Een steiger aan de overkant

Anne-Marie Demoen

Patrick Lateur stelde met onderstaande tekst de dichtbundel Een steiger aan de overkant (Uitgeverij P) van Anne-Marie Demoen voor in de A. de Schryverzaal van Sint-Bavo in Gent op zaterdag 30 april 2011.

Dames, juffrouwen, heren,
vrienden van Anne-Marie en Guido,

Exact twee weken geleden, op exact hetzelfde uur stond ik in het park van Granada bij het zomerverblijf van Federico García Lorca, de dichter die samen met Juan Ramón Jiménez en Rafael Alberti het Andalusisch poëtisch triumviraat van de vorige eeuw vormt. En ik moest daar denken aan dichters van bij ons die zich ooit door de weelde van Andalusië lieten inspireren, o.m. Anton van Wilderode. In De Vlinderboom wijdde hij mooie verzen aan Granada. Het was ook hij die in een briefje van 29 oktober 1992 Anne-Marie Demoen gelukwenste met de bundel Waterlicht, waarin zij – zo vond ik het een tijd geleden weer terug – een patio te cordoba evoceert:

zo stil
dat ik verlegen word
en luister naar een vogel
en rust

en rusteloos word
van de beroezing
altijddurend
die geur
die bloesem
die eindigheid

In een andere, ietwat sobere Andalusische binnentuin las ik Rafael Alberti in een vertaling van Willy Spillebeen, en ik botste er op het gedicht Terugkeer van de onveranderlijke poëzie uit 1956. De ouverture daarvan is een strofe die in tal van opzichten van toepassing is op onze dichteres en haar werk:

Mooie, sterke en zoete poëzie,
mijn enige zee tenslotte, die steeds terugkeert!
Hoe zou je me kunnen verlaten, hoe kon ik, verblind,
ooit denken dat je me in de steek zou laten?

De epitheta voor de poëzie gelden ook voor Demoen. Zij schrijft mooie, sterke verzen, die zoet zijn, zoet in de betekenis van aangenaam voor wie ze leest, zacht, melodieus. Alberti’s metafoor van de zee en alles wat ermee samenhangt, is ook uit haar verzen niet weg te denken. En de steeds dwingende uitnodiging, ja, de onontkoombare innerlijke drang om poëzie te blijven schrijven, kent ook zij die in oktober achtenzeventig wordt. Haar verlaten, haar in de steek laten, dat zal de poëzie nooit doen.

***

Mijn intro kan de indruk wekken dat de nieuwe bundel van Anne- Marie Demoen andermaal een reeks reisgedichten bevat, zoals dat het geval was in o.m. Zilveren kruisvaart uit 1977, Waterlicht uit 1992 en De nacht is altijd anders uit 1996. Niets is minder waar. De nieuwe verzen vermelden slechts twee plaatsen, Brest en Vladivostok – beide netjes zonder hoofdletter, want Demoen volhardt in de kale soberheid van verzen zonder interpunctie en zonder hoofdletters. Maar Brest is een heel terloopse reminiscentie, en Vladivostok, gelegen in het verre oosten van Rusland, is een metafoor voor de

uiterste grens. In haar nieuwe gedichten reist Anne-Marie Demoen niet meer in de ruimte en dus naar buiten, maar door de tijd en naar binnen.

Verstilling en verinnerlijking zijn in de poëzie van Demoen altijd aanwezig geweest, maar die uitgesproken beweging van buiten naar binnen was al ingezet in haar vorige bundel Grensland, schijnbaar zonder reiscontext. Schijnbaar, want eigenlijk groeiden de visionaire verzen in of rond een plaats met de naam Autreville. Die bundel kreeg in 2003 een motto mee uit Johannes van het Kruis: Om te geraken tot wat ge nog niet zijt, moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn. Dat adagium legde alle nadruk op het essentiële – een woord waarin we het Latijnse werkwoord esse/zijn herkennen; wat daar reeds benadrukt werd is het wezenlijke, dus wat een mens moet wezen. In de tweede cyclus van die bundel werd daaraan ook inhoud gegeven vanuit de Visioenen van Hadewijch. De vermelding van het zevende visioen alludeert op de eenwording met de geliefde, en in dat visioen geeft onze Middeleeuwse mystica een heel uitvoerige beschrijving van de razende, onstilbare begeerte naar God. Het is de insania, de furor amoris, de waanzinnige liefde van mysticae als Beatrijs van Nazareth, Lutgardis van Tongeren en dus ook Hadewijch.

En kijk, welk motto geeft de dichteres nu mee aan haar nieuwe bundel? Een citaat uit Hadewijch, meer bepaald uit het 14de lied van de Strofische Gedichten. En het luidt: Suetecheit ochte smerte ochte beide te male – zoetheid of smart of beide tegelijk. Als we het vers in zijn context plaatsen, dan klinkt het vervolg: In dreeft vore minnen anschijn – in drift, in onstuimigheid voor de ogen van de Minne, van de liefde. Wie door de liefde geraakt is, zal leven in onstuimigheid, hevige beroering, razende begeerte, vol zoetheid of smart of beide samen. Dat onstuimig verlangen benoemt Hadewijch in het 28ste lied met het mooie woord orewoet. Daarmee wordt duidelijk dat liefde hét thema bij uitstek wordt van Een steiger aan de overkant. De tocht die ingezet werd in de bundel Grensland, de tocht naar binnen, naar het wezenlijke van de menselijke existentie, krijgt in de nieuwe gedichten een heel duidelijke invulling: de andere, met name de geliefde bij uitstek en de geliefde kinderen en vrienden, dus de nauwste kring van mensen die in het zicht van de overkant het meest wezenlijke vormen van wat een mens finaal overhoudt.

Dat intensifiëren van de verinnerlijking laat zich niet alleen aanvoelen in de verschuiving van het motto. Ook het gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden onderlijnt dat. In Grensland was de verstilling, het besef van de tempus fugax, de vluchtigheid van de tijd, nog in hoge mate een persoonlijke beleving en dan nog via de waarneming van de buitenwereld. Slechts in de kleine helft van de 35 gedichten kwam er een ik voor, en in die veertien gedichten is er slechts viermaal sprake van een ik én een jij of een we. De nieuwe bundel telt eveneens 35 gedichten en daarvan zijn er slechts acht die geen verwijzing naar een eerste of tweede persoon bevatten. En dan nog: de betrokkenheid van de dichteres in een ogenschijnlijk afstandelijk onderwerp is zo intens, dat de lezer zelf wel de relatie legt. Die overweldigende aanwezigheid van ik, jij, wij wordt zelfs geëxpliciteerd in het slot van een gedicht:

wij spreken in stilte
de voornaam-
woorden uit

waarbij het oxymoron spreken-stilte de verhouding verhevigt en de splitsing van het woord voornaam-woorden over twee verzen zelfs de namen van de ik en de jij oproept. Elders heet dat met een neologisme:

de altijdigheid

van wezenlijke
aanwezigheid
in geruisloze liefde

Dichter bij het leven kan poëzie niet geraken. Ondanks mijn bewondering voor bühnedichters die het podium als het uitgelezen forum zien om hun verzen uit te spreken of te schreeuwen, ondanks mijn waardering voor de hermetische poëzie waar een lezer zich niet zonder moeite doorheen moet worstelen, ondanks het feit dat deze vormen van poëzie vandaag trendsettend blijven, blijf ik ervan overtuigd dat er in het huis van de poëzie vele kamers zijn en dat een van die kamers bewoond moet blijven door dichters die schoonheid én ontroering brengen in verzen die klinken en zingen én die kenbaar en herkenbaar zijn. Het zijn die gedichten waar veel mensen naar uitzien om ze op geëigende ogenblikken ter hand te nemen. Anne-Marie Demoen staat daarvoor garant.

***

De bundel is in tegenstelling met de meeste bundels van Demoen niet gestructureerd, maar net als in Waterlicht uit 1992 volgen de gedichten elkaar op. Meer nog dan in Waterlicht lijkt me dat hiér verantwoord, omdat uitgerekend dit continuüm de onstuimige drang naar de geliefde onderlijnt ondanks of wellicht precies door bezorgdheid en rusteloosheid, doorheen het spanningsveld van vasthouden en loslaten, van verzet en berusting, van verlangen en gemis, ontmoeting en afscheid. Zo glijden de gedichten in elkaar over, of beuken ze op elkaar in. Een perpetuum mobile dat draait rond de eindigheid van tijd en mens.

Ook de titel van de bundel suggereert dat op twee manieren. De overkant – ik denk aan De Overoever van Van Wilderode – heeft iets definitiefs. En een steiger is een aanlegplaats, geen vertrekpunt maar een plek van aankomen, aanleggen en uitstappen. Dus van afscheid nemen van wat achter de rug ligt.

Maar die steiger ligt alsnog op afstand, aan de overkant. Daarover wil de dichteres het hebben, blijkens het programmatisch openingsgedicht Vis: over een vrouw / tussen klapwieken / en zweven, over een vrouw dus die zich nog actief beweegt, maar zich ooit – passief – zal moeten laten dragen. Tussen die twee vormen van bewegen ligt de tijd die haar nog rest. Die tijd kan zij door de kunst vertragen, maar zij weet dat alles eens wordt uitgeveegd. Kernwoorden van de gedichten zijn de tijd, het weten, het wachten. Weten dat de tijd vervliegt en toch blijven uitkijken en wachten naar wat er nog kan: dingen als ontmoeten, het schuilen bij elkaar, een gedicht schrijven, maar ook weten wat er moet, namelijk loslaten.

Het kleine gedichtje dat op de uitnodiging staat is in dat opzicht een poëtische miniatuur. De bundel steekt vol beelden van de zee, van varen en zeilen, van kijken naar schepen en water. En dat alles biedt een zekere wijdheid, laat dromen, heeft zelfs iets van tijdelijk ontsnappen aan het ondraaglijke. Toch steekt uitgerekend in die beelden rond water en varen een van de meest snijdende en bijtende beeldspraken uit de bundel. Het meertouw, waarmee men het vaartuig, waarmee men zijn wereld vast kan houden, dat touw zal men met veel fysieke pijn beetje bij beetje moeten lossen – en men wordt daarvan zo moe, maar de ziel zelf zal finaal van smart en pijn verlicht zijn. Loslaten gebeurt niet bruusk, het vraagt tijd. En de tijd heelt:

loslaten

is het meertouw
laten glijden
door je handen tot
de huid brandt en
de ziel gelenigd is

Die laatste vaststelling lijkt me ook het best de geest van de bundel te verwoorden. Bij een eerste lectuur overheerst wellicht het gevoel van onmacht, moeheid, angst – ik vrees de stilstand / meer dan de val, zegt de dichteres. En er is gemis en verzet, maar ook berusting. Maar vooral de wil om de liefde en de geliefde het laatste woord te geven:

als niets meer niets meer
schrijfwaardig is
zal ik vingervast
de letters van je naam
in lood leggen
en lezen
heb lief

Dit is de bundel van een vrouw die gelouterd door het weten – precies omdat dat weten zo confronterend is – verder kijkt dan de grenzen en dieper kijkt dan het oppervlak van mensen en dingen. En op die manier volhardt.

***

Vormelijk gezien overwegen ook in deze bundel de smalgedichten, korte verzen bestaande uit drie, vier woorden. Demoen heeft die versvorm in al haar bundels aangewend en zij weet er nu eens een versneld ritme mee te bereiken, dan weer een staccato. Binnen die smalgedichten wordt geregeld gebruik gemaakt van herhalingen en anaforen, die een litanisch, soms bezwerend karakter hebben. Een climax bereikt dat in horizontale litanie van moe-zijn, waarin de potentiële smalle verzen aaneen worden geregen tot een prozagedicht. De anaforen en herhalingen vormen niet zelden een drieledigheid, die de gedichten ondanks de spaarzaamheid in woorden iets retorisch kunnen meegeven. Drieledigheid bepaalt soms ook de structuur van een gedicht zoals ik wankel… ik kantel… ik kantel… (47), dat klankrijk verdergaat: ik kantel achterwaarts / bewandel met wankele treden … Een bijzonder geslaagde drieledige structuur is het gedicht waarin de respectieve bewegingen beginnen met de gelijktijdigheid, de langtijdigheid en de altijdigheid (12) en waarvan het tweede en derde neologismen zijn die niet in Van Dale te vinden zijn, wel eentje op Google, en vanaf vandaag dus twee. Er zijn ook de fraaie beelden als het uitzicht op de tijd / met smeltend was verzegeld (14), waarmee gezegd wordt dat duurzaamheid niet haalbaar is; of nog: het gemis is de waakvlam van het verlangen (21). Het mag duidelijk zijn dat Anne-Marie Demoen tal van mogelijkheden benut die de taal haar biedt om haar ervaringen, gedachten en indrukken op een expressieve manier weer te geven. En daarbij weet zij een goed evenwicht te bewaren tussen de formele en inhoudelijke componenten van haar verzen.

***

Dames en heren, niet zonder te vermelden dat ook deze bundel weer mooi grafisch werk van zoon Nikolaas meekreeg, eindig ik zoals ik ben begonnen, met een volledig gedicht met de titel En daarna.

De labyrinten

die de tijd schept,
vervagen.

(Alleen de woestijn

blijft over.)

Het hart,

bron van het verlangen,
vervaagt.

(Alleen de woestijn
blijft over.)

De illusie van de dageraad
en de kussen
vervagen.

Alleen de woestijn
blijft over.
Een golvende
woestijn.

In dit smalgedicht, in dit gedicht over het vervagen van de tijd, van het verlangen en over kussen die vervagen, in dit vers over loslaten en vergaan, met een litanische herhaling over de woestijn, in dit gedicht staan er hoofdletters en komma’s en punten. Het is dus toch niet van Anne-Marie Demoen. In een vertaling van Bart Vonck hoorde u een vers uit Gedicht van de cante jondo van Federico García Lorca, dat ik met andere verzen exact twee weken geleden op exact hetzelfde uur in het park van Granada las. En nu lijkt het me alsof het uit de nieuwe bundel van Demoen is gevallen. Mooie en goede poëzie, van vroeger en vandaag, zingt altijd over wezenlijke dingen.

Vrienden van Anne-Marie en Guido, strek de handen uit naar Een steiger aan de overkant. Dichteres en uitgever Leo Peeraer wezen erom geprezen.