Iedereen is van ergens

Patrick Lateur

Beveren-Leie, 27 december 1949

In Iedereen is van ergens bundelde Jooris van Hulle portretten van vijfentwintig auteurs die geboren werden in West-Vlaanderen of er woonden en belangrijk grensoverschrijdend werk publiceerden in de voorbije vijfentwintig jaar. Van Paul de Wispelaere tot Anne Provoost, van Gwy Mandelinck tot David Van Reybrouck, van Pieter Aspe tot Peter Verhelst, van Bart Moeyaert tot Luuk Gruwez: auteurs uit diverse literaire genres – proza, poëzie, jeugdliteratuur, toneel en essay – passeren de revue. Hun werk wordt kritisch geanalyseerd, een fragment nodigt uit tot verdere kennismaking. Nele Van Canneyt maakte speciaal voor Iedereen is van ergens sprekende foto’s van de auteurs. Hieronder vind je de tekst die van Hulle schreef over Patrick Lateur.

Iedereen is van ergens — Jooris van Hulle
Jooris Van Hulle, Iedereen is van ergens. Vijfentwintig auteurs uit West-Vlaanderen, Houtekiet, 160 pp., ISBN: 9789089241801

Voor wie het werk van dichter, vertaler, bloemlezer en essayist Patrick Lateur overschouwt, dringt zich de vraag op of al die sporen in de literatuur alleen maar parallel lopen dan wel ergens convergeren. Lateur gaat ervanuit dat alles met alles te maken heeft: ‘Ik ervaar dichten, vertalen en bloemlezen als één grote zoektocht binnen de klassieke wereld en in een breder verband binnen de westerse cultuur, vanuit het gevoel dat daar vragen worden geformuleerd die voor ons herkenbaar zijn. Daarnaast zie ik de wereld vaak als één groot weefsel van teksten’ (interview Jooris van Hulle in Poëziekrant, 5/2001). Lateur is een literaire laatbloeier. De eerste verzen die hij in alle stilte schreef, werden bekroond met de Basiel de Craeneprijs in 1988. Iets soortgelijks gebeurde met het vertaalwerk. In 1991 maakte hij naar aanleiding van het twintigjarige bestaan van Kleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur, een vertaling van een opgelegd fragment uit de Pharsalia van Lucanus. Wat toen aarzelend begon, is nu uitgegroeid tot een breed uitwaaierend geheel van literaire activiteiten.

Terug naar de bron

De vroegchristelijke cultuur met de catacomben als eerste getuigen van een zich vormend en organiserend christendom, opmerkelijke figuren als Franciscus van Assisi – wiens Cantico delle Creature hij in 2003 een tweede maal vertaalde – of zeven bijbelse vrouwen, de mozaïeken van Ravenna: gefascineerd door materiële restanten, gedreven door een kritische bewondering voor grote figuren brengt Patrick Lateur in zijn poëzie een eigentijds geïnspireerd getuigenis over wat of wie hem diep heeft weten te raken. Wat hij tot woorden omsmeedt, is een ‘lied gegroeid in mateloze uren / van verlangen en verwondering’ (uit het gedicht ‘Anabasis’ uit Catacomben – 1991). In De Speelman van Assisi (1994) verwoordt hij in het gedicht ‘Portiuncula’ zijn inlevingsvermogen in de figuur van Franciscus: ‘Ik lees wat hem verklaard werd in die dagen / – Mattheus’ woord: ‘Je zal geen reistas, staf, / geen tweede overkleed of schoeisel dragen’ – / en weet dat hij toen veel om weinig gaf.’ De bundels van Lateur worden elk op hun eigen onderscheiden manier in de structuur van het geheel en in de afzonderlijke gedichten gedragen door een streng in de hand gehouden vormgeving. De gedichten uit Catacomben, De speelman van Assisi (beide bundels kregen een derde druk in 1998 in een gezamenlijke en met zeven gedichten ‘over heuvels’ uitgebreide editie onder de titel Rome & Assisi), Zeven vrouwen (1997), Ravenna (2002) en Carmina miscellanea (2006 – een selectie uit verspreide gedichten over kunstwerken, religie en afscheid van geliefden) bestaan bijna zonder uitzondering uit kwatrijnen. Op die manier zoekt Lateur aansluiting bij een klassieke poëtica zoals die o.m. ook werd aangehangen door Anton van Wilderode, met wiens werk dat van Lateur vaak werd vergeleken en wiens gebundelde gedichten hij in 1999 in een leeseditie samenbracht. Met zijn grote voorbeeld deelt Lateur ook de voorliefde voor archaïsche taalvormen, die perfect passen binnen zijn zoektocht naar de klassieke vormschoonheid. Toch is de manier waarop hij omgaat met het klassieke en vroegchristelijke erfgoed, nergens vrijblijvend. In het gedicht Mons Esquilinus (uit Rome & Assisi) luidt het: ‘Ik draag mijn wereld mee over de grens / van plaats en tijd’, een metafoor voor het besef dat niets definitief is en dat de zoektocht naar het fundamentele nooit afgerond is.

Levende traditie

Over zijn vertaalwerk en de vernieuwde aandacht voor de literatuur uit de Oudheid en de daarop volgende periodes zegt Patrick Lateur: ‘Het eurocentrisme is doorbroken, wetenschap en technologie ontwikkelen zich in een eenparig versnelde beweging, maatschappelijke structuren worden er niet eenvoudiger op. Binnen zulke verschuivingen kijkt men wel graag eens achterom. Hopelijk niet uit nostalgie, maar vanuit het besef dat men in een grote stroom staat. Ik hou van traditie in de zin van ‘tradere’, het ‘doorgeven’, het levendig overbrengen van teksten van generatie op generatie en waarbij elke generatie telkens weer nieuwe invalshoeken ontdekt. Literatoren nemen daarin het voortouw’ (interview Jooris van Hulle in Poëziekrant, 5/2001). In zijn vertalingen creëert Lateur, met eerbiediging van de brontekst, een literaire tekst die via het hele beschikbare arsenaal van stijl- en expressiemiddelen in het Nederlands eigentijds, origineel en verfrissend overkomt. In 1996 publiceerde hij zijn vertaling van het Pervigilium Veneris, een gedicht van 93 verzen van een anonieme dichter(es) uit de 4e eeuw n.C. dat de universele kracht van de liefde bezingt. Vooral het refrein uit deze Nachtwake voor het feest van Venus blijft hangen: ‘Morgen moet de liefde komen / bij wie nooit heeft liefgehad, / bij wie ooit heeft liefgehad / moet de liefde morgen komen.’ Ook voor zijn Cupido cruciatus – Cupido aan het kruis (1999) en het Lied van de Moezel (2001), twee teksten van de hand van Ausonius, en de Vita Martini – Het leven van Sint-Maarten (1997) van Sulpicius Severus keert Lateur terug naar de 4e eeuw n.C. Verder vertaalde hij onder meer een aantal Fabels (2001), een reeks Raadsels en voorspellingen (2006), een selectie uit het Bestiarium (2007) en Maximes (2009) van Leonardo da Vinci, Honderd fabels van de 15e- eeuwse bouwmeester Leon Battista Alberti (2003), Gedichten van en over Plato (2006), De Regel van Benedictus (2010). Voor de vertaling van de nooit eerder in het Nederlands vertaalde Zegezangen (1999) van Pindaros stond Patrick Lateur voor een grote uitdaging. Hij diende zich in te leven in de mythisch-religieuze gedachtewereld van een dichter uit de eerste helft van de 5e eeuw v.C. Bovendien vroegen de taal, de gedachte- en woordassociaties, de eindeloos gevarieerde versvormen van Pindaros evenveel equivalenten in het Nederlands. Lateur koos voor het vrije vers en slaagde er zo in de spitsvondigheid van de Griekse dichter tot leven te wekken. De lovende kritiek n.a.v. die vertaling werd nog geprononceerder toen Lateur in 2010 zijn Ilias-vertaling publiceerde: ‘De nieuwe Ilias van Patrick Lateur is er één die haar magistrale origineel waardig is, en dat is een prestatie. De toon is objectief en doorzichtig, en zelden of nooit hoor je de vertaler aan het werk. De tekst zuigt je zijn universum binnen. Lateurs woordkeus, maar ook zijn keuze voor het metrum is subliem. Hij koos voor rijmloze vijfvoetige jamben of blanke verzen, in plaats van Homerus’ dactylische hexameters. Die keuze geeft een soepelheid en dynamiek die de tekst boven proza uittilt, maar deze toch dicht bij de natuurlijke cadans van het Nederlands laat blijven’ (David Rijser in NRC Handelsblad, 16 april 2010).

© Nele van Canneyt

De mooiste stukken van …

Patrick Lateur is ook bijzonder actief als bloemlezer. In 1993 verscheen onder de titel Muze, zeg me… een bloemlezing uit de Griekse literatuur. Door de heldere inleiding, de verscheidenheid aan registers en de veelheid aan verhaalstemmen is het een boek geworden dat de wereld van de klassieke Griekse auteurs op een boeiende wijze ontsluit, ook voor niet-klassiek geschoolden. Dichters hebben vele moeders (2007) en Hoeders van wijsheid (2009) zijn thematisch opgevatte bloemlezingen/vertalingen van Griekse eprigrammen over het schrijven resp. de filosofie. Ook Rome en de Romeinse cultuur laten Lateur niet los. Bloemlezingen als Alle schrijvers leiden naar Rome (2000) waarin teksten uit de wereldliteratuur worden bijeengebracht, Toscane. Een literaire ontdekkingsreis (2002) en Amor in Roma (2006) getuigen daarvan. Samen met Stefan van den Bossche stelde Lateur in 1999 Het evangelie volgens dichters samen. Het boek bevat 200 gedichten van tachtig dichters – van Anton van Wilderode tot Hugo Claus – en volgt de structuur van de evangelies, van kindsheidsverhalen tot verrijzenisteksten. In Het is vandaag de datum (2002) staan 365 dag-, maand- en seizoengedichten, die hij koos uit de moderne Nederlandstalige poëzie van na 1980. In zijn inleiding licht hij zijn bedoeling toe: ‘Misschien is poëzie in staat het vluchtige moment even vast te houden. Met de kracht van de taal bezweert de dichter de vlucht van de tijd. De magie van het woord roept zelfs de vluchtige lezer tot de orde en dwingt hem stil te staan.’

Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

Een nieuwe lente! Vol geluiden
de lentelucht waaruit de wereld
geboren werd! Alles is liefde
en harmonie en al wat vleugels
heeft, huwt in lentetijd. De buien
bevruchten kruinen, als een bruid bindt
het woud de haren los. En Venus
die liefdebanden knoopt, vlecht morgen
met mirtetwijgen in het lommer
van bomen pril-groene priëlen.
Ja, morgen zetelt weer Dione
hoog op haar troon: haar woord zal wet zijn.

Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

(uit: Pervigilium Veneris)