Hubert van Herreweghen — De zanger zwijgt

Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur in 2004

Op 12 november 2016 werd in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek afscheid genomen van dichter Hubert van Herreweghen. Patrick Lateur sprak er deze woorden.

De zanger zwijgt,
het laatste takje munt geplukt,
het land van Brabant toegedekt.

Hubert van Herreweghen heeft als medewerker van radio en televisie een leven lang luisteraars en kijkers schoonheid aangereikt. Maar het mooiste schonk hij aan de lezers van zijn verzen, zowat vijfentwintig bundels tussen 1943 en 2015. Een dichterschap dat driekwart eeuw overspant en dat hij bleef voeden vanuit zijn legendarische rood-grijze copybooks, schatkamer van zijn woorden en verzen, genoteerd met invallen of in grote halen, en waarin hij tot in zijn laatste weken grasduinde, selecteerde, corrigeerde. Voor zijn dichterlijk metier, zijn eigenzinnige omgang met de taal, de hoge vlucht van woord en gedachte, de heel eigen, precieze en precieuze keuze van zijn versvormen werd de taaltovenaar Van Herreweghen meermaals gelauwerd en gevierd, en kreeg hij in 1983 ook zijn zetel in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in opvolging van Maurice Gilliams.

In de eerste decennia schrijft de dichter zijn levensvisie getekend door lijden en dood, vrij expliciet uit in veelal klassieke versvorm. Nadien evolueerde hij naar bijzonder expressieve verzen die de zangerigheid en de beeldende kracht van Gezelle en Van Ostaijen oproepen en waarin zijn wereldbeeld tussen de woorden en de versregels zichtbaar en hoorbaar wordt in een mengeling van ernst en spel, spiritualiteit en zintuiglijkheid, doodsgedachte en vitalisme. De wijsheid die uit zijn verzen spreekt, maakt van Hubert Van Herreweghen de poeta vates, de ziener die onze ogen opent voor wat zich vooral in kleine dingen openbaart. Tegelijk is hij hét voorbeeld bij uitstek van de poeta faber, die in het gevecht met de weerbarstige taal, zelf wars van alles en eigenzinnig dwars, de taal doet zingen door zich over te geven aan het ritme eigen aan elk woord, aan de muzikaliteit van het vers, aan de onweerstaanbare drang om oude woorden te redden en nieuw te doen klinken. De wandelende Brabantse landheer werd meer dan ooit de aristocraat van de taal.

In dat alles ging hij zijn eigen weg, authentiek en fascinerend. ‘Dichters schrijven niet in bende, denken of voelen niet in groep, …’, schreef hij ooit. Maar hij koesterde de vriendschap met zijn schrijfbroeders, o.m. Jos de Haes, die hem veel te vroeg is voorgegaan. Toch bleef hij zijn eigen meester en werd hij de oude meester die ons telkens weer verraste met dichtwerk dat hedendaagser en nieuwer klinkt dan wat men van een nestor van de literatuur verwacht. Zijn monumentaal poëtisch oeuvre is duurzaam, duurzamer dan het horatiaanse brons.

De zanger zwijgt,
het laatste takje munt geplukt,
de grond van Brabant toegedekt,
de laatste wandel ingezet.

Goede vriend Hubert,
de Academie groet jou dankbaar,
jouw vrienden blijven jou dankbaar,
want jij leeft voort, ook in jouw gedichten.