39 – Aristoteles over Homeros

‘Homerus verdient het op allerlei terreinen geprezen te worden, maar vooral om het feit dat hij als enige van de epische dichters heeft begrepen wat zijn eigen rol moet zijn. De dichter moet namelijk zo min mogelijk in eigen persoon aan het woord zijn, want het zijn niet die passages die hem tot uitbeelder maken. De andere dichters gooien voortdurend zichzelf in de strijd, zodat de passages waarin eindelijk iets wordt uitgebeeld in de minderheid zijn. Maar hij voert, na slechts een beknopte inleiding, meteen een man, een vrouw of een ander personage op, en dan is het altijd iemand met karakter.

In tragedies is het verbazingwekkende een belangrijk element, maar in het epos is er zelfs plaats voor het onlogische – een van de voornaamste bronnen van verbazing – omdat je niet werkelijk zit te kijken naar degene die de handeling verricht. De scène waarin Hector wordt achtervolgd zou op het toneel belachelijk overkomen, met figuren die aan de grond genageld staan en niet ingrijpen omdat Achilles hun dat verbiedt, maar in het epos valt het niet op hoe onlogisch dat is. Verbazing levert plezier op. Een aanwijzing daarvoor is het feit dat iedereen die een verhaal vertelt de neiging heeft te overdrijven, omdat hij denkt de luisteraar er een plezier mee te doen. (1460a5 e.v.)

– Aristoteles, Poëtica. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Piet Gerbrandy & Casper de Jonge, Historische Uitgeverij, Groningen, 2017, p. 95.