Verwelkoming van Leen Huet in de KANTL

Op woensdag 15 juni 2016 verwelkomde Patrick Lateur Leen Huet als werkend lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij volgt er Monika van Paemel op. Lees hieronder zijn toespraak.

“Dit is mijn favoriete kamer wanneer het regent. Alleen mijn leeslamp brandt, en in die warme kring van licht trek ik het ene boek na het andere, mijn pen ritselt, het papier krast, er is tijd om na te denken en te dommelen. Als ik opkijk, zie ik de vergulde houten engel op de andere tafel, eeuwig neerstrijkend met zijn groet, zijn banderol en zijn naïeve krullen. (…) Zijn aanwezigheid troost me.”
(De kunstkamer, 87)

Geachte voorzitter, waarde collega’s, dames en heren,

zo begint het zevende verhaal van de bundel De kunstkamer van Leen Huet uit 2001. Het is geen weergave van een beleefd moment, want alle verhalen in het boek berusten op verbeelding, laat de auteur in een aantekening (215) weten. Maar dit blijft een typisch Huet-fragment dat getuigt van intimisme, van liefde voor boeken, van de intensiteit van de schrijfact, van de vertroosting door schoonheid.

Kunsthistorica en filosofe Leen Huet publiceerde met haar echtgenoot Jan Grieten in 1996 haar eerste boek, Belgisch Museumboek. Reis langs 21 musea. In de twintig jaren die sindsdien verliepen, verblijdde zij haar lezers met ongeveer evenveel boeken over literatuur en beeldende kunst en met eigen romans en verhalen. Daarnaast schreef zij bijdragen voor De Standaard, De Morgen en Knack, en voor tal van tijdschriften als Dietsche Warande en Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift, Rekto:verso, Zacht Lawijd, Stripgids, Zaal Z en nog vele andere. Voeg daarbij haar lidmaatschap van de redactie van Dietsche Warande & Belfort en haar bestuursfunctie binnen de Vlaamse Auteursverenging, en het mag duidelijk zijn dat Leen Huet in het Vlaamse letterenland haar plaats heeft gevonden.

AlmanakIk weet niet of zij een voorkeur heeft voor het getal zeven, maar na haar drie maal zeven musea spelen haar romans en verhalen structureel met dat symbolisch en heilig getal. De kunstkamer bevat veertien verhalen waarin kunst zich in het leven van elke dag laat voelen. Zoals Boccaccio zijn Decameron opbouwde met telkens tien verhalen gedurende tien dagen, zo kan men Huets roman Almanak lezen als een heptameron bestaande uit zeven hoofdstukken met telkens zeven verhalen, waarmee zij de Kempen, haar geboortestreek, meer bepaald het landschap van de kolonies van Wortel en Merksplas, evoceert. Eenoog bevat dan weer veertien capita, waarvoor de auteur zich laat inspireren door haar lang verblijf in Firenze begin de jaren negentig en waarin de ik-figuur de grenzen aftast van vriendschap, liefde en kunstenaarschap. Deze romans en verhalen kregen in 2013 nog een vervolg met de novelle Penwortel in de mooie Belgica-reeks van Dirk Leyman. Hier zoekt het hoofdpersonage troost en veiligheid in de archieven van de familie.

Graven in het verleden, zoeken naar de wortelgrond, verlangen naar schoonheid, zoeken naar kunst: het zijn constanten in de verhalen van Leen Huet die tegelijk wezenlijk samenhangen met haar essayistisch en kunsthistorisch werk, waar hetzelfde gebeurt. In haar verhalen thematiseert zij de kunstwereld, terwijl haar essays en studies over de wereld van schilders en hun doeken literatuur ademen.

Naast haar scheppend proza liggen drie turven voor van historische en kunsthistorische aard. In 2006 bezorgde Leen Huet een brievenboek van Rubens. Daarmee vulde zij een onbegrijpelijke lacune in, want ondanks de belangstelling voor het epistolaire genre bleef de correspondentie van een van onze grootste schilders voor het grote publiek ontoegankelijk. Zij selecteerde en vertaalde 157 van de 252 bekende brieven die Rubens schreef in het Italiaans (naast het Latijn dé Europese cultuurtaal van de 16e en 17e eeuw), het Frans, het Engels. Zij putte ook uit een Spaanse vertaling, waarin een paar brieven van Rubens bewaard bleven. Met die vertaling reikt Leen Huet ons van een schilder, wiens schilderijen en tekeningen ons beeldrijk voor ogen staan, ook de woorden aan en laat zij ons op een directe manier kennismaken met de persoon en familie, vrienden en opdrachtgevers en de wereld, zeg maar het Europa van de kunstenaar, zakenman en diplomaat. Ook uit dit Rubensboek blijkt hoe bij Huet de verhouding woord en beeld centraal staat.

Pieter Brueghel. De biografieMet Jan Grieten bracht zij in 2011 de biografie van de Antwerpse burgemeester uit de Gouden Eeuw, Nicolaas Rockox, die in hetzelfde jaar als Rubens overleed, en ook onlangs nog profileerde Huet zich als schitterende biografe met Pieter Bruegel. De biografie. Of er nu behoorlijk wat bronmateriaal voorhanden is (Rockox) of erg weinig (Bruegel), Huet weet telkens een bont beeld te schetsen van de figuur in zijn context. Beide boeken openen in medias res. De ouverture is telkens een cultuurhistorisch feit van grote betekenis: de Faustinamunt uit de Romeinse goudschat van Mespelare die in handen kwam van burgemeester Rockox en de aankoop van Bruegels Dulle Griet door Fritz Mayer van den Bergh. Een erg geslaagd procedé dat de lezer direct in het hart van het onderwerp brengt.

Een van de opvallendste eigenschappen van de Bruegelbiografie is het gebruik van de ekfrasis, een gedetailleerde evocatie van een kunstwerk. Het archetype daarvan is te vinden in de beschrijving van Achilles’ schild in Homeros’ Ilias. Ook in de Rockoxbiografie komen reeds ekfraseis voor, maar in het Bruegelboek is het dé manier om de lezer te leren kijken naar een tekening of een schilderij. Een fragment over Dulle Griet: “Vuur en vonken boven een gebladerd landschap. Een rode gloed langs de glooiende einder, alsof er een enorme bosbrand heeft gewoed. Rechts brandt het zo hevig dat men de horizon niet meer kan zien, daar slaan kolommen van geel vuur ten hemel. De wind waait van links naar rechts. Een reusachtige wijnkruik staat als een koeltoren op de verschroeide aarde. In haar buik zijn tralies aangebracht, daarachter zitten gevangenen. Gestrafte dronkaards, dat kan niet anders.” (Bruegel, 23). U hoort als in een staccato de enumeratio van de elementen die dit detail van Dulle Griet vormen. En het is meer dan een beschrijving, want de auteur voegt er af en toe een subjectieve bemerking aan toe, want het schilderij werkt op haar, op ons in. Ik vind dit het waarmerk van deze biografie.

Maar tegelijk is het een niet onbelangrijk element van de stijl in het hele oeuvre van Leen Huet. Want kijk, wat lezen we in de evocatie van een fiets op een willekeurige bladzijde uit haar verhalen? “… de zon, de wind, de bladeren, de wolken daarboven, de helderheid rondom. Tussen de stangen deint een gebloemde rok, een brede, gerimpelde hand met een gouden ring en een ring met een parel houdt het stuur. De fietsster bolt uit, ze staat recht op een pedaal, ze zet een voet in een gemakkelijke sandaal op de grond. De staander wordt naar beneden geklapt en de fiets zakt schuin in het zand, aarzelt, blijft toch overeind.” (De kunstkamer 23) Leen Huet schrijft over schilders en hun doeken, maar voor haar is schrijven als schilderen, boeken zijn doeken, zij doet ons lezen en ze doet ons kijken in een taal die precies is en precieus, plastisch en copieus, met zin voor het schilderend detail. Bladerend in Huet moet ik vaak denken aan het lyrisch proza van Marguerite Yourcenar, o.m. in Feux, terwijl ik Yourcenar slechts eenmaal tegenkwam, in het lemma Zeno uit Mijn België, waar Huet betreurt dat Zeno een vleugje humor ontbeert. Maar ik denk ook aan Yourcenars belangstelling voor haar verleden in Archives du Nord, want met haar schilderende stijl heeft Huet met Yourcenar ook haar omgang met het verleden gemeen, haar queeste naar de eigen wortels en die van haar cultuurgemeenschap.

Aan die wortelgrond schenkt zij niet alleen aandacht in haar verhalen, maar ook in een reeks boeken over schilders en schrijvers, over musea en steden, oude boeken en moderne schilderijen. Op die manier is Leen Huet een betrouwbare gids door literair Turnhout of door het Venetië in de wereldliteratuur, zij leert hoe er bij de vondst van een lang gezocht boek wel iets meer gebeurt dan een louter antiquarische aankoop van oud papier, zij leidt u door musea die u anders nooit zou hebben bezocht en doet u kijken met ogen die u niet had.

Mijn BelgiëEr is bij al die boeken één werk dat haar nog een leven lang mag en zal achtervolgen: Mijn België. Dit abecedarium, dat al uit 2004 dateert, is een merkwaardig portretten- en schetsenboek waarin Leen Huet al haar darlings heeft bijeengeschreven. Want overschouw je haar hele werk tot vandaag, dan lijkt het erop dat Mijn België een soort synthese is van wat ervoor kwam én van wat Huet nog zou schrijven. Uiteraard zijn Bruegel en Rubens erbij, maar ook veel figuren die in Huets andere boeken een of meerdere keren hun opwachting maken: de Franstalige Antwerpse schrijvers Max Elskamp en Georges Eekhoud, de Engelse schrijfster Ouida in Hoboken of Victor Hugo in Turnhout, of zwemkampioen en verzetsman Martial van Schelle. Sommige lemmata zijn breed uitgewerkt, zoals dat over Leonardo da Vinci in Tongerlo of een inventaris van het zeventiende-eeuwse interieur van de pastorij van Minderhout waar Antoon van Dycks jongste broer resideerde. Dit Belgiëboek werkt aanstekelijk omdat de lemmata veelal uitgaan van een detail. In haar stukje over De cultuur van de renaissance in Italië van Jacob Burckhardt en over het nut van dikke boeken met veel details schreef Huet in de bundel Oud papier: “Zo wonderlijk zijn die details bovendien dat ze je toelaten, als het ware vanuit je ooghoeken, iets op te vangen van X, de persoon uit het verleden.” (41) Leen Huet is zelf geen auteur van grote verhalen of theorieën, zij focust op het detail, om van daaruit licht te werpen op een figuur, een werk, een gebeurtenis.

Dit hoogst wonderlijke Belgiëboek getuigt van Huets belezenheid en eruditie, van haar zin voor het detail, haar humor, haar sensitieve taal. En uiteindelijk ook van de samenhang van haar oeuvre, dat op het eerste gezicht vele richtingen uitgaat, maar convergeert in de eenheid van thematiek en stijl én in de band tussen kunst en literatuur zoals Leen Huet die verwerkt in verhalen en essays.

Dames en heren, in zijn in maart verschenen boek Un fauteuil sur la Seine. Quatre siècles d’histoire de France schetst Amin Maalouf al zijn voorgangers in de 29e zetel van de Académie française sinds 1634. Het is een verleidelijke gedachte dat de leden van deze Academie ook eens een beeld zouden ophangen van taalkundigen, literatuurwetenschappers en letterkundigen in hun respectieve zetel sinds 1886. Ik maakte alvast een kleine oefening voor Leen Huet. Haar onmiddellijke voorgangers in zetel XXII van onze Academie zijn de literatoren Monika van Paemel, Ivo Michiels en Karel Jonckheere. Deze laatste had in 1966 de zetel overgenomen van Leo Van Puyvelde, die als kunsthistoricus grote bekendheid verwierf en vertrouwd was met de Vlaamse Renaissance en de Antwerpse 17e-eeuwse kunst. Vóór Van Puyvelde kwamen drie namen die vandaag zijn weggedeemsterd – sic transit gloria mundi: de Limburgse jurist en flamingant Paul Bellefroid, de Brabantse taalkundige Désiré Claes en de Antwerpenaar Lodewijk Mathot. Mathot was het eerste academielid in zetel XXII en publiceerde onder het pseudoniem L. van Ruckelingen Verhalen. Herinneringen aen myne Kempische reistogtjes. Kempische herinneringen, kunsthistorische werken en verhalend proza zijn de meest opvallende elementen in het oeuvre van de voorgangers van Leen Huet. Zij zal op haar manier die traditie voortzetten.

Dames en heren, zetel XXII van deze Academie is in goede handen.

Collega Huet, beste Leen, wees welkom.

Patrick Lateur verwelkomt Leen Huet in de KANTL