Brief aan Mats

Op verzoek van de Gezinsbond schreef Patrick Lateur een stuk over zijn kleinzoon Mats Hatamian voor de extra editie 2016 van Brief aan jonge grootouders. Het werd een brief aan Mats, hieronder integraal te lezen.

Gijzegem, 15 maart 2016

Dag kleine Mats

Als jij dit papier in handen krijgt, overleeft mijn brief jouw wriemelende vingertjes niet. Lezen doe je pas later, begrijpen nog veel later. En toch schrijf ik jou op je eerste verjaardag, omdat ik over zoveel jaren wellicht niet meer gezegd krijg of gewoon ben vergeten wat ik nu denk en wil zeggen. Wat ik wel nooit vergeet: je verjaardag valt samen met de Iden van maart en ooit leer je op school dat op die dag in Rome Julius Caesar werd vermoord. Die man droeg nooit mijn sympathie weg, hij wurgde de republiek, heerste alleen, had veel bloed aan zijn handen. Maar de naam die jij op die Iden van maart van je papa en mama meekreeg, compenseert dat ruimschoots. Mats is Zweeds – mama Hadewig en papa Stefaan verbleven toen in Göteborg – en staat voor Matteüs, de man die mooie verhalen schreef over een inspirerende Jood die een paar decennia na Caesar leefde. Matteüs betekent ‘geschenk van Jahweh’. Mats, jij bent een godsgeschenk. Dikke van Dale verklaart dat als ‘bijzonder geluk, iets waarvoor men zeer dankbaar is’. En er zijn nu al veel redenen om dankbaar te zijn, want jij leert me een en ander, zonder dat jij het zelf beseft.

Neem nu die lach van jou. Sinds die spieren werken, heb je ze al aardig gebruikt. Van bij het wakker worden tot je weer gaat slapen, van bij het binnenkomen tot je weggaat. Ik denk soms meer dan andere kleintjes, maar in deze ben ik geen objectieve waarnemer. Wenen doe je uiteraard ook, maar voorlopig alleen als maag of tand je daartoe dwingt. Mij blijven uit je eerste jaar dat lachend mondje en die blinkende oogjes bij, en sinds kort het geschetter. Alsof je wil zeggen dat de wereld eigenlijk gemaakt is om er vreugde en plezier aan te beleven. In al je onschuld heb jij het recht om me daarop te wijzen. Je lach is ontwapenend. Hij ontneemt ons, grote mensen, de wapens waarmee we de wereld minder aangenaam maken. Die wereld verken je nieuwsgierig met felle ogen die telkens weer oplichten als je iets herkent dat je gisteren of eergisteren voor het eerst zag. Zoals Vasalis het schreef:

En nog blinkender dan het licht
het klein benieuwd gezicht
de ogen poeltjes blauw vuur…

Geniet met volle teugen, Mats, want dat kan je ongeremd en onberoerd. Ik kijk niet zonder weemoed om naar dat voor mij lang vervlogen landschap, dat een mens pas ten volle vatten kan wanneer hij het achter zich heeft gelaten.

Je leert me nog iets anders, Mats. Jij hebt geen besef van tijd, terwijl ik voortdurend bezig ben en benomen: een deadline hier, een afspraak daar. Jij laat alles zalig over je heen komen in een continuüm waar een klok geen vat op heeft. En jij sleurt mij mee naar die tijdloze oase als ik torens bouw die je binnen de kortste keren tegen het tapijt legt of als we door de kamers wandelen en heel even alle dingen groeten met volle hand of vinger. Dan drukt tijd zich niet meer uit in minuten, maar is het een heerlijk beleven van wat zich aandient. Jij werpt mijn tijdsindeling overhoop. En kijk, ik begin er almaar meer plezier in te vinden. Het heeft veel weg van dat mooie woord kairos, dat de oude Grieken bedachten voor tijd die dieper wordt beleefd en die de deur opent voor een andere waarneming van mensen en dingen. Gezelle had er zo zijn eigen woorden voor:

Gelukkig kind
     dat ligt en laat geworden
al ’t geen den mensch
     zoo driftiglijk beroert!  

Als jij er bent, zetten we dus het spel met tijd en orde voort. Mijn hoofd mag bol staan van to-do’s, jouw hoofdje kijkt naar plant en masker, paard en haan, of heks en koning, en we zijn vertrokken.

Nog één ding, Mats. Het zal je vreemd in de oren klinken als je dit leest, want een baby en een peuter kijken letterlijk op naar ouders en grootouders – ik moet echt een reus zijn als jij je rechttrekt aan mijn broekspijpen – en later kijken ze naar hen op als goden om alles wat zij zeggen en doen en maken. Maar jij maakt me nederig, Mats. Ik kijk naar jou op. Je brengt een en ander terug tot zijn ware proporties. Als ik besef vanwaar ik kom door jou bezig te zien en als ik denk waarheen jij nog gaan moet, dan overvalt me iets van schroom, van eenvoud, van deemoed. Het is een beetje als met de bloem waarbij Hubert van Herreweghen zich dichtend afvraagt:

Bezie ‘k de bloem, wie ben dan ik?

Ik wandel wat en zij blijft staan
Wat heeft ze een winter ondergaan,
bewusteloos gezond?

Die bloem komt elke lente terug zonder er veel te moeten voor doen. En de ouder wordende dichter weet zich klein. Zoiets overvalt me ook als jij lacht, als jij me tijd en plaats vergeten doet. Dat maakt me meer dan ooit gevoelig voor het wonder. En voor het wonder wijkt alle waan.

Baby’s en kinderen leren voortdurend van hun ouders en grootouders. Hun wereldje wordt elke dag groter en rijker. Maar, Mats, ik heb hier de zaken om willen draaien, omdat jij me in dit eerste jaar deed beseffen dat de allerkleinsten, die nog liggen of beginnen te kruipen of voor het eerst rechtop staan, zelf veel te zeggen hebben. Men had me van alle kanten verwittigd dat het leven met een kleinkind grondig verandert. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik mijn schouders wat heb opgehaald, ik was er nogal gerust in. En jij, Mats, klein kind, kleinkind van me, zorgde ervoor dat zij het gelijk aan hun kant kregen. Ik heb mijn antenne bijgesteld. Maar ik heb dat vooral kunnen doen omdat ik voelde dat jij in al je onbevangenheid me veel te leren hebt. Blijf dus maar lachen, doe me almaar de tijd in vraag stellen, blijf me herinneren aan de weg die ik zelf heb moeten afleggen.

Lieve Mats, ik eindig mijn brieven en mails steeds met een woord dat de Romeinen, en dus ook die Caesar van hierboven, op het einde van hun brieven schreven. Het is een groet en een wens dat het jou goed moge gaan: vale.

Vake