16 – Lessing over Laocoön

‘De meester probeerde hoogste schoonheid te bereiken, binnen de gegeven opdracht van het uitbeelden van lichamelijke pijn. Deze laatste was, in al zijn wanstaltige heftigheid, met zijn doel niet te verenigen. Daarom moest hij de pijn matigen. Hij moest het schreeuwen verzachten tot een zucht; niet omdat het schreeuwen getuigt van een onedele ziel, maar omdat het gelaat erop een afstotelijke manier door wordt misvormd. Stelt u zich in gedachten maar eens voor dat Laocoön zijn mond opentrekt, en oordeel dan. Laat hem schreeuwen, en kijk hoe hij eruit ziet. Eerst wekte het kunstwerk meegevoel, omdat het schoonheid en pijn tegelijk toonde; nu is het een lelijke, een afschuwelijke voorstelling geworden, waarvan men graag zijn blik afwendt, omdat het zien van pijn onbehagen wekt, zonder dat de schoonheid van het lijdende object dit onbehagen in het aangename gevoel van medeleven kan veranderen.’ – Lessing, Laocoön, 1766 (vert. Wessel Krul)