In het teken van de Vis

In Jaarwerk MMXV, het eerste jaarboek van de Vereniging voor West-Vlaamse Schrijvers, publiceerde Carl De Strycker In het teken van de Vis, een bijdrage over de poëzie van Patrick Lateur. Lees hieronder de tekst.

‘in het teken van de Vis’
De poëzie van Patrick Lateur

Carl De Strycker

Patrick Lateur is waarschijnlijk bekender als vertaler dan als dichter. Zijn vertaalwerk van klassieke teksten wordt hooglijk gewaardeerd. Paul Claes was zeer positief over Lateurs vertaling van de bijzonder moeilijke Zegezangen van Pindaros, zijn omzetting van fabels van Leonardo da Vinci oogstte veel lof en voor zijn vertaling van de Ilias van Homerus werd hij in 2013 bekroond met de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap. Lateur is zonder meer een van de belangrijkste (poëzie)vertalers uit het Grieks en Latijn van zijn generatie.

Minder geweten is dat hij zelf ook een verdienstelijk dichter is. Dat dit aspect van zijn literaire werk relatief onderbelicht bleef in vergelijking met zijn vertalingen, zijn hoofdredacteurschap van Kunsttijdschrift Vlaanderen of zijn werk als bloemlezer heeft een aantal redenen, institutionele zowel als inhoudelijke. Anders dan zijn vertalingen van Pindaros en Homerus die bij Athenaeum-Polak & Van Gennep in Amsterdam verschenen, publiceerde Lateur zijn poëzie bij Vlaamse uitgevers als Poëziecentrum en Uitgeverij P. Zoals vanouds worden publicaties die niet in Amsterdam verschijnen boven de Moerdijk makkelijk over het hoofd gezien. Dat geldt voor het werk van heel wat dichters die in Vlaanderen als belangrijke stemmen worden beschouwd (denk maar aan Jo Gisekin, Claude van de Berge, Marcel van Maele, Lucienne Stassaert of Marleen De Crée en tutti quanti) en dat is met de gedichten van Lateur niet anders. Daarnaast maakt het feit dat Lateur in deze (post)postmoderne tijden, waarin ideologieën en grote zingevingssystemen gewantrouwd worden, een uitgesproken christelijk dichter is dat zijn poëzie haast per definitie veroordeeld is tot een vrij klein publiek binnen de niche die de poëzie van zichzelf al is. Daar komt nog bij dat, door de voortschrijdende secularisering, een beeldentaal vol typisch christelijke motieven en symbolen voor een stuk ondoorzichtig geworden is, en het intertekstuele netwerk waarin Lateurs poëzie ingebed is — hoofdzakelijk dat van de Bijbel — door vele (jongere) lezers niet langer vanzelfsprekend gevonden wordt.

Ongeveer vijfentwintig jaar na zijn debuut als dichter verscheen dit jaar een bloemlezing uit Lateurs poëzie in de onvolprezen Parnassus-reeks van Uitgeverij P: In tegenstroom, samengesteld en ingeleid door Jooris van Hulle, die voor zijn introductie teruggreep naar wat hij eerder in het aan Patrick Lateur gewijde VWS-cahier over diens poëzie schreef. Een kwarteeuw dichterschap is een mooi moment om een overzicht te geven en dat doet dit boek prima. Aangezien Lateurs dichterlijke oeuvre eerder beperkt te noemen valt — zes bundels plus Lente in Galilea. Een passiespel, dat de dichter kennelijk als oorspronkelijke poëzie beschouwt, aangevuld met wat verspreide gedichten — zijn er eigenlijk niet zo veel verzen gesneuveld, waardoor dit welhaast een uitgave van de verzamelde gedichten is. Zo’n boek vormt een goede aanleiding om voor een blik te werpen op deze in omvang en in pretentie bescheiden, maar niettemin bijzondere poëzie die enerzijds van literair vakmanschap getuigt en anderzijds van een duidelijke levensvisie.

‘gezangen uit het leerhuis van de catacomben’

Lateur debuteert in 1991 met Catacomben pas op tweeënveertigjarige leeftijd — zowat in het midden van zijn reis door het leven dus. Dat is geen vrijblijvende allusie op Dante, aangezien Lateurs bundel verwantschap vertoont met het werk van deze grote middeleeuwse dichter. Wat op anekdotisch niveau immers een toeristisch uitstapje lijkt — het bezoek aan de catacomben in Rome — waarvan de ik de hoogtepunten verhaalt, is natuurlijk een metafoor voor een afdaling in en een toch door de onderwereld waaruit hij gelouterd weer boven komt. Opmerkelijk is dat de dichterlijke ik haast overal symbolen ziet (hij bewandelt ‘een pad vol zinnebeelden’, heet het in ‘Katabasis’), zodat de wereld, en bij uitbreiding zijn vers, helemaal opgeladen raakt met betekenis, die geïnterpreteerd wordt vanuit de christelijke iconografie. Zo duikt in deze verzen erg vaak de duif op, maar zijn ook water, brood, de herder en de vis veelgebruikte motieven. En ook de vorm van het gedicht is niet zonder betekenis. Lateur schrijft gedichten die opgebouwd zijn uit drie kwatrijnen, dat betekent: drie strofes en in totaal twaalf verzen, getallen die symbolisch geladen zijn binnen het christelijke referentiekader (ook Dante speelde trouwens met getallensymboliek in zijn Divina Commedia).

Het binnentreden van de catacomben krijgt iets apocalyptisch in deze onheilspellende regels:

De poorten kraken open als zochten
zij te tonen een trouw bewaard geheim.
De klamme adem van de krochten
verijlt omhoog de eerste tred voorbij.

Het laatste daglicht leidt mijn schreden
op de grens van levenden en doden,
het uur waarop er wordt gebeden
door wie behoort tot de genoden.

Naast de angst die het afdalen opwekt, is er ook het gevoel uitverkoren te zijn het verrijzenismysterie te mogen aanschouwen dat zich hier, op deze plek op de grens van leven en dood, zal openbaren. Het bezoek aan de grafplaatsen van vroege christenen leidt tot een reflectie over enkele Oudtestamentische figuren (Adam en Eva, Noach, Mozes, Daniël en Jona) en een dieper begrip van de Nieuwtestamentische symbolen zoals het anker, de duif of de vis. Dat culmineert in het gedicht ‘Agapè’ waarin duidelijk is waar het allemaal om draait: ‘de kern der dingen onverholen: / de vis, de wijn, het brood in manden’, of met andere woorden: de eucharistie, waarin de dood en de verrijzenis van Jezus herdacht worden. Daarop volgen gedichten die gewijd zijn aan de verschillende verschijningsvormen van de verrijzenis (‘Doopsel’, ‘Eucharistie’, ‘Verzoening’, ‘Verrijzenis’ en ‘Epifanie’) waarna het geloof in het nieuwe leven beleden wordt, het mooist in ‘Sarcofaag’, over een kind dat weliswaar voor zijn geloof gestorven is, maar waarvan de ik hier zeker weet dat het ‘in het geopend graf nieuw leven vindt.’ Deze typisch christelijke omkering van de feiten waarbij de dood gelijkgeschakeld wordt aan het échte leven wordt nog eens beleden in ‘Anabasis’, het gedicht dat de terugtocht uit de catacomben beschrijft:

Wanneer de allerlaatste stap verklinkt
langs holten vol geduld en trage muren,
ontwaakt het dormitorium en zingt
mijn lied gegroeid in mateloze uren

van verlangen en verwondering.
Het zalig koor van stemmen onbekend
verheft mijn wezen tot de weidse kring
van loven en van leven zonder end.

Weerbarstig schuift de trap onder mijn voet.
En als de deuren sluiten op de voorhal
van de hemel, klinkt de avondgroet
van tortelduiven in hun laatste val.

De ik heeft de dood aanschouwd (letterlijk) die evenwel leidt naar ‘een leven zonder end’ en daarmee het ware leven. Die waarheid zorgt ervoor dat hij als een ander mens bovenkomt. De drukte van de hedendaagse stad (‘Een wiegend legioen van overstuurse / wagens slingert stampend langs de oude / weg.’) wordt gevlucht: ‘overhoeks wenken me stille muren / om even nog in dromen in te houden.’ De kerk biedt de rust om de haast onbevattelijke waarheid die tot twee keer toe met een droom gelijkgesteld wordt en die tijdens de tocht onder de grond gevonden werd tot zich door te laten dringen. Daarmee is Catacomben de belijdenis van een dichter die op het midden van zijn levensweg het geloof (her)vindt.

‘Zijn wil zich te ontzelven’

In zijn tweede bundel, De speelman van Assisi, vertelt Lateur het levensverhaal van de voor velen inspirerende heilige Franciscus. Van de jonge welgestelde ridder die hij was tot de bewust in armoede levende prediker van de liefde die in zijn hier opgenomen ‘Loflied van de schepping’ de heerlijke natuur bezong als het werk van God. Omdat het personage Franciscus en de ik-figuur haast onmerkbaar over elkaar heen schuiven en zelfs in elkaar opgaan (de hij-figuur, Franciscus, smelt af en toe samen met de sprekende ik tot een wij-figuur) geldt voor deze bundel eigenlijk hetzelfde als voor Catacomben, namelijk dat de anekdotisch-biografische laag (hier het verhaal van Franciscus) slechts een metafoor is voor een persoonlijke belijdenis. Anders dan in Catacomben, waarin het mysterie van de verrijzenis, en dus het leven na de dood centraal stond, is het thema van De speelman van Assisi het aardse leven en de vraag hoe dat te leven in het spoor van Jezus Christus. Hier wordt, in het voetspoor van Franciscus, een ascetisch hedonisme gepropageerd, waarbij je enerzijds dient te genieten van de schoonheid die gegevens is, maar je verder zoveel mogelijk moet onthechten.

Het afstand doen van werelds bezit (‘Ik […] weet dat hij toen veel om weinig gaf.’), maar ook van aardse relaties is een terugkerend motief in deze bundel. Het mooist wordt dat verwoord in het gedicht ‘San Francesco’, waarin het hoofdpersonage afscheid neemt van zijn goede leventje bij zijn goede vader om zich te wijden aan de Vader:

Maar dan slaat een januariwind
op muur en plein waar burgers keurig

onthutst de man weerhouden die zo-even
nog vader was: zijn arm gevuld, geleegd
zijn huis. En naakt Francesco met geheven
hand voelt hoe Guido’s mantel warmte geeft

en zekerheid. Hij laat het eigen bloed,
weet zich nog enkel zoon van wie bevrijdt,
wiens hand hij in de wolken ziet en groet:
‘Mijn Vader, Gij die in de hemel zijt.’

Die radicale keuze voor een breuk met de luxe en met de familiebanden ten voordele van een leven in het teken van armoede en van de Heer maakt van Franciscus een heilige, en een navolgenswaardig voorbeeld voor de ik in deze bundel. Het ultieme doel is ‘zich te ontzelven’, zoals het heeft in ‘Onderweg 2’, oftewel een toestand van ik-loosheid of zelfvergetenheid. Die staat van zijn wordt voorafgespiegeld in de wij-vorm die in enkele gedichten gebruikt wordt en waarin gesuggereerd wordt dat de ik zichzelf overstijgt door op te gaan in Franciscus. De bundel sluit met een verdichte versie van de regel van Franciscus en een vertaling van zijn ‘Loflied’ (een vertaling die twintig jaar later ook afzonderlijk en in een herziene versie verschijnt als Het Zonnelied).

‘Zij gaan ons voor’

Zij gaan ons voor in het aloud verhaal
Van opstand, val, van vreugde en van lijden.
Verzwegen vaak zeggen zij zevenmaal
dat God zijn mensen altijd zal bevrijden.

Dit voor Lateur typische kwatrijn — in zijn vorige bundels was hij ook op zoek naar voorbeelden en wegwijzers in het geloof — komt uit de bundel Zeven vrouwen en biedt een blik op zijn vrouwbeeld. De vrouw cijfert zichzelf weg en staat volledig ten dienste van God. Dat blijkt ook uit de Maria-cyclus waarin de moeder Gods aan het woord komt. Die opent met het gedicht ‘Mirjam’ (de joodse naam van Maria) waarin zij duidelijk maakt dat zij, hoewel uitverkoren door God, toch een heel eenvoudige vrouw blijft. Niettemin laat Lateur zien hoe zij zichzelf weet te overstijgen en heilig wordt namelijk door, net zoals Franciscus, volledig los te laten. Als haar in het gedicht ‘Luisteren’ de engel bezoekt met de Blijde Boodschap antwoordt zij ‘Laat het zo zijn. Ik ben bereid. Ik dien.’ Luisteren betekent hier dus niet alleen horen, maar ook: gehoorzamen. Prachtig is Lateurs vertaling van het Magnificat in het daaropvolgende ‘Loven’, waarin hij voor een keer de strakke vorm van drie kwatrijnen loslaat – zo overdadig is de vreugde dat het gedicht waarin ze wordt uitgezegd dubbel zo lang is als de andere gedichten. Ook in Maria wordt dus een voorbeeld ontwaard — stuk voor stuk functioneren de vele heiligen die als personage optreden in de poëzie van Lateur, zowel de grote als de kleinere, figuren die voorgaan in het geloof.

‘Te klein is uw geloof in de profeten’

In Ravenna past de dichter dezelfde techniek toe als in Catacomben: hij bezoekt het antieke stadje Italiaanse stadje, maar wat de toerist ziet wordt geïnterpreteerd tegen de achtergrond van een christelijke referentiekader. Voor wie het wil, is dit dus gewoon een reisverslag in gedichten, voor wie verder ziet, is dit opnieuw een door het geloof geïnspireerde belijdenisbundel, waarbij wat de ik ziet de aanleiding vormt om Bijbelse verhalen te hervertellen (‘Emmaüs’ bijvoorbeeld) of te herinterpreteren en op zichzelf te betrekken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in ‘Verloochening’, dat in het verraad van Petrus (‘Ik ken die man niet’) in verzen vat, maar in de laatste twee regels een introspectief karakter krijgt: ‘Zijn spiegel van verraad en pijn weerkaatst / de deernis van mijn weifelend gelaat.’ Ook hier weer is een heilige een voorbeeld, troostend in dit geval, want hoewel de angst het bij Petrus won, werd hij toch de rots waarop Christus zijn kerk bouwde. De geloofstwijfel is overigens het centrale thema in deze bundel, want ook in ‘Baptisterium’ heette het: ‘Ben benauwd, / ik duizel, maar vind in de naaf houvast.’ en natuurlijk is ook de parabel van de Emmaüsgangers er een van twijfel aan Jezus’ verhaal die overwonnen wordt.

Vergelijkbaar is de werkwijze in Kruisweg in de stad. Na de hervertelling in verzen van bekende passages uit het Nieuwe Testament volgt veelal een reflectie waarin vragen gesteld worden die het verhaal vanuit het perspectief de hedendaagse mens relevant maken.

‘een vreemde grot van schijn en waan’

In zijn meest recente bundel, Carmina miscellanea, wordt de nadrukkelijke christelijke thematiek verlaten voor een meer humanistische invulling van de christelijke waarden. Zo is er de cyclus ‘Planetair’, geschreven bij het muziekstuk The Planets van Gustav Holst, waarin het thema van oorlog en vrede vanuit een antiek referentiekader benaderd wordt of schrijft Lateur een tweeluik over Jan Van Eycks schilderij De Arnolfini bruiloft.

Het belangrijkste gedicht uit deze bundel is evenwel een vers dat verwijst naar Lateurs jarenlange professionele bezigheid: het leraarschap klassieke talen.

Plato’s grot

De deur zwaait veilig dicht op gangen en
plaveien vol gewoel dat zij slechts node
met slentergang als van gevangenen
verzaken. Hun verwaande jonge hoofden

ontwinnen aan de eeuwenoude bast
de vruchten uit de tuin van Akademos.
En Griekse woorden worden tekst. De last
van delven en geduldig graven lost

hun banden van verblinding. Dalen mogen
wij in een vreemde grot van schijn en waan.
Het spiegelbeeld van schimmen opent ogen
die hulpeloos vragend op het daglicht staan.

Uiteraard is dit in de eerste plaats een beschrijving van de wijze waarop de moeizame studie van woordenschat en grammatica uiteindelijk leidt tot het lezen van teksten, en zo tot de toegang tot ware kennis (Plato). Tegelijk is dit een poëticaal gedicht dat iets zegt over de vertaalpraktijk van de dichter alsook over zijn eigen schrijfpraktijk. Wie goed leest, ziet meer en merkt dat wat je denkt waar te nemen slechts schijn is. Zoals je bij Plato moet afdalen in de grot om schijn van werkelijkheid te leren onderscheiden, zo moet je diep in de tekst kruipen om zijn ware betekenis te kunnen begrijpen. In die zin is dit gedicht een herhaling van Martinus Nijhoffs adagium ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ en dus de uitdrukking van een typisch modernistische literatuuropvatting: je moet verder kijken dan de oppervlakte; je moet ondergronds – daar vind je dan de waarheid. Het maakt de cirkel rond met Lateurs debuut, Catacomben, waarin letterlijk onder de grond de waarheid (en de weg en het leven) gevonden werd.

Ook in de verspreide gedichten die in In tegenstroom zijn opgenomen, is de band met het christendom in de poëzie minder nadrukkelijk. Zo worden in de cyclus ‘Martyrium perpetuum’ niet alleen klassieke (en dus christelijke) martelaren beschreven, maar bijvoorbeeld ook ‘Kim Phuc’, het meisje van de iconische Viëtnam-foto waarop zij naakt met napalm op haar lichaam te zien is. Al dat leed roept bij de dichter wel de vraag op naar de theodicee en die wordt ook beantwoord: ‘opdat men nooit van Golgota geneest.’ Het lijden van Christus blijft herhaald worden in de mens, zolang er niet naar Zijn voorbeeld wordt geleefd. Zo wordt toch opnieuw een beeld uit de wereld een zinnebeeld en binnen het christelijke wereldbeeld van de dichter geïncorporeerd.

In tegenstroom sluit met tien ‘Trojaanse kwatrijnen’ waarin personages uit de Ilias in vier regeltjes raak hun tragiek beschrijven. De eerste die aan het woord komt, is evenwel de blinde zanger van epos zelf. In ‘Homeros’ zegt die dat hij ‘keek met volle ogen, lege geest / naar wat er tussen mens en god gebeurt’. Dat lijkt mij ook een mooie omschrijving van de poëtica van de dichter Patrick Lateur. Ook hij onderzoekt in zijn verzen voortdurend de relatie tussen mens en God. Daarbij noteert hij wat hij ziet en interpreteert dat ‘in het teken van de Vis’, zoals de slotregel luidt van het voor zijn dichterlijke oeuvre cruciale gedicht ‘Agapè’. Het uitgangspunt is dat wat gebeurt een betekenis heeft die het loutere gebeuren overstijgt. Net zoals je het Grieks goed moet leren lezen om de boodschap van de teksten te kunnen vatten, zo moet je goed kijken om te begrijpen wat er achter de dagelijkse werkelijkheid ligt. De poëzie van Lateur helpt daarbij.

Verschenen in: Jaarwerk MMXV, Brugge: Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers, 2015, pp. 80-81.