Alumnus Maximus 2013 — dankwoord

Op 27 april 2013 werd Patrick Lateur door de Classici Lovanienses (KU Leuven) verkozen tot Alumnus Maximus 2013.  Hieronder kan je zijn dankwoord lezen.

Beste collega’s en vrienden van de kring,

De Classici Lovanienses zijn snelle jongens. Zij waren een Vlaams Minister vóór én mijn Amsterdamse uitgever. Het bericht van de Alumnus Maximus 2013 bereikte me een paar maanden voor het nieuws van de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren – Vertalen, en de Odyssee-cd komt maanden vóór het luisterboek met de Ilias. Ik ben uiteraard erg vereerd verkozen te zijn tot Alumnus Maximus én blij met het mooie werk van de alom gewaardeerde striptekenaar Ken Broeders én verheugd om de productie van het homerisch audioboek.

Sinds ik hier veertig jaar geleden wegging, bleven mijn contacten met de Alma Mater eerder sporadisch. Voor opzoekingswerk kon ik dichter bij huis terecht op de Gentse Blandijn. Ik publiceerde wel een paar dingen in Kleio en aan lezingen herinner ik me, naast de recente Homeroslezing in Sencie, een Pindaroslezing die door de betreurde Raf Bosteels zoals steeds heel pittig werd ingeleid, én een kleine lezing – samen met Paul Claes en Patrick de Rynck – n.a.v. het afscheid van Prof. Dries Welkenhuysen van Gulden Librije. Toen ik hier veertig jaar geleden vertrok, liet niets voorzien dat ik hier ooit zou terugkeren als Alumnus Maximus en wees niets erop dat ik in de letteren en in vertaalwerk zou belanden. Ik was geen studax, was een van de studiosi mediocres (maar dat heeft iets weg van goud, zei Horatius) met als voornaamste ambitie degelijk en deugdelijk les te geven. Leuven was een heerlijke tijd, we studeerden een beetje, en in die nadagen van mei ’68 waren we druk in de weer om de wereld te veranderen. Maar tegelijk vonden wij het leuk leven in het Spaans Kwartier van het Groot Begijnhof, waar de classici als laatsten (en braafsten) een fachuis betrokken.

***

Patrick Lateur
Patrick Lateur

1.
Maar hoe is dat literair werk van me in het algemeen en het vertaalwerk in het bijzonder dan wel begonnen? Eind de jaren tachtig – ik had toen al vijftien jaar de Dijle geruild voor de Dender en ik stond al evenveel jaren in de Poësis en Retorica te Gijzegem, een voorschootje halverwege Aalst en Dendermonde. Lesgeven, Italië- of Romereizen, raden en commissies allerhande, schoolacties voor Broederlijk Delen, schooltoneel, zelfs een tijdelijk directieambt en weet ik veel wat nog allemaal, behalve schoolsport. Mens sana in corpore non sano. Voldoende werk en te weinig sport om op een bepaald moment overwerkt te geraken. Thuis begon ik toen verzen te schrijven – niemand wist er van – en ik kreeg ervoor de debuutprijs op de Vlaamse Poëziedagen. En ietwat later schreef Kleio hier in Leuven een vertaalwedstrijd uit n.a.v. 20 jaar tijdschrift. Ik vertaalde het Lucanusfragment – niemand wist ervan – en ik won die eenmalige prijs. Plots stond deze late roeping daar met twee objectieve signalen dat hij misschien wel iets met letteren moest doen. In 1991 verscheen mijn debuutbundel Catacomben bij het Poëziecentrum en bij Lannoo Moeders van Ernest Claes, vier moedernovellen waarvan ik de teksteditie bezorgde met een uitleiding, in 1993 publiceerde het Davidsfonds mijn eerste bloemlezing Griekse literatuur Muze zeg me… en in 1996 gaf P van Leo Peeraer hier in Leuven mijn eerste vertaling uit: het Pervigilium Veneris. Op vijf jaar tijd had ik de vier poten van mijn literaire tafel: poëzie, redactioneel werk, bloemlezen en vertalen. En: bij vier verschillende uitgevers, wat me altijd een zekere vrijheid van werken heeft bezorgd.

2.
Het vertaalwerk zelf groeide op een vreemde maar tegelijk organische manier. Ik heb vaak het gevoel gehad dat niet ik de teksten heb gekozen, maar dat de teksten me kozen. Ik vertaalde omdat teksten mij overvielen.

Pindaros. Rome, Via Torino, Rome-reis van de laatstejaars, eind jaren tachtig. Dicht bij de Opera loop ik even een Engelse boekhandel binnen en vind er tussen de koopjes voor een handvol lires de Penguin-vertaling van Bowra. ’s Avonds en tijdens de uren in de bus naar Pompeji lees ik Pindaros. De man laat me niet los. Wat een wereld van gedachten en beelden! Wie een auteur vertaalt, moet op een of andere manier door hem bij zijn nekvel gepakt zijn. Vertalen met het hoofd, groeienderwijze strategieën uitstippelen, correcties inbouwen, tijd nemen – dat is allemaal belangrijk. Maar een man naar je hart (of, in het geval van de klassieken, een zeldzame vrouw), zo iemand vertaal je.

– Het Pervigilium Veneris. Najaar 1993 valt de mooie bloemlezing Op de snaren van Apollo van Patrick De Rynck op mijn werktafel. Ik had er zelf op vraag van De Rynck na mijn Lucanusvertaling een hymne van Ambrosius vertaald en de Praefatio van Prudentius. Bladerend in het boek bots ik op het Pervigilium Veneris in een vertaling van Jan Prins uit 1945. Ik dacht aan mijn Leuvense jaren toen we ’s avonds in een leeskring onder meer het Pervigilium doornamen. Het refrein Cras amet qui numquam amavit… vulde later al het drukwerk van ons huwelijksfeest. Maar de gebloemleesde, lichtjes gedateerde Jan Prins schudde het Pervigilium in mij weer wakker. En ik begon te vertalen.

Ausonius. Een classicus komt wel eens in Trier. Op de tweejaarlijkse studiereis naar Trier had ik al vaak gedacht aan de Mosella. Het werkje was nog nooit volledig vertaald in het Nederlands. Ik reis graag in het gezelschap van teksten. Mensen van vroeger hebben altijd wel iets te vertellen wat wij op dezelfde plaats niet of niet meer zien. En dus is de Moezel blijven stromen en mondde hij uit in een van de Amsterdamse grachten.

Vertalen drong zich op een of andere manier aan me op. Weliswaar gaat het daarbij bij voorkeur om nog nooit vertaalde teksten, maar vooral om teksten die me hebben aangegrepen door de vlucht van gedachten en beelden (Pindaros), die iets met mezelf te maken hebben (Pervigilium), die me op bepaalde plaatsen iets verduidelijkt hebben (Ausonius). Het wonder daarbij was dat ik voor alles wat ik wilde vertalen een uitgever vond. Dat gaf in die beginjaren een paradijselijk gevoel en dat is ook zo gebleven.

3.
In een derde beweging wil ik nog iets kwijt over het plezier van vertalen. Dat genoegen ligt zowel in de verkennende lectuur als in het luisteren naar de auteur zelf, maar ook en vooral in het loslaten van de brontekst om te luisteren naar de eigen stem.

– Lezen, veel lezen is voor een vertaler niet alleen een vereiste, het is ook een niet onbelangrijk onderdeel van zijn plezier. Zoals ik Pindaros in Rome vond, zo vond ik ooit Leonardo da Vinci op onze slaapkamer op de heuvel bij Arezzo waar we elk jaar in juli verblijven. Ik had die kast nog nooit opengedaan, dacht aan dekens etc, maar trof er zowat driehonderd nummers van de kleine Italiaanse reeks met grote meesters I Maestri. Ik heb diezelfde middag Leonardo verslonden, en heb beslist nog meer van hem te lezen en zijn literaire schrijfsels te vertalen. Ik ben nooit een beroepsvertaler geweest, ik vertaal graag wat me uitdaagt en vooral aangrijpt in mijn lectuur. Maar daarvoor moet men eerst veel lezen, of eerst veel vinden en lezen. Om zo thuis te komen bij een auteur.

– Want dat is het tweede plezier. Thuiskomen bij een auteur. Een vertaler luistert naar zijn gastheer, d.w.z. hij leest hem heel intens. Vertalen is een heel bijzondere vorm van lezen, waarin men luistert naar het ritme, de toonaard, de klankkleur, de woordkeuze, enzovoort, én uiteraard naar wat de auteur wil zeggen. Zo’n gesprek met bijvoorbeeld Homeros kan ook met meerderen aan tafel. Vertalen is voor mij soms een virtueel gesprek met Fransen, Engelsen, Duitsers, Italianen. Bots ik op een crux, dan is het prettig om een beroep te doen op anderen en anderstaligen te bevragen hoe zij dat Iliasvers hebben geïnterpreteerd en in hun idioom omgezet.

– Het derde plezier bij het vertalen heeft te maken met loslaten, de brontekst loslaten. Of: zelf losbreken, de mogelijkheden van de eigen taal exploreren, zoeken naar eigen vormen, in het geval van poëzie, naar vormen die beantwoorden aan de poëtische eisen van vandaag. De vreugde van het vertalen ligt dus ook – en ik zou zeggen vooral – in het creatief omgaan met hedendaagse expressiemiddelen.

***

Bij wijze van afsluiter nog twee vragen: is vertalen dan alleen maar plezier? en is vertalen dan zo’n uitzonderlijke bezigheid? Het antwoord is tweemaal neen.

Er is inderdaad nog iets anders dan vertaalplezier. Schrijven is schrappen, vertalen dus ook. En dat kan soms erg pijnlijk zijn. Een vertaler heeft een grote papiermand nodig, of een goeie deleteknop. Ik heb ooit de helft van Pindaros weggegooid. De Olympische en Isthmische Oden had ik vertaald in het strakke keurslijf van vier en drievoetige jamben. De Olympische waren allemaal her en der gepubliceerd. Maar toen ik na een lange onderbreking de draad weer opnam, was ik daar niet meer tevreden over. Ik ben opnieuw begonnen in vrije verzen. Dat was een pijnlijke maar vooral bevrijdende beslissing. En het aantal pogingen en de hoeveelheid papier die ik aan het refrein van het Pervigilium Veneris heb besteed, kan ik echt niet meer zeggen. Ik heb alles weggegooid. Je moet vertaalwetenschappers niet teveel werk bezorgen.

En is vertalen dan zo’n uitzonderlijke bezigheid? Ik denk van niet. In het middelbaar zijn de klassieke talen op dat punt bevoordeeld. Wij vertalen met z’n allen vanaf ons twaalfde. Ik ben ervan overtuigd dat er in elk van ons een potentiële vertaler steekt, literair vertaler dus, mits tijdsinvestering, oefening, discipline, en een beetje ingenium, een beetje. Zo is mijn zalige Leuvense luiheid van weleer vertalenderwijze overgegaan in een onweerstaanbare drang om oude auteurs te delen met anderen.

En zie, de minister had er oog voor, de Classici Lovanienses hadden er oog voor. En dus sta ik hier dankbaar te wezen ten aanzien van het bestuur dat voor deze nominatie en deze zitting heeft gezorgd, en eraan dacht voor deze gelegenheid ook een Odyssee-cd te produceren. Ik dank Bram voor zijn mooie laudatio – slecht voor ’s mensens ijdelheid -, en dank ook aan Nina van Olmen voor de prettige samenwerking bij de opname van de cd. U allen, collega’s en vrienden, dank ik van harte voor uw komst.