Homilie uitvaart diaken Karel Gysel

Karel Gysel

Op 18 december 2010 hield Patrick Lateur onderstaande homilie bij de uitvaart van diaken Karel Gysel in de Sint-Gertrudiskerk in Wichelen.

Vreemd is het, vrienden. In deze dagen waarin het Rorate coeli desuper weerklinkt – een lied dat ons hoopvol stemt in het licht van het feest van Kerstmis volgende week – weerklinken hier en nu gezangen van rouw. Maar het Requiem aeternam mogen we toch laten overstemmen door een vers uit dat Rorate: Consolamini, consolamini, popule meus: cito veniet salus tua – troost u, troost u, mijn volk: spoedig komt uw redding.

Voor Karel Gysel, voor ons pa, voor opa, voor nonkel Karel, voor vriend Karel, voor diaken Karel Gysel, die in deze ruimte, in dit huis van God thuis was als geen ander, is de tijd van het salus aangebroken, is zijn heilstijd begonnen. Zijn advent is uitgelopen op een echte adventus, komst, in zijn geval een samenkomst, een ontmoeting met zijn Heer, die hij een leven lang heeft gediend en verkondigd.

En het kan vreemd zijn om uitgerekend in deze dagen als evangelielezing een verrijzenisverhaal te moeten beluisteren, maar dit weten wij sinds lang: Kerstmis is er bij de gratie van Pasen, geen geboorte zonder uitzicht op leven. Maria van Magdala herkende de verrezen Jezus aan zijn stem. En zij zei aan de leerlingen: Ik heb de Heer gezien (Joh 20.18). Haar oog, haar blik was voldoende om haar te overtuigen: Hij is het, Hij leeft.

De blik, de stem – en voeg daarbij de hand, die schuilgaat achter de liefde die vol goedheid is naar het woord van Paulus in zijn hooglied over de liefde –, zijn blik, zijn stem, zijn hand : dan komt de diaken, de echtgenoot en vader, de opa en vriend – denk ik – goed in beeld.

***

1.
Als het oog de spiegel is van de ziel, dan kon iedereen diep kijken in het innerlijke van ons pa. En kon iedereen zien en voelen dat die man leefde vanuit een vreugde die niet elkeen is gegeven. Ik kan me voorstellen dat velen zich hebben afgevraagd: waar haalt Karel die energie vandaan om steeds opnieuw naar mensen toe te gaan, om steeds weer te kiezen voor de weg van vriendschap, vreugde en vrede, weg van conflict en confrontatie? Paulus zei zo-even: “Liefde laat zich niet boos maken en rekent het kwade niet aan” (1 Kor 13.5), en dat kon ook ons pa als antwoord hebben gegeven. Maar die blik van hem kon alleen maar een milde en blijde blik zijn, omdat hijzelf gevoelig was voor de blik van de ander. Hij was op zijn manier een belichaming van wat een wijsgeer ooit verwoordde: het weerloze gelaat van de Ander, het gelaat van een derde waaruit machteloosheid spreekt, zo’n gelaat roept mij op uit mezelf te treden, mezelf te vergeten. Zelfvergeten, zo was hij. Weinig, eigenlijk niet bekommerd om zijn eigen welzijn en zeker niet om zijn eigen welvaart. Als Maria van Magdala zegt: Ik heb de Heer gezien, dan heeft dat alles te maken met zijn blik die zij heeft ervaren. Een blik waaruit een appel sprak, een uitnodiging om uit zichzelf te treden. Met zulke ogen heeft Karel Gysel de ogen van anderen gezien. Tot groot geluk van die anderen, van die vele anderen. Tot groot geluk van zijn kinderen en kleinkinderen, op wie zijn gelaat en zijn blik steeds aanstekelijk hebben gewerkt. Tot groot geluk ook en vooral van de vrouw van wie hij levenslang heeft gehouden, tot maandagavond laat, toen zijn hart het begaf.

2.
In Johannes’ verhaal over Maria van Magdala volgt onmiddellijk na het zien van de Heer de zin: En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had (Joh 20.18).

Het kijken en zien gaan over in spreken en doorvertellen. Die ervaring was zo overweldigend, dat Maria niet anders kon dan spreken en getuigen. De blik werd stem. Karel heeft de heldere stem die hij had gekregen, gebruikt om anderen met hem mee te laten zingen tot vreugde van mensen en tot eer van God. Hij richtte in dit dorp binnen het Davidsfonds en binnen de parochie koren op waarin jong en oud jarenlang hun ode aan de vreugde zongen, ook en vooral in deze ruimte waar hij zelf tot voor kort voor bleef zingen en allen meetrok in zijn zang. Zijn stem gebruikte hij ook om mensen te bemoedigen, om zieken en eenzamen gezelschap te houden, om te troosten wie verdriet hadden, om vrienden met zijn humor te onderhouden, om te dollen met zijn kleinkinderen. Met zijn stem heeft hij decennialang in het Aalsterse atheneum als onderwijzer aan kinderen het wonder gewezen van God, mensen en dingen. Met zijn stem heeft hij in deze kerk ruim dertig jaar de stem van het evangelie laten horen en ons eeuwenoud verhaal telkens weer hertaald en toegelicht, met verve en vaak niet zonder emotie. Dat was een van de kerntaken van zijn diaconie, naar het voorbeeld van de eerste diaken Stefanus in de Handelingen der apostelen.

3.
Het zien leidt tot spreken, het spreken tot handelen. Eigenlijk was Karel nooit een man van vele, en zeker niet van grote woorden. Met Jakobus heeft hij gedacht: Als het geloof zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood (Jak 2.17). In die geest gaf hij mensen op de eerste plaats veel van zijn tijd. Tijd was voor hem geen geld, maar wel het kostbare middel om naar mensen te luisteren, om de hand uit te steken of om een handje toe te steken. Ruim dertig jaar vóór hij diaken werd gewijd in de decembermaand van 1979, deed Karel aan diaconie. Zijn handen spraken van goedheid. De liefde is geduldig en vol goedheid, hoorden wij zo-even bij Paulus (1 Kor 13.4). Op 2 maart, feest van Karel de Goede, zei hij steevast: vandaag is het mijn naamfeest. Maar terwijl hij daarbij zelf altijd in zijn bekende lach schoot en zijn grote neus vasthield, heeft hij nooit beseft hoe juist dat was in de ogen van anderen. Zijn handen heeft Karel op een gepriviligieerde manier gebruikt om kinderen te dopen, jonge mensen te huwen, ouderen te begraven. Die dienst aan God, dat dienen van zijn medemens, het dienen van de gemeenschap binnen de liturgie in eenheid met zijn bisschop, met priesters en diakens, was voor hem het hoogste. En vooral: het vormde een continuüm met de caritas die hij beoefende én met de liefde voor zijn vrouw en gezin.

***

Maar vanwaar die milde blik, zijn klare stem, zijn zachte handen? Zij vonden alle hun oorsprong in de wijdheid en in de rust van zijn hart. Meer dan wij vermoeden heeft hij mensen geholpen, maar meer nog dan hijzelf liet vermoeden heeft hij vanbinnen in zijn ruim hart de wereld omhelsd. In hem stak er een diepte die zonder meer verwees naar God, een diepte vanwaaruit veel energie opsteeg om naar mensen toe te gaan en waarin omgekeerd veel vreugde en verdriet van mensen verdween en werd verwerkt. Nu is mijn kennen nog beperkt, zong Paulus, maar straks zal ik volledig kennen (1 Kor 13.12). Die volheid van kennis heeft Karel nu bereikt. Met Maria van Magdala kan hij nu zeggen: Ik heb Hem gezien (Joh 20.18). Zoals diaken Stefanus kan hij nu zeggen: Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat (Hand 7.56).

Zijn hart was ruim. Het gaf zijn blijde blik
de weidse vlucht waarmee hij iedereen
bereiken mocht en op elk ogenblik

nabij bleef als een zonbeschenen steen.

Het gaf zijn sterke stem de klare galm
als dienaar van het levenwekkend Woord
of bij het zingen van een oude psalm
waarin zijn dank of smeken werd gehoord.

Het gaf zijn vaste hand de zachte kracht
om kinderen met water naam te geven,
mensen te helpen tegen overmacht
van wanhoop, pijn, onzekerheid van leven.

Stefanus zei: ‘Ik zie de hemel open.
En mensen zeggen: daar wacht zijn beminde
naar wie hij uitkeek jarenlang. Wij hopen
dat hij zijn ruim hart daar terug mag vinden.