Lateur ‘Lator’

Op 27 april 2013 werd Patrick Lateur door de Classici Lovanienses (KU Leuven) verkozen tot Alumnus Maximus 2013. Bram Demulder sprak daar deze laudatio uit.

Lateur ‘Lator’. De oudheid in veelvoud bij ons gebracht

Bram Demulder

Illa cantat, nos tacemus.
     Quando ver venit meus?
Quando fiam uti chelidon,
     ut tacere desinam?

Maar zij blijft zingen, ik blijf zwijgen.
Wanneer komt eindelijk mijn lente?
Wanneer zal ik zoals de zwaluw zijn,
zal ik ophouden met zwijgen?

Bemerk eerst hoe de vertaler de klank van de tierende zwaluw – fi’uti chelidon – treffend wist om te zetten en de vogel zoals in Gezelles ‘Gierzwaluwen’ gezwind doet zwieren en zweven. Het Pervigilium Veneris, de Nachtwake voor het feest van Venus, waarvan deze regels de aanloop naar het slotakkoord zijn, was de eerste vertaling van Patrick Lateur die in boekvorm verscheen. Dat was in 1996. Vijf jaar eerder was hij stommelings beginnen vertalen toen Kleio een vertaalwedstrijd uitschreef. Opdracht: een vijfentwintigtal verzen uit Lucanus’ Bellum Civile. Patrick won maar weet nu ook wel dat een laudator met die vertaalprestatie weinig kan. Er mag in laudationes volop worden verbloemd, verdraaid en overdreven ten behoeve van symboliek of providentia, maar met Lucanus’ cynische bombast en voyeuristische horror heeft onze zachtmoedige laudandus werkelijk geen bal te maken. Wel had de opgelegde tekst hem op weg gezet naar volgende vertalingen, en dus eerst naar het Pervigilium Veneris, een laatantiek lentelied. Symboliek en providentia alom in dit geval: hij zal het u straks zelf vertellen. Van Lucanus’ gruwelijke slagveld naar Venus’ voorjaarsbloemen.

De vertaler is een figuur van schijnbare tegenstellingen.

De vertaler – zo zal blijken – is een figuur van schijnbare tegenstellingen en hier is een eerste: hij heeft vele, vaak met elkaar vloekende maskers, hij moet nu eenmaal willen opvoeren wat zijn tekst hem opdraagt, van oorlog tot

harmonie, van bloeddorst tot lentekriebels. Maar de vertaler heeft geen last van die tegenstellingen. Hij geniet er zelfs van. En Patrick – bij verschijning van zijn vertaaldebuut al zesenveertig – was met het voorjaarslied trouwens meteen ook al die recensenten die hem een ‘laatbloeier’ zouden noemen met een knipoog te snel af.

Eens hij, zoals de ik-figuur uit het Pervigilium zo innig wenste, was opgehouden met zwijgen, stond er geen maat meer op zijn lente. Ondertussen hadden tal van andere vertalingen het licht gezien in verschillende tijdschriften, had hij twee dichtbundels geschreven, was hij hoofdredacteur geworden van Kunsttijdschrift Vlaanderen – wat hij tien jaar lang zou blijven – had hij werk van Ernest Claes geëditeerd en was de prachtige bloemlezing Muze, zeg me… verschenen. Daarin schreef Patrick, plots vertaler, dichter, hoofdredacteur, editeur en bloemlezer geworden, wellicht onbewust al de woorden die al zijn latere werk misschien wel het meest typeren. Ik heb het over de opdracht van het boek, bescheiden in de marge van al die grote Grieken die de volgende bladzijden bevolken.

Patrick houdt van vandaag achteloos en onterecht over het hoofd wordt gezien.

Patrick houdt trouwens wel van die marge van de literatuur, denk ik. Hij houdt van wat vandaag achteloos en onterecht over het hoofd wordt gezien. Een auteur als Ausonius, de vierde-eeuwse dichter uit Bordeaux, van wie hij de vergeten spielerei Cupido aan het kruis en het riviergedicht over de Moezel vertaalde en diens leerling Sulpicius Severus, die met het Leven van Sint Maarten een model bood voor vele latere hagiografieën. Of de epigrafische traditie, die in de schaduw staat van de ‘echte’ literatuur en de ‘echte’ filosofie. Uit de epigrammencollectie Anthologia Graeca puurde hij liefst drie vertalingen: Plato. Gedichten, met epigrammen van – het is te zeggen: zogezegd van – en over Plato, Dichters hebben vele moeders, met honderdvijftig epigrammen over literatuur en Hoeders van de wijsheid, met evenveel epigrammen over filosofen. Of, ook tot drie maal toe, Leonardo da Vinci, overbekend natuurlijk, maar onbekend als schrijver. En dan zijn eerste magnum opus: alle Zegezangen van Pindarus. Nog nooit had iemand ze allemaal in het Nederlands kunnen of durven vertalen. Het is alsof Lateur met iedere vertaling, maar ook met iedere bloemlezing wil zeggen: ‘Kijk, hier heb ik iets dat gezien moet worden. Jullie waren het bijna vergeten.’ Niet berispend, zegt hij het, maar bezorgd.

Opgedragen aan mijn ouders voor wie de oudheid een gesloten boek bleef maar die me de mogelijkheid gaven het te ontsluiten.

En vandaar dus de opdracht in Muze, zeg me… Lateur schrijft: ‘[o]pgedragen aan mijn ouders voor wie de oudheid een gesloten boek bleef maar die me de mogelijkheid gaven het

te ontsluiten.’ En sindsdien is hij eigenlijk niet meer opgehouden het boek van de oudheid voor anderen te openen en te ontsluiten, alsof de opdracht aan zijn ouders ook een opdracht aan zichzelf was, waarvan in vertaling, bloemlezing en poëzie akte diende genomen. Zo beschreef hij het vertalen eens: ‘Alleen maar werken op een tekst die men mooi vindt en waarvan men de schoonheid meent te moeten delen met anderen, om die anderen te laten meegenieten. De eenzame arbeid van een vertaler krijgt op die manier vaak een heel aparte dimensie.’

Bram Demulder
Bram Demulder

De vertaler als altruïst, maar – nogmaals – evenzeer de bloemlezer en de dichter. En reeds vele jaren daarvoor – als kiem van dat alles – de leraar, wat hij in Gijzegem 34 jaar lang was. Lateur als lator, als overbrenger van oude teksten naar nieuwe mensen. In alles wat hij doet, gaat hij op zoek naar de bron en brengt hij verslag uit over die zoektocht. Zelf verwoordde hij het ooit zo: ‘Voor mij gaat het […] om een eenheid waarin alles met alles te maken heeft. Ik ervaar dichten, vertalen en bloemlezen als één grote zoektocht binnen de klassieke wereld en in een breder verband de westerse cultuur, vanuit het gevoel dat daar vragen worden geformuleerd die voor ons herkenbaar zijn.’

Met dit overbrengen van het verleden komt echter een tweede tegenstelling: de vertaler moet twee meesters dienen, de oorspronkelijke auteur en zijn eigen publiek. De twee meesters hebben verschillende wensen en kennen elkaar eigenlijk niet, laat staan dat ze elkaar zouden begrijpen. Het is de taak van de vertaler om de brug te bouwen, om tegelijk de oudheid te bewaren, maar toch toegankelijk te maken voor lezers van vandaag. Het is een ‘vrede van tweezaamheid’, zoals Patrick in het gedicht ‘Duiven’ uit de bundel Ravenna beschrijft, kijkend naar de vijfde-eeuwse mozaïeken in het mausoleum van Galla Placidia:

Het hier en nu blijft duren in een vrede
van tweezaamheid, in zuiverheid van water,
de lafenis voor alles wat verleden
is en geruisloos overgaat in later.

Het is een tweezaamheid waar Patrick steevast inventief mee omgaat, bijvoorbeeld in zijn bejubelde vertaling van Homerus’ Ilias, die in 2010 verscheen en waarvoor hij een maand geleden de Vlaamse Cultuurprijs voor Letteren kreeg. Toegegeven: geen tekst uit de marge, deze keer. Of het is dat de hele oudheid ondertussen marge is geworden, na de vertaalboom van de jaren negentig. Hoe dan ook, wie de vertaling las – en zeker wie daarvoor ook de vertalingen van Schwarz en De Roy van Zuydewijn las – zal zich ongetwijfeld de opluchting herinneren: voor het eerst sinds lang was Homerus lezen geen opgave meer. Er zat vaart in, door het ritme, door de afwisseling van korte en lange zinnen, door gedurfde – soms zeer hedendaagse – woordkeuze. Zeer vlot en toegankelijk, dus, maar toch ook de meest authentieke Homerus die we in het Nederlands hebben: de vertaling blijft dicht bij het Grieks en door de vaart wordt de lezer voortgestuwd, waardoor hij soms voor een vers of twintig verstrooid niet goed weet wat hij aan het lezen is of zich niet meer herinnert wie nu ook alweer de vader is van die-en-die uit God weet welk land, maar toch niet terugbladert of stopt om even na te denken, want de tekst wil vooruit. Zo moet het voor de Grieken ook zijn geweest: ze konden niet terugbladeren of stoppen, ze moesten mee met wat werd voorgedragen.

Vertalers, can’t live with them, can’t live without them.

Ondanks zijn prijzenswaardige krachttoeren, blijft de vertaler in de schaduw van het origineel staan. In de schaduw van Homerus is het warmer dan in de Belgische twijfelzon, maar toch. Zeker bij professionele classici is er nog vaak het beschaamde gevoel dat vertalingen lezen toch niet the real thing is. Graag snoeven ze een beetje hooghartig, zoals Buck Milligan tegen Stephan Dedalus in de Ulysses van Joyce – in de vertaling van Paul Claes, een van Patricks compagnons de route, en Mon Nys: ‘Ah, Dedalus, de Grieken! Ik moet je les geven. Je moet ze in het orgineel lezen.’ Het ‘echte’ werk is de ‘echte’ tekst. En toch kan geen enkele classicus zonder vertalingen. Vertalers, can’t live with them, can’t live without them. Tegenstelling nummer drie. Niet dat we moeten doen zoals Frits Bolkestein in Nederland en moeten voorstellen om alle onderwijs in Latijn en Grieks maar door lectuur in vertaling te vervangen. Neen, maar de vertaler verdient wel een eigen plaats in de zon. Ook hier wist Patrick weer de tegenstelling op te lossen. Zijn vertalingen verschijnen, vaak dankzij het prachtige werk van de Leuvense uitgeverij P, niet zelden in een tweetalige uitgave – een keuze waaruit veel vertalersmoed blijkt. En tegelijk vertaalt hij toch in het volle besef dat, zoals hij het in de inleiding op Hoeders van de wijsheid schreef, ‘vertalen van gedichten […] minstens een poging [moet] zijn om nieuwe autonome poëzie te creëren’.

De dies natalis van een vertaling is in veel gevallen een dies fatalis.

‘Een poging’, klinkt het zeer bescheiden. En dat is geen valse bescheidenheid, maar een hoeksteen van het vertaalproces. Een vertaling wordt zwart op wit gepubliceerd, maar is eigenlijk nooit af. Die vierde tegenstelling is er een die Patrick eens in een recensie als volgt beschreef: ‘De dies natalis van een vertaling is in veel gevallen een dies fatalis.’ De goede vertaler durft echter eerdere vertalingen te verbeteren. Patrick durfde en deed dat bijvoorbeeld met de helft van Pindarus’ oden, met een stuk uit Ausonius’ Lied van de Moezel en met het Zonnelied van Franciscus van Assisi. Ook van zijn Odyssee, waar klassiek Vlaanderen en Nederland reikhalzend naar uitkijken, publiceerde hij al uitgebreide fragmenten in een prachtig themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen. Een tweede versie krijgt u vandaag. Een vertaler die zichzelf verbetert, dat is geen kwestie van mislukken, maar van telkens beter of telkens anders lukken.

Maar vertalers hebben vaak de neiging om zich bij een tweede vertaling meer vrijheid te permitteren. Niet zo bij Lateur. Wanneer hij iets voor de tweede keer vertaalt of een vertaling herziet, is dat steevast om dichter bij de brontekst te komen – en de brontekst zo dichter bij zijn lezers te brengen. Ik lees bij wijze van voorbeeld twee versies van een epigram over Plato voor. Andere verbeteringen analyseerde hij overigens vaak zelf in lezingen en essays. De eerste versie verscheen in 2006, de tweede in 2009. Het verschil zit in het slot.

2006:

Plato leerde de geest
te vertoeven in de ether.
Over de hoofden heen
sprak hij over dingen
die het begrip overstijgen.

2009:
Plato leerde de geest
te vertoeven in de ether;
liet woorden wellen over dingen
die de geest overstijgen.

De tweede vertaling blijft dichter bij het Grieks zonder aan vlotheid in te boeten, herinner u tegenstelling twee. De herhaling van het woord νοῦς in het Grieks, in de eerste versie nog een keer met ‘geest’ en een keer met ‘begrip’ vertaald, wordt in ere hersteld. Het werkwoord ἐξερεύγεσθαι, dat eerst vertaald werd met het min of meer neutrale ‘over de hoofden heen spreken’, betekent iets als ‘uitstorten’ of soms zelfs ‘uitbraken’. De tweede versie, ‘woorden laten wellen’, voegt, ook door de klank, die overdaad aan de vertaling toe. De nieuwe vertaling is daarmee ook pompeuzer en je weet als lezer niet meer goed of de schrijver van het epigram nu looft of monkelt. Plato, die nog niet tevreden is dat de geest in de ether toeft, moet dan ook nog eens in alle ernst dingen gaan uitkramen die de geest en daarmee ook de ether te boven gaan. Wat een grotesk figuur! Die misschien voor sommige lezers – waaronder mezelf – spottend aandoende plechtstatigheid wordt in het Grieks gesuggereerd door de herhaling van het gewichtige abstractum νοῦς en de lange, hoogdravende werkwoorden αἰθερεμβατεῖν en ἐξερεύγεσθαι. Beide aspecten werden, zoals gezegd, in de tweede vertaling gered. Om maar te zeggen: in een vertaling maakt één woord soms een wereld van verschil.

Lateur noemt zichzelf graag en terecht een ‘maximaal vertaler’. Hij vertaalt wat er staat. Dat betekent doorgaans dat alles wat er moet staan, er ook effectief staat. Bij veel vertalers loopt het hier al mis, door onachtzaamheid of een verkeerd gekozen vormelijk stramien. Je zal er Patrick niet op betrappen. Maar dat maakt van een vertaling nog geen literatuur. Jan Wolkers maakte ooit een ogenschijnlijk eenvoudig maar ontzettend mooi compliment over de poëzie van Remco Campert: ‘Αlles wat er staat, moet er staan.’ Dat is de tweede betekenis van vertalen wat er staat. En in die tweede betekenis blinkt Lateur denk ik werkelijk uit. Geen woord te weinig; geen woord te veel.

Lateur is alumnus maximus: hij leeft cultuur en ademt traditie.

Woorden te veel zijn altijd te mijden, zeker als het om woorden van lof gaat. Laat het werk maar overvloedig spreken. Het werk dat, in alle verschijningsvormen, barst van engagement, gevuld is van inspanningen om de oudheid dichter bij ons te brengen, en ons dichter bij de oudheid. Als Lateur alumnus maximus is, is hij dat niet in bijberoep. Lateur is alumnus maximus: hij leeft cultuur en ademt traditie – niet in de oubollige zin van het woord, maar zoals hij het zelf eens definieerde: traditie als ‘het levendig overbrengen van de teksten van generatie op generatie en waarbij elke generatie telkens weer nieuwe invalshoeken kiest’, traditie als het metier van de classicus die zo zelf een ‘hoeder van de wijsheid’, een σωφροσύνας φύλαξ wordt. Hubert Van Herreweghen noemde Lateur eens een ‘cultuurdichter’, evengoed zouden we hem een ‘cultuurclassicus’ kunnen noemen. Laat zijn werk dus maar overvloedig spreken. Het is een laatste tegenstelling. Het is je gegund, hoor, Patrick, deze terechte bekroning. Daar niet van. Maar eigenlijk zou een egoïstisch deel van elk van ons je nu stiekem liever in je werkkamer hebben, wroetend in een vers, zodat we snel die Odyssee van je kunnen verorberen. Het proeven heeft ongeduldig gemaakt. Vandaar ook dat ik stilaan afrond.

Ik sluit af met een fabel. Het is er een van Leon Battista Alberti, een uomo universale die in de schaduw van da Vinci en Michelangelo wel eens vergeten wordt. Op enkele dagen tijd – tussen 16 en 24 december 1437 – schreef hij in het Latijn Honderd fabels, gevatte, humoristische stukjes, zonder het moraliserende vingertje dat het genre al te vaak eigen is. De volgende fabel zou over de vertaler kunnen gaan. Patrick Lateur vertaalt natuurlijk.

De zon had door een glazen kelk vol water een regenboog geschilderd op het altaar. Tot zijn eer en glorie schreef het water dit kunstwerk toe aan zichzelf. De kelk ging daar tegenin: “Was ik niet doorschijnend en een en al schittering, dan zou het niet te zien zijn.” Het altaar hoorde dat, zweeg stilletjes en was er blij om dat die buitengewone eer hem toekwam.

Het water is de oorspronkelijke auteur, die steevast met alle roem gaat lopen. De vertaler is de kelk, die de oorspronkelijke tekst voor ons vasthoudt. Zonder kelk kunnen we niets met het water, dan glipt het door onze vingers. De zon kan dan de Literatuur zijn – met grote L – de Muze die in vroegere tijden nog dingen bezong en inzong. De regenboog is de vertaalde tekst, die slechts bij gratie van het samenspel van alle elementen kan ontstaan. En het altaar, dat luisterde, zweeg en blij was, gewoon omdat het dit alles mocht meemaken? Dat zijn je lezers, Patrick, die stilletjes op nog veel nieuwe regenbogen hopen. Tu iam canta, nos tacemus. Zing jij nu maar, wij zullen zwijgen.

Ook gepubliceerd in: Tijdschrift van de Classici Lovanienses, 4(2013)2.