18 – Luther over Aristoteles

‘Deze brief is bestemd voor de heer Jodocus van Eisenach. Hij zit vol kritische vragen over de logica, de filosofie en de theologie, vol laster dus tegen Aristoteles, Porphyrius en de commentatoren der Sententiën, waardeloos studiemateriaal voor onze tijd. […] Wat heb je ook nog voor verweer als je alles gelooft wat deze aartslasteraar ons aan dwaasheid voorspiegelt, zo onzinnig, dat ezel noch steen er hun mond over zouden kunnen houden. […] Op niets ben ik zo gebrand als om die clown, die met zijn Griekse masker de kerk beduveld heeft, voor aller ogen te ontmaskeren, als ik er maar de tijd voor krijg. […] Ik wil die Proteus bestrijden zoals Aristaeus in de fabel, hij is een verleider van gezonde geesten. Als hij geen mens van vlees en bloed was geweest, dan zou ik hem een echte duivel noemen. […] En de universiteiten verbranden maar goede boeken en dicteren intussen rustig doorsuffend de slechte verder’ (Brief van 8 februari 1517 aan Johannes Lang – J.P. Boendermaker, Luther. Brieven uit de beslissende jaren van zijn leven, Baarn, 1982)