestbare kracht van tijdloze poëzie.

Foto’s © Malou Swinnen