Patrick Lateur in Orde van Beverna Cum Laude

Op 4 september 2015 werd Patrick Lateur in zijn geboortedorp Beveren-Leie opgenomen in de Orde van Beverna Cum Laude, waarmee Beverenaren voor verdiensten intra of extra muros worden gehuldigd. Een en ander ging gepaard met een heuse ridderslag, een kunstwerk van Nathalie Pontegnies en veel warme sympathie. Een mens vergeet zijn wortelgrond nooit. Hieronder zijn dankwoord en enkele foto’s van de huldiging.

Geachte Schepenen en leden van de gemeenteraad,
waarde Ridders in de orde van Beverna Cum Laude
beste familie en vrienden,

Mijn geboortedorp ben ik bijzonder dankbaar voor deze ridderslag, die in eerste instantie onverwacht aankwam toen Eerste Schepen Rik Soens me een tijd geleden belde met het bericht, en die vandaag nog wat harder aanvoelde door de intensiteit waarmee hij het zwaard hanteerde – gelukkig verticaal, maar die ik me vanaf nu niet zonder enige fierheid zal herinneren en waarvan ik ook de verplichtingen zal blijven dragen.

Het is lovenswaardig dat een gemeenschap de in haar ogen verdienstelijke mannen en vrouwen bedenkt met een bedanken in de vorm van het lidmaatschap van een lokale ridderorde met een ronkende naam. Het valt me op dat de verdiensten van die Beverenaars intra of extra muros zich op diverse maatschappelijke domeinen situeren, o.m. sociaal, cultureel, economisch. Dat brede spectrum geeft tegelijk een beeld van activiteit en diversiteit binnen de gemeente. Ik ben blij dat ik als uitgeweken Beverenaar op mijn manier daartoe mag bijdragen.

*  *  *

Maar ben ik wel een Beverenaar? Sinds mijn achttiende ben ik weg uit de Driesstraat 57, verblijvend in Brugge, Leuven, Brussel, en uitgeweken naar Aalst en deelgemeente Gijzegem. Leie, Dijle en Dender waren en zijn de wateren die mijn gang bepaalden. En bij de Schelde vond ik mijn vrouw. Ben ik dus wel een Beverenaar? Geboren in Kortrijk, waar in illo tempore zowat elke Zuid-West-Vlaming geboren werd, heb ik aan het moederhuis, zoals iedereen, geen herinneringen. Een mens wordt geboren op de plek waar hij opgroeit, waar hij de woorden en de waarden hoort en voelt die hem zullen doen spreken en handelen. Voor mij was dat den Dries, tussen de steenweg (ik heb de kasseien nog gezien) en de spoorweg, een bescheiden en rustig stuk Beveren. Daar ligt mijn grond, mijn wortelgrond.

En daar komt een mens nooit van los, hoeveel en hoelang hij ook in beweging is. Hij is een perpetuum mobile, altijd onderweg in gelukkige of in dramatische omstandigheden. De tragische beelden van vluchtelingen deden me deze week grijpen naar een tekst van de Romeinse filosoof Seneca, die ik ook op Facebook plaatste: “Door allerlei oorzaken worden mensen ertoe gebracht hun huizen te verlaten. In elk geval is één ding duidelijk: niets blijft op dezelfde plaats waar het ontstaan is. Heel de mensheid is voortdurend bezig van de ene plaats naar de andere te trekken. Op deze grote aarde verandert er elke dag iets.” (Seneca, Woorden van troost voor zijn moeder Helvia, 7.5a – vert. Cornelis Verhoeven). Toch blijft de mens – is hij nu vluchteling, uitwijkeling, expat, reiziger of zwerver – verbonden met zijn wortels. Hij ademt zijn grond, zoals Anton van Wilderode ooit schreef. Zijn bundel met  Vijftig Waaslandse gedichten eindigt met de verzen “Ik ben om het even wie / maar ik adem mijn eigen aarde.” (Ik adem mijn eigen aarde. Vijftig Waaslandse gedichten, 1974).

Eenmaal Beverenaar, altijd Beverenaar. En waaraan denk ik dan als ik vandaag door Beveren rijd, op weg naar het kerkhof boven de Leie met vaak een omweg door den Dries? Aan veel: aan het zondagse snoep bij Brouwers na de hoogmis, aan de leesboeken van zuster Clémence in de oude meisjesschool, aan de motorcross op de hellingen bij de Van Dorpes, aan de kolenkachel in de noodkerk, aan Drieskermis bij Voordies met de ingezeepte klimpaal, aan het vlas van de Moermans, de halve deuren van de vlasbewerkers langs de steenweg, aan Johan Pieters met wie ik veel optrok, de fancy fairs van Missiebond en de eerste aanzetten van het heemkundig werk van Michel Debrouwere en Etienne Ducatteeuw.

Ik denk aan zoveel. Maar eigenlijk het meest aan de jongensschool, het oud gebouw zoals het er nog altijd staat. Beveren had een heel goede reputatie in de colleges van Waregem en Kortrijk. Ik kreeg hier in het eerste en derde leerjaar les van Gentiel Callewaert, in het tweede en vierde van René Lecluyse, in het vijfde gaf Lucien Vancraeynest les en in het zesde zat ik bij de oppermeester (zoals een directeur toen heette) Marcel Berton. Ze hebben me gekneed en gevormd. De oppermeester – we spraken, denk ik, nooit van meester Marcel – met zijn eindeloze bladzijden Franse vocabulaire, meester Lucien met zijn lessen geschiedenis, meester René met zijn tekenlessen en zijn tikken van de regel, meester Gentiel met zijn koor. Zonder de anderen tekort te willen doen, zie ik hoe mijn herinneringen zich steeds kristalliseren rond meester Callewaert, tegelijk de man van het kerkkoor en deels ook de fanfare. Ik durf te beweren dat mijn eerste aanvoelen van schoonheid er kwam door zijn gedrevenheid. Wij oefenden tijdens de middaguren op school een schat aan volksliederen en kerkliederen, en brachten in de noodkerk op het doksaal gregoriaanse gezangen zonder te begrijpen wat we zongen. Maar we zwolgen woorden en noten in en luisterden daar naar de in onze ogen oude bassen en tenoren. Meester Gentiel was ambitieus en trok ons mee naar onbekende domeinen. Zijn muziek dus, maar ook de boeken van zuster Clémence en de perfecte tekeningen van meester René (ik kon niet tekenen), de geschiedenis van meester Lucien en het Frans van de oppermeester én van meester Sablain (de privélessen in zijn garage): die dingen hebben me op weg gezet naar iets wat veel, véél later een artistiek-literaire bedrijvigheid zou worden.

De meesters van de school, maar ook de dichters van den Dries hebben me gestimuleerd. De plaquette aan het geboortehuis van Deken De Bo intrigeerde me telkens ik er langskwam. Vandaag koester ik zijn Westvlaamsch Idioticon en zijn Gedichten, en ook een reeks boeken van die andere Beverse dichter André G. Christiaens, die ik pas later leerde kennen. Mijn ouderlijk huis ligt halverwege het geboortehuis van De Bo en dat van Christiaens. Dus heeft die stille Dries een soort literair triumviraat voortgebracht. De Bo zal men blijven gedenken door zijn taal- en dialectonderzoek, de ridderslag die ik kreeg ontrukt me voorlopig aan de vergetelheid, ook aan André Christiaens moeten we blijven denken. Zijn leven speelde zich in Brussel af, maar zijn wortels liggen hier. Hij schreef o.m. verzen over de Leie en ik beeld me in dat hij in de grootstad toch soms moet hebben gedacht aan zijn Leiedorp. De grote humanist Erasmus, de man van Lof der Zotheid, verbleef in alle intellectuele centra van het Europa van de 16e eeuw en kort voor zijn dood in Bazel bij zijn vriend en drukker Hieronymus Froben, zei hij: “was Brabant maar dichterbij”. Het is een ontroerende gedachte dat zo’n grote Europese intellectueel zijn geboortegrond niet vergat.

*  *  *

Het ontroert me evenzeer dat mijn geboortegrond mij terugroept naar de boorden van de Leie. De rivier is me dierbaar. Het was met een kleine krop in de keel dat ik dit voorjaar tijdens een van de Braambos-tv-uitzendingen Vlamingen en Rome op het wapenschild van Beverenaar Jan Schotte de Leie aanwees. Een rivier staat voor alles wat was en wat wordt, voor alles wat ontsprong en vervloeit. Maar ook voor alles wat desondanks toch blijft. Mensen en dingen ontstaan en vergaan, de wortelgrond blijft. En ik ben hem dankbaar, ik ben u allen dankbaar. Zo heb ik het verwoord in mijn laatste dichtbundel In tegenstroom:

Beveren revisited

kan men een dorp in woorden vatten
het eindeloos vergaan van mens en ding
de meesters van de school
de dichters van den Dries

de geur van vlas vervlogen
de halve deuren langs de baan gedicht
alleen de Leie trekt nog steeds haar lint
langs levenden en doden

de stam is weg
de wortels en de woorden blijven