49 – Arjen van Veelen in Alexandrië

‘De volgende ochtend om negen uur brengt de taxi me naar de Bibliotheca Alexandrina. Het is de dag voor midzomernacht, morgen vlieg ik terug. Ik heb een zwart plastic tasje bij me met onze oeuvres: drie romans en een dichtbundel van hem. En een mapje met mijn eigen uitgeprinte, nog onvoltooide biografie van Alexander. ‘Voor Tomas, zonder wie etc. etc.’ heb ik op het voorblad gezet. ‘P.S.: Sorry dat het nog niet helemaal af is.’

Ik repeteer in mijn hoofd alvast de handelingen. Eerst naar de open magazijnen lopen. Dan enkele minuten met geveinsde interesse langs de rijen boekenkasten wandelen. Goed kijken op welke boeken het meeste stof ligt. Daar moet je zijn. Daar blijven de verstekelingen het langst onontdekt. Ik heb als voorzorg in elk boek een bankbiljet gedaan met een briefje waarop staat dat de gelukkige vinder het geld mag houden, als hij het boek terugzet in de kast. Zo zou ik tijd kunnen rekken. Dit is alles wat ik voor zijn werk kan doen.

Studenten lopen af en aan. Het verkeer raast langs de boulevard. Op het plein zie ik de buste.

Middaguur, klokke twaalf. Bij de buste van Alexander. Het was cafépraat, maar soms mag je woorden letterlijk nemen. Ik ben alleen veel te vroeg.

 

Het gebouw stamt uit de jaren negentig en valt op tussen de woontorens: een scheefgezakte discus van beton, aluminium en glas. Het moet een opgaande zon voorstellen, maar het doet me denken aan een op de kustlijn gecrasht ruimteschip. De architecten hebben ook geen poging gedaan de oude bibliotheek na te bootsen. Dat zou ook lastig zijn, want hoe die eruitzag is niet bekend. Er is niets van teruggevonden, nog geen boekenplank. Alleen uit de verhalen is de ambitie nog bekend: om alle informatie ter wereld te verzamelen. Hier lagen de oudste manuscripten van Homerus en Aeschylus, de nieuwste inzichten uit de wiskunde, sterrenkunde, bouwkunde, geneeskunde en geografie, maar ook de religieuze geschriften van joden, hindoes en Egyptenaren. Alle handelsschepen en karavanen die de stad aandeden werden doorzocht op zoek naar papyrusrollen. De stad vorderde alles, tot vrachtbrieven aan toe, tot er een half miljoen rollen lagen opgeslagen in koele nissen.

– Arjen van Veelen, Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken. Roman, De Bezige Bij, Amsterdam, 2017, p. 225-226.