Naar Troje

In de aanloop naar de ILIASmarathon trokken Patrick Lateur, theatermaker Michael De Cock en fotograaf Nick Hannes in opdracht van De Standaard der Letteren en Radio 1 naar Klein-Azië: de wieg van de Ilias én van Europa. Doel van de reis: Troje, de stad waar het allemaal om draaide. Voor Patrick Lateur was het de allereerste keer dat hij deze heilige grond betrad.

Op de website van Radio 1 kan je twee reportages beluisteren die Michael De Cock voor Joos maakte.

Voor De Standaard schreef Michael De Cock een reportage van de reis naar Troje. Die kan je hieronder lezen.

HOMEROS ACHTERNA MET ILIAS­VERTALER PATRICK LATEUR
Patrick Lateur en Michael De Cock in Troje.
Patrick Lateur en Michael De Cock in Troje.

‘Meneer Lateur gaat nergens komen’, zei een leraar ooit. En de bekroonde Ilias­vertaler Patrick Lateur was inderdaad nog nooit in Troje geraakt. Schrijver en theatermaker Michael De Cock nam hem mee. ‘Eindelijk Troje bezoeken is indrukwekkend. We lopen hier tussen de afbraak, maar wat een afbraak.’

tekst: Michael De Cock
foto’s: Nick Hannes

Meer dan vier jaar lang, een aantal kleine onderbrekingen niet in acht genomen, woonde Patrick Lateur in de verzen van de Ilias. Streefdoel: elke dag vier uur vertalen. Zo’n goeie 25 hexameters per dag. Een monnikenwerk. Toch kwam hij – hoe vreemd ook – nooit eerder in Troje. Een veertigtal jaar geleden zag hij zijn reis naar deze plek gedwarsboomd door auto­pech. Vierentwintig was hij toen. Bij Salzburg begaf de auto het. Joint de culasse of een ander euvel, daar wil hij vanaf zijn. Zijn compagnon keerde noodgedwon­gen terug naar huis met Europ As­sistance, met in de koffer een col­lectie boeken. Zelf nam hij de trein richting Griekenland. Maar de kusten van Klein­-Azië… het kwam er niet meer van.
Toch heeft hij zijn reserves als ik hem, zo’n vier decennia later dus, met hetzelfde reisdoel tracht te verleiden. De eenzaamheid en de rust van de werkkamer, en vooral de hexameters van de Odyssee die hij volop aan het vertalen is, roe­pen met de kracht van een sirene. En sinds hij vorig jaar voor zijn vertaling van de Ilias de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap kreeg, wordt hij vaker dan hem lief is uit zijn concentratie gehaald. Uitein­delijk gaat hij overstag. ‘Welke classicus, of welke minnaar van de klassieke talen en mythologie droomt er niet van Milete, Efeze, Pergamon of Troje te zien.’ Odys­seus kan wachten. Hij is dat ge­woon.

Archeologie zonder poëzie

November in Turkije. De dagen zijn zacht, de avonden koud. Ons hotelletje, een klein pension dat wordt gerund door een uitgeweken Griek, ligt op nauwelijks hon­derd meter van de tempel van Ar­temis. ‘We hadden geen betere plek kunnen kiezen om deze reis te beginnen’, zegt Patrick als we in de ochtendzon, van achter een schrikdraad kijken naar wat rest van een van de zeven wereldwon­deren. Een bij elkaar gesprokkel­de zuil tracht wanhopig te refere­ren aan de glorie van weleer. De resten van de tempel zijn lachwek­kend. Archeologie op zijn best. Ik begreep het nog niet, toen ik als jonge gast van archeologisch mu­seum naar archeologisch museum trok: archeologie zonder poëzie is waardeloos. Het gaat meer om wat je niet ziet dan om wat je ziet. Zoals Toon Hermans verwijst naar de lege stoel waar ooit zijn zuster zat.
Samen met het wondermooie the­ater een eind verderop, en de Cel­susbibliotheek staat het Artemisi­on symbool voor de fabelachtige rijkdom van Efeze, dat op een kruispunt van culturen ligt. ‘Een weg als deze zag ik nooit eerder’, zegt Patrick als we wat later, in de voetsporen van Paulus en keizer Hadrianus, tot bij het theater lo­pen. ‘In de oudheid liep deze weg tot in de haven. De kustlijn is al­ maar aangeslibd. In deze contrei­en wint de aarde het op de zee.’ Vanaf het theater kijken we naar de olijfgaarden op de tegenover­ gelegen heuvelflanken. Grijs­ groen. En rotspartijen en kalk die uitsteken. ‘Europa is hier begon­nen’, zegt hij. ‘Zo kun je het stellen. En niet zonder oosterse invloe­den. Ik vraag me af of er ooit een cultuur is geweest die compleet geïsoleerd begint? Ik geloof niet in wat men in het Frans ooit le mira­cle grec noemde: het idee, dat los van elke invloed van een andere cultuur of volk, het Griekse genie en het klimaat ervoor gezorgd hebben dat het oude Griekenland plots zijn fenomenale beschaving heeft ontwikkeld. Die beschaving was er nooit gekomen zonder in­ vloed van de volkeren uit het hin­terland. De Perzen bijvoorbeeld, die aan de achterdeur woonden.’

Aznavour

Efeze illustreert goed dat er in­ vloeden van overal zijn. De cultus van de Efezische Artemis, de moedergodin, afgebeeld met een veel­voud aan borsten, is nauw ver­want met de oosterse cultus rond Cybele. Deze plek was in de oud­heid een belangrijk intellectueel, politiek en economisch centrum en speelde dus ook een belangrij­ke rol in het jonge christendom. ‘Toen Paulus hier in de eerste eeuw op bezoek was, braken in dit theater rellen uit. Een goudsmid, die door de opkomst van het nieuwe geloof zijn verkoop van Arte­misbeeldjes en prullaria zag da­len, liet twee reisgenoten van Pau­lus naar het theater slepen. Pau­lus, die ernaartoe wilde gaan om de gemoederen te bedaren, kreeg de raad er weg te blijven.’
De liefde voor Homeros en de Ilias gaat bij Lateur ver terug. Op zijn twaalfde krijgt hij van zijn ouders twee boeken cadeau: De strijd om Troje en De zwerftochten van Odysseus. ‘Twee jeugdboeken uit de Gulden Sporen Serie,’ herin­nert hij zich. ‘Ik weet nog dat die verhalen mij ontzettend fasci­neerden. Mijn ouders waren een­voudige mensen. Achteraf beke­ken is het best verwonderlijk dat ze net die boeken voor me koch­ten.’ Zijn vader, grensarbeider in Tourcoing, en zijn moeder, huis­vrouw, hadden geen idee van de gevolgen. Al kon niemand voor­ spellen dat hij ooit klassieke talen zou gaan studeren, laat staan Homeros vertalen. ‘Meneer La­teur gaat nergens komen’, zei een van zijn leraars waarschuwend na een mondeling examen. ‘Ik stu­deerde niet graag, en luisterde lie­ver naar Aznavour.’
In de poësis kocht hij zelf de inte­grale versie van de Ilias. Hij glim­lacht als hij eraan terugdenkt. ‘Ik reed elke dag met de fiets van Be­veren-­Leie naar school in Ware­gem. Ik had twintig frank op zak, gekregen van mijn moeder. Als ge platte band hebt, kunt ge naar de fietsenmaker gaan.’ Lateur fakete een paar lekke banden, niet voor sigaretten of de meisjes, maar voor Homeros vertaald door Aegi­dius Timmerman. ‘In ben nooit door de hexametervertaling van Timmerman heen geraakt.’ Maar leerrijk was het wel.­

Aziatische toeristen poseren voor de bibliotheek in Efeze, Turkije.
Aziatische toeristen poseren voor de bibliotheek in Efeze, Turkije.

Cadans

Toen al kwam de jonge poësisstu­dent tot het inzicht dat de Ilias – resultaat van een mondelinge tra­ditie en voorbestemd om voorge­dragen te worden – geen verzen nodig heeft die tegentrekken en stremmen, maar een cadans ver­ dient die de inhoud doet kabbe­len. ‘Met alle respect voor mijn voorgangers, maar als je de Ilias wilt vertalen in dactylische hexa­meters, dan kun je niet anders dan het Nederlands geweld aandoen. Daarentegen, en positief geargu­menteerd, de vijfvoetige, blanke verzen waar ik voor kies, bestaan bij ons allang; sinds de tachtigers, als het gaat over lange epische ge­dichten. Denk aan Mei van Gorter, of aan de epische gedichten van Karel van de Woestijne. De vijf­voetige jambe leunt erg aan bij on­ze spreektaal en is dus veel geschikter om voorgedragen te worden.’ De opmerking van traditio­nalisten dat je de vorm verraadt door de hexameter te vervangen door een jambe, vindt hij onzin­nig. ‘De vorm wordt bepaald door de culturele context. En moet in de eerste plaats vooral de inhoud dienen. Mocht de Ilias vandaag gecomponeerd worden, dan zou het allicht als roman zijn. Een ver­taling in proza is dus nog te verde­digen. Maar Homeros, de eerste dichter van het Avondland, ver­taal je beter in een poëtische vorm, vind ik.’

‘Mocht de Ilias vandaag gecomponeerd worden, dan zou het allicht als roman zijn’

De op het eerste gezicht verras­sende keuze voor de jambe als versvoet bleek geniaal, zo vond ook de jury die hem de allereerste Cultuurprijs voor Letteren Verta­len toekende. Al was hij zelf eerst wel benauwd voor de reacties. ‘Het mooiste compliment krijg ik van ex-­collega’s, die Homeros voorlezen in de klas en me laten weten dat de vertaling zo goed bekt.’

Polyester paard

Vanuit Efeze, langs Pergamon die met zijn akropolis hoog boven de vlakte uitsteekt, reizen we noord­waarts naar Çanakkale. Met zicht op de Dardanellen, spoelen we een lange reisdag door met raki. De muze is één ding, maar Diony­sos heeft ook zijn rechten. Lateur zit tegenover me. In een kleine boekenwinkel heeft hij eerder op de dag de Turkse vertaling van de Ilias gekocht. Hij laat de bladzij­ den zichtbaar tevreden door zijn vingers glijden. ‘Een vertaling van de Ilias kan ik niet laten liggen’, zegt hij, ‘al ben ik geen verzame­laar, en spreek ik geen woord Turks.’
Op het water glijdt een mastodont voorbij. Sophia en Minerva staat er op de flank van de tientonner. ‘Als je hier staat begrijp je perfect waarom deze plek zo belangrijk was’, zegt hij terwijl hij mijmerend naar de Hellespont kijkt. ‘Troje, misschien niet eens zo groot of machtig, had door zijn strategi­sche ligging de mogelijkheid om tol te heffen. Na een tijd zijn de Grieken die tolheffingen beu ge­worden en is er een oorlog uitge­broken… Dat lijkt mij de meest evidente verklaring.’
Over de dijk lopen we tot bij het houten paard, uit de film Troy. Hollywood in Çanakkale. ‘Het paard is niet eens van hout, maar van polyester’, foetert hij, waarna ook Brad Pitt en de hele film eraan moeten geloven. Ik vraag hem waarom. Oprechte af­ schuw of een vorm van intellectu­eel snobisme? De kwaliteit van Troy even buiten beschouwing ge­laten, mogen we er toch van uit­ gaan dat in de achtste eeuw voor onze tijdrekening de Ilias in de eerste plaats een vorm van enter­tainment was?
‘Dat was het zeker. Homeros zong voor een aristocratisch publiek. Troy bereikt een veel groter pu­bliek. Je zou kunnen zeggen dat dat goed is. Maar wat stoort, is de bordkartonnen weergave van het verhaal.’ Hij haalt zijn schouders op terwijl hij naar het water kijkt. ‘Het boek ligt met te na aan het hart voor een gratuite exploitatie ervan.’

Als stenen konden spreken

We waren beducht voor Troje. Veel zou er niet te zien zijn. Toch maakt de plek een grote indruk. Omdat we al drie dagen over niets anders praten, en omdat hij al ja­ren de verzen kneedt die deze plek beschrijven. Het is er rustig. De toeristen, veelal senioren, die ons in Efeze op de hielen zaten, zijn af­geschud. Alleen eekhoorns zitten verbazingwekkend rustig op de muren waar ooit Andromache Hektor probeerde te weerhouden, of vanwaar Helena de oudjes van Troje de Griekse helden aanwees en zag hoe Paris en Menelaos vochten om haar hand.
Bij de inkom hebben twee jonge Turken zich knullig verkleed als oude Griek, helemaal klaar om te figureren op de betere vakantiefo­to. Lateur sms’t vrouw en kinde­ren om te zeggen dat hij aangeko­men is op heilige grond. Een wei­nig later krijgt hij wensen toege­stuurd. ‘Ik was onder de indruk van de grandeur van Efeze, maar dit hier is ook indrukwekkend’, zegt de anders zo nuchtere verta­ler. ‘We lopen hier tussen de af­ braak, maar wat voor een afbraak.’ Ik vraag hem of hij geëmotioneerd wordt door de tekst tijdens het vertalen. ‘Daarvoor is het werk te technisch. Maar je raakt wel emo­tioneel betrokken bij de persona­ges. Als je zo intens met die tekst bezig bent, dan leer je die figuren van binnenuit kennen. Dat is een heel bijzondere ervaring. Je raakt de ziel, de hartslag van het boek.’ Sinds de megalomane Schliemann, met de Ilias in de hand, de overblijfselen van het antieke Tro­je blootlegde, is de discussie onder historici er niet minder op gewor­den. Tot vandaag blijft de acade­mische wereld in een – excusez le mot – homerische strijd verwik­keld over de precieze ligging, om­ vang en historiciteit van de stad die beschreven wordt in de Ilias. ‘Ik ben nogal geneigd Korfmann te volgen’, zegt Lateur terwijl hij over de vlakte in de richting van de zee kijkt. ‘Het is inderdaad goed mogelijk dat er naast de akropolis, aan de voet van de heu­vel een grote stad lag. Anders is het moeilijk te geloven dat er zo­ veel mensen in Troje woonden.’ Maar hij geeft toe: ‘Het is eigenlijk niet mijn belangrijkste bekom­mernis. Ik ben een vertaler. Ik ver­ trek van een literair werk.’

Hallo, Homeros?

Lateur volgt de ontwikkeling van de wetenschap natuurlijk wel. Is vertalen vooral een vorm van close reading? ‘Een kunstwerk is ontstaan binnen een context en een referentiekader. Dus dat ka­ der helpt je om de tekst te begrij­pen. Maar de Ilias is intussen in­tens bestudeerd. In haast alle lan­den en talen. Die anderstalige vertalingen consulteer ik wel eens. Een keer of twee per week. Ik noem het een virtueel gesprek. Een vertaler van een hedendaagse auteur kan gerust een keer bellen of mailen. Dat kun je niet met Homeros.’
Ook van de kwestie of Homeros al dan niet de auteur is, ligt hij niet wakker. ‘Ik houd me altijd voor dat de Ilias een collectief werk is, resultaat van een lange mondelin­ge traditie, maar dat één dichter wel tekent voor het epos. ‘Anders waren die twee boeken niet zo fan­tastisch gecomponeerd. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat onze cul­tuur aanvangt met twee zulke meesterwerken als de Ilias en de Odyssee. Alsof de muziekgeschie­denis zou openen met de Mattheuspassie én de Johannespassie van Bach. Daarom dat die werken net zo goed een eindpunt als een begin zijn.’
Intussen is hij al twee jaar aan de vertaling van de Odyssee bezig. Begin 2015 moet het verschijnen. ‘De Odyssee is het boek van de zee, de vrouwen, en de eilanden. En van het heimwee. De nostalgie. Van het Griekse nostos en algos, letterlijk: de pijn van het niet thuis zijn. Maar het bindende the­ma in de Odyssee is allicht de identiteit. Dat maakt het boek zo hedendaags. In het begin zoekt Telemachos zijn vader, de queeste naar de vader als metafoor voor de eigen identiteit; op het eind wordt Odysseus door iedereen herkend, ook door zijn vrouw Penelope, en als laatste door zijn vader.’ Maar hoe mooi de Odyssee ook is, als hij moet kiezen, dan geniet de Ilias zijn voorkeur. ‘De Ilias graaft veel dieper in de menselijke psyche.’ ‘Ook de Ilias zit geniaal in elkaar. Met in het begin én op het einde een vader die smeekt om zijn kind. Eerst Chryses, de priester, die zijn dochter komt halen bij Agamem­noon, de oorzaak van de wrok van Achilles; en op het eind Priamos die naar het kamp van de vijand gaat om te smeken om het lijk van Hektor, zijn dode zoon.’

Een herder bij de archeologische site van Troje, Turkije.
Een herder bij de archeologische site van Troje, Turkije.

De zin van het lijden

Er is vermoedelijk geen boek te bedenken dat zo gruwelijk en bloederig is als de Ilias. Van begin tot einde spat het bloed van de bladzijden. Als geen ander boek bezingt de Ilias de glorie en de roem van het slagveld. Homeros beschrijft met grote sier hoe een schier eindeloze reeks van men­sen om het leven komt, en haast even eindeloos zijn de zegswijzen om de overgang van het tijdelijke naar het eeuwige aan te duiden. In haar schitterende essay, L’Iliade ou le poème de la force, stelt Simo­ne Weil dat er vermoedelijk geen meedogenlozer boek op deze we­reld is dan de Ilias. En Susan Son­tag heeft het in het inmiddels klassieke Kijken naar de pijn van anderen over de schoonheid van de gruwel in de Ilias. De Ilias is een uitermate masculien boek. Mannen zijn van oorlog, vrouwen van vrede. In de summiere aanwe­zigheid van de vrouwelijke karak­ters weerklinkt een diep verlan­gen naar vrede. De mannen zijn te veel onderhevig aan de culture of shame die toen heerste, en doen alles om hun ‘eer’ (de timè) te red­den, en om roem op het slagveld te behalen. Achilles, die kan kiezen tussen een lang en roemloos leven of een kort en roemvol leven, twij­felt dan ook geen seconde.
Maar wat moeten we met al die gruwel, en al dat geweld? En hoe komt het dat we ondanks alles toch nog sympathiseren met Achilles, hoewel hij op het einde van het boek als een monster te­keergaat?
Ontegensprekelijk omdat er ook een grote menselijkheid zit in het boek. ‘Een van de meest meester­lijke ingrepen van Homeros is dat hij de tegenpartij een stem geeft’, vindt Lateur. ‘Je sympathiseert misschien nog meer met Hektor dan met Achilles. Een van de mooiste scènes is ongetwijfeld het moment waarop Hektor, zijn zoontje Astyanax in zijn armen neemt wanneer ze bij het Skaeïsch poortgebouw staan. Het is een gezinstafereel dat schril afsteekt te­gen het machisme op het slagveld.’ ‘Maar het meest diepmenselijk is ongetwijfeld de dialoog tussen Priamos en Achilles’, aldus Lateur. ‘Daar zien we ook dat Achilles een evolutie heeft doorgemaakt. In die woorden van zowat drieduizend jaar oud wordt de vraag naar de zin van het lijden gesteld. Die dia­ loog doet mij nog het meest den­ ken aan het boek Job.’

Byzantium

Per boot steken we de Dardanel­len over. We reppen ons om in het laatste licht de graven van Lone Pine Cemetery te zien. Niet zo lang geleden bezocht hij met vrouw Katleen en zoon Servaas de graven van de aan flarden gescho­ten soldaten in de buurt van de Somme. Lateur, fervent gebruiker van Facebook, postte nadien twee verzen. ‘Wit is de dood in de stilte van steen/ Hol is het woord in de leegte van taal.’ Het zou ook over de strijd om Troje kunnen gaan, die hij de moeder van alle oorlo­gen noemt.
‘Van Ieper tot Gallipoli strekte het front zich uit tijdens de Eerste Wereldoorlog. Er werd hier toen om precies dezelfde reden gevochten als tijdens de Trojaanse oorlog. Is­tanbul lag er drieduizend jaar ge­leden nog niet. Maar de plek was even belangrijk.’
Het is een oude droom van de ver­taler om Byzantium te bezoeken. We trekken naar de stad. Eis tèn polin: Istanbul. In de Aya Sophia kijken we naar de imposante zui­len die ooit de tempel van Artemis in Efeze sierden. De inmiddels vergeelde Guide bleu, editie 1974, doet veertig jaar na aankoop nog dienst. De Aya Sophia was eerst een kerk, later een moskee, nu een kunsttempel, en binnenkort, als het aan de Turkse premier Erdogan ligt, weer een moskee.
Dan eren we, in een op en top Turks restaurant, een laatste keer overvloedig Dionysos. Ons ge­sprek over de Ilias gaat voort, en we hebben het over Marguerite Yourcenar, hoe onbegrijpelijk hij het vindt dat zij nooit de Nobel­prijs won, en over zijn nieuwe, grote liefde voor het werk van Ju­lian Barnes, dat hij onlangs methodisch verslond. En over hoe sterk Oorlog en terpentijn van Ste­fan Hertmans is, het boek dat deels over die andere, grote oorlog handelt.
Als we, uren later, de wereld ge­noeg veranderd hebben, lopen we de smalle straat omhoog naar het hotel. Het is nacht. De Bosporus ligt achter ons te glimmen, trots als een diamant. Er is geen mooie­re plek te bedenken – of ik zag ze nog niet. De maan heeft zich lui boven de stad gehesen. Lateur krijgt een sms’je van zijn vrouw. De vertaler houdt de gsm einde­loos ver van zijn blik. Zijn arm is net lang genoeg. ‘Het sneeuwt overvloedig in Bel­gië.’ Het is eind november. ‘Oei’, zegt hij met een zucht, ‘en mijn ge­raniums staan nog buiten.’