44 – Colm Tóibín over Elektra

‘Mijn kamer is een voorpost van de onderwereld. Ik leef elke dag met mijn vader en mijn zus. Ze houden me gezelschap. Wanneer ik naar mijn vaders graf ga, adem ik de stilte in op de plek waar zijn lichaam rust. Ik hou mijn adem dan lang in, zodat mijn lichaam volstroomt met deze nieuwe lucht, en ik laat mijn adem langzaam vrij. Dan komt mijn vader naar me toe vanuit zijn plek in de duisternis. Ik loop naar het paleis met zijn schim dicht bij me, die omhult me bijna.

Hij is op zijn hoede wanneer hij in de buurt van het paleis komt. Hij weet dat daar mensen zijn voor wie hij moet uitkijken, zelfs in de dood. Ik hou me muisstil wanneer hij een plekje in deze kamer zoekt waar hij kan neerstrijken. En dan, zodra ik haar naam fluister, verschijnt mijn zus Iphigeneia, eerst als een lichte beroering van de lucht.

In het begin hield ik mijn hart vast voor ze. Ik dacht dat mijn zus aan ons verscheen om mijn vader eraan te herinneren hoe ze was doodgegaan, om met hem te praten over hoe kilhartig hij had toegekeken toen ze werd geofferd. Ik dacht dat ze als aanklaagster was gekomen om hem in een duisternis te storten die nog dieper was dan die waarin hij nu verkeerde.

Maar mijn zus Iphigeneia, gekleed in haar trouwgewaad, nog bleker en mooier toen ze vastere vorm aannam, liep langzaam en geluidloos naar mijn vader toe, klaar om hem te omhelzen, hem vast te houden of troost te putten uit zijn geest.

– Colm Tóibín, Het huis van de namen (vert. Anneke Kok), De Geus, Amsterdam, 2017, p.162-163.