Homeros et alii

Op 13 december 2010 gaf Patrick Lateur de lezing Homeros et alii. Verhalen over vertalen voor de Associatieonderzoeksgroep Literatuur in vertaling en de vakgroep Latijn en Grieks van de Universiteit Gent. Lees hieronder de integrale tekst.

Homeros et alii. Verhalen over vertalen

Toen Italo Calvino, auteur van De onzichtbare steden en Als op een winternacht een reiziger, in 1985 in Siena overleed, liet hij o.m. een reeks schitterende essays na die zes jaar later postuum werden gepubliceerd onder de titel Perché leggere i classici?. Uit het titelessay Waarom lezen we de klassieken? neem ik bij wijze van ouverture een uitvoerig citaat dat alles te maken heeft met de grote klassieken uit de wereldliteratuur, maar eigenlijk ook met de schrijvers uit de oudheid zoals wij die lezen, bestuderen en vertalen.

De actualiteit kan banaal zijn en beschamend, maar ze is toch altijd een punt waarop je plaats moet nemen om vooruit of achteruit te kijken. […] Misschien zou het ideaal zijn als we de actualiteit zouden ervaren als het rumoer buiten het raam, rumoer dat ons waarschuwt voor verkeersopstoppingen en weersveranderingen, terwijl wij binnenskamers het helder en gearticuleerd klinkende betoog van de klassieken volgen. Maar het is al heel wat als voor de meesten de aanwezigheid van de klassieken zich manifesteert als een verre galm, ver buiten de kamer die zelf doordrongen is van de actualiteit als door een televisie op maximaal volume. Laten we dan ook aan onze definitie van de klassieken dit toevoegen: Klassiek is datgene wat in staat is de actualiteit te reduceren tot achtergrondrumoer, maar dat tegelijk niet zonder dat achtergrondrumoer kan.[1]

Het is een citaat waarin ik me graag wil herkennen. Niet alleen in deze weken waarin ik naar aanleiding van de herdenking (of de non-herdenking) van Tolstoj’s dood honderd jaar geleden zijn Anna Karenina las. Maar ook en telkens weer in al die jaren waarin ik eenzaam en geduldig in de werkkamer vertalend in gesprek was met Homeros en Pindaros, met de dichters van de Anthologia Graeca en het Pervigilium Veneris, met Ausonius en Sulpicius Severus, Benedictus van Nursia en Franciscus van Assisi, met Leonardo da Vinci en Pietro Aretino. Zij en nog anderen waren het die me steeds behoedden tegen de dictatuur van het onmiddellijke en actuele, maar me tegelijkertijd confronteerden met de vragen van het hic et nunc. In het licht van de klassieken wordt actualiteit achtergrondrumoer, maar speelt zij toch een bepalende rol in de manier waarop wij die klassieken lezen, d.w.z. interpreteren. Homeros’ Ilias klonk anders voor zijn toehoorders dan voor het publiek uit Euripides’ dagen en de negentiende eeuwse filoloog zal de moeder van alle oorlogen in dat epos anders hebben ervaren dan wij die gevoeliger zijn geworden voor de gruwel van de oorlog.

De gedachte van Calvino is van wezenlijk belang voor wie bezig is met literatuur als lezer of als schrijver. En dus ook als vertaler. Of bloemlezer. De wereld bekijk ik graag als een weefsel of vlechtwerk van teksten. Eigenlijk moet ik vanuit de ethymologie zeggen: een vlechtwerk van weefsels. En bij dat Latijnse texere, weven, vlechten, dat leidt tot een textus of een textum, ben ik als auteur, maar ook al evenzeer als lezer actief betrokken. Daarom zie ik ook geen sterke scheidingslijnen tussen wat ik als lezer doe, of als bloemlezer, of als vertaler, of als dichter. Wie leest, activeert een tekst en eigent zich die toe op een of andere manier. Wie de pretentie heeft bloemlezer te zijn, moet erg veel lezen in het veld waar de bloemen te vinden zijn. Wie vertaalt, leest en zoekt in een vreemde taal teksten die het verdienen omgezet te worden, en hij leest die heel minutieus. Een vertaler is een heel aandachtig lezer. En wie nieuwe teksten creëert als dichter of prozaïst, vlecht of weeft verder aan het grote netwerk van teksten dat al sinds eeuwen vóór hem of haar bestaat. Er ligt, denk ik, een grote eenheid, zeg maar verwevenheid, in die verschillende verhoudingen tot het geschreven woord.

Ook thematisch zie ik in mijn activiteit als auteur een continuüm. Als dichter greep ik tot dusver terug naar scharniermomenten uit onze westerse cultuur, die naast bijbelse en Grieks-Romeinse elementen getekend is door het christendom. Het vroegchristendom is aanwezig in de bundel Catacomben, de Late oudheid en Byzantium in de Ravenna-verzen en de middeleeuwen in De Speelman van Assisi. In bloemlezingen, waarin ook vertaalwerk schuilt, bracht ik ooit stukken uit de Griekse literatuur bijeen, gedichten rond de evangelies, literatoren over Toscane, reizigers naar Rome en amoureuze teksten over de Urbs. Namen van auteurs die in mijn vertaalwerk voorkomen, somde ik zo-even reeds op, maar de reeks loopt door tot vandaag, als ik denk aan Mario Luzi en de vorig jaar overleden grote Italiaanse dichteres met wie ik nu tussendoor bezig ben, Alda Merini.

Maakt een auteur zich dan niet schuldig aan hybris, wanneer hij zich als vertaler waagt aan grote namen of grote werken? Ja. Zonder meer, ja. Maar tegelijk mag hij zich niet laten misleiden door de aura die rond literatuur hangt. Classici in het bijzonder moeten zich daar echt voor hoeden, want nog steeds denken wij – of denkt men van ons – dat wij in onze vertrouwdheid met de taal van de oude Grieken en Romeinen voeling hebben met iets wat voor anderen afgesloten blijft. Maar, om die vertrouwdheid in twee richtingen ietwat te relativeren: ik vind de gemiddelde oud-Griekse lyricus niet interessanter dan de hedendaagse doorsneedichter en de juridische teksten waarmee Rome zo’n invloed uitoefende, staan tot mijn spijt ver van me af. Die ambivalente verhouding tot de antieken – respect voor dat erfgoed en de confrontatie ervan met het heden – is ook voor een vertaler van belang. Een voetstuk is in elk geval uit den boze.

In het immense prozawerk van Victor Hugo steekt er een klein, vermoedelijk fictief briefje aan een vertaler van Homeros. En daarin lezen we: ‘Onmogelijk het aantal pygmeeën te tellen [lees: vertalers] die telkens weer hebben geprobeerd de knots van Herakles [lees: de epen van Homeros] op te tillen. Geloof me, sluit je bij die dwergen niet aan. Jij hebt je vertaling nog in portefeuille, je mag van geluk spreken dat je op tijd bent om ze te verbranden. Een vertaling van Homeros in Franse verzen, dat is afschuwelijk en niet te rechtvaardigen, meneer – c’est monstrueux et insoutenable, monsieur.[2] Dat briefje kwam me gelukkig pas recent onder ogen, zodat ik me ongeremd en onbevangen toch aan Homeros’ Ilias heb gewaagd. Maar ik zeg wel degelijk gewaagd, want – nog eens – elke vertaler van klassieke werken in het algemeen en van het oudste werk van de Europese literatuur in het bijzonder maakt zich op een of andere manier schuldig aan hybris. Victor Hugo gaat evenwel veel verder en plaatst Homeros op een piëdestal, die hem ongenaakbaar maakt en al even onbereikbaar als de Olympische goden die door zijn Ilias en Odyssee huppelen.

De grote Argentijn Borges dient de Fransman in zijn essay Las versiones homéricas – De vertalingen van Homeros uit 1932 ongewild van repliek.[3] Hij maakt geen melding van dat briefje van Hugo, maar hij prijst er zichzelf zalig dat hij geen Grieks kent en dat hij Homeros kan benaderen via verschillende vertalingen. Voor de eigenzinnige lezer Borges is een tekst nooit af, dus ook niet de tekst van Homeros, die een nieuwe dynamiek kan vinden in tal van talen. Het begrip ‘definitieve tekst’ is iets voor de religie, zegt hij, of is het gevolg van sleet, vermoeidheid. Een vertaling van Homeros is dus niet monstrueus en onhoudbaar, zoals Hugo beweerde. Niets is onvertaalbaar. De enige moeilijkheid die zich bij die ontelbare vertalingen aandient is volgens Borges onderscheid weten te maken tussen wat eigen is aan de dichter en wat behoort tot de taal van de vertaler. Hij noemt dat een gelukkig probleem – dificuldad feliz. Of wij in ons taalgebied voor Homeros dat gelukkig probleem kennen, wordt het derde punt dat ik vandaag wil ontwikkelen. Ik wil eerst even vertellen hoe ik tot mijn vertaalwerk ben gekomen – een voor sommigen onder u bekend verhaal –, om dan in een tweede beweging een paar overwegingen te maken bij een paar vertaalde auteurs.

***

1.
Reflecteren over het eigen vertaalproces heeft niet alleen te maken met vertalen zelf. Aan het vertalen gaat een ontmoeting vooraf, een ontmoeting van tekst en vertaler. En die ontmoeting is ooit een moment geweest waarop het vertalen iets van mezelf werd, maar het werd ook een blijvende drang om steeds weer nieuwe teksten te verkennen. Langs de ene kant dus iets vrij anekdotisch, langs de andere kant iets heel dynamisch.

Schrijven, bloemlezen en vertalen hebben eigenlijk vrij laat in mijn leven een plaats gevonden. Toen ik veertig was, wist ik niet dat ik ooit nog vertalingen zou publiceren van teksten die ik al bijna twintig jaar in de klas las. Dat kan voor het jonge geweld vóór me alleen maar een stimulans zijn om te geloven dat in elk van ons een vertaler schuilt.

Ik heb me daarbij nooit veel methodologische vragen gesteld. Ik ben geen wetenschapper, ook geen vertaalwetenschapper. Het zal in deze tempel van de wetenschap wellicht brutaal klinken, maar had ik alles gelezen wat de Altertumswissenschaft over Pindaros heeft geschreven, dan zou ik hem nooit hebben vertaald. Had ik alles verwerkt wat de vertaalwetenschap publiceerde over het vertalen van poëzie in het algemeen en van Homeros in het bijzonder, dan was de nieuwe Ilias er niet en was ik nu niet bezig met de Odyssee. Let wel: ik buig voor de wetenschappelijke arbeid die voor mij veel pindarische en homerische problemen heeft opgelost, en in Utrecht heb ik vorige week tijdens de Literaire Vertaaldagen mooie dingen gehoord over het vertalen van poëzie. Een vertaler moet dus wel degelijk de weg kennen naar gespecialiseerde bibliotheken en die weg ook geregeld inslaan. Maar hij moet zich vooral vrij weten in het gesprek dat hij aangaat met zijn auteur en diens tekst.

Belangrijker in de aanloop naar het vertaalproces was de keuze van de teksten. Of beter: veel teksten kozen mij. Meer dan omwille van lacunes in het vertaalveld vertaalde ik omdat een paar dingen mij overvielen.

Pindaros. Rome, Via Torino, Rome-reis van de laatstejaars, eind jaren tachtig. Dicht bij de Opera loop ik even een Engelse boekhandel binnen en vind er tussen de koopjes voor een handvol (toen nog) lires de Penguin- vertaling van Bowra. ’s Avonds en tijdens de uren in de bus lees ik Pindaros. De man laat me niet los. Wat een wereld van gedachten en beelden! Wie een auteur vertaalt, moet op een of andere manier door hem bij zijn nekvel gepakt zijn. Vertalen met het hoofd, groeienderwijze strategieën uitstippelen, correcties inbouwen, tijd nemen – dat is allemaal belangrijk. Maar een man naar je hart (of, in het geval van de klassieken, een zeldzame vrouw), zo iemand vertaal je. Een beetje vertalen uit affiniteit dus.

Pervigilium Veneris. Najaar 1993 valt de mooie bloemlezing Op de snaren van Apollo van Patrick De Rynck op mijn werktafel. Ik had er een hymne van Ambrosius in vertaald en de Praefatio van Prudentius. Bladerend in het boek bots ik op het Pervigilium Veneris in een vertaling van Jan Prins uit 1945. Ik dacht aan mijn Leuvense jaren toen we ’s avonds in een leeskring onder meer het Pervigilium doornamen. Het refrein Cras amet qui numquam amavit… vulde later al het drukwerk van ons huwelijksfeest. Maar de gebloemleesde, lichtjes gedateerde Jan Prins schudde het Pervigilium in mij weer wakker. En ik begon te vertalen. Een beetje vertalen uit onvrede dus.

Ausonius. Een classicus komt wel eens in Trier. Op de tweejaarlijkse studiereis met de school naar Trier had ik al vaak gedacht aan de Mosella. Pindaros hield me wel voltijds bezig, maar ik stuitte bij de lectuur van de twee Loeb-deeltjes van Ausonius naast het Moezel-gedicht ook op Cupido cruciatus, een mooie intertextuele fantasie, die ik vertaald heb ter afwisseling met Pindaros. Maar De Moezel is blijven stromen en mondde finaal uit in een van de Amsterdamse grachten. Is het een functionele vertaling, omdat die nog nooit volledig in het Nederlands werd gebracht? Neen. Ik reis graag in het gezelschap van teksten. Mensen van vroeger hebben altijd wel iets te vertellen wat wij op dezelfde plaats niet zien of niet meer zien. Een beetje vertalen uit nieuwsgierigheid dus.

Deze drie anekdoten mogen duidelijk maken dat vertalen zich op een of andere manier aan me opdringt. Weliswaar gaat het daarbij bij voorkeur om nog nooit vertaalde teksten, maar vooral om teksten die me hebben aangegrepen door de vlucht van gedachten en beelden (Pindaros), die iets met mezelf te maken hebben (Pervigilium), die me op bepaalde plaatsen iets verduidelijkt hebben (Ausonius). De bron waaruit een vertaling ontspringt, groeit uit tot een bedding, waarin de vertaling verder gevoed wordt door datzelfde bronwater. Het gaat ermee zoals met de filosofie, die volgens Plato en Aristoteles begint bij de verwondering. Heidegger verklaarde die archè op een dubbele manier: verwondering is niet alleen het begin, maar ook het voortdurend heersende principe van de filosofische activiteit.

Zo verging het me, en latere contacten met in ons taalgebied vrij onbekende dingen hebben me vaak geappeleerd. Zo bracht in het huis waar wij in juli verblijven in de buurt van Arezzo de genius loci me ooit naar een nog nooit geopende kast met een paar honderd groene Paoline-deeltjes van de Italiaanse reeks Maestri. I grandi scrittori di tutti i tempi e di tutte le letterature. In die reeks uit de zestigerjaren van vorige eeuw één vertaald werk van bij ons: Lucifer van Vondel. Eén titel zou me blijven vergezellen, het nummer 25 in de reeks, Pensieri van Leonardo da Vinci, een heel minieme bloemlezing uit zijn werk. Ik wist van het bestaan van zijn talloze losse notities, maar voor het eerst kon ik hem lezen in het volgare. Zijn fabels en vooral zijn visionaire teksten lieten me nooit meer los. De studiolo in dat huis werd de spreekkamer van Leonardo. En toen ik twee jaar later in de Biblioteca Leonardiana in Vinci het oeuvre in zijn geheel ging verkennen, botste ik op de Apologhi centum van Leon Battista Alberti, honderd fabels van een andere uomo universale. En telkens weer gebeurt het wonder: een mens zet zich aan het lezen en als gevolg daarvan soms ook aan het vertalen. En daarop volgt nog een ander wonder: voor dat moois is er telkens ook nog een uitgever te vinden is. Dat geeft een paradijselijk gevoel.

Affiniteit met een auteur, onvrede met een oude vertaling, nieuwsgierigheid waren de drie aanleidingen voor mijn vertaalwerk. In de laatste jaren komt er al eens een vierde bij: de opdracht van een uitgever. Maar die opdracht moet dan wel in het verlengde liggen van mijn eigen verlangen. Over de vraag van mijn Amsterdamse uitgever om Homeros te vertalen heb ik om allerlei redenen geen ogenblik getwijfeld, maar beslissend bleef toch mijn vertrouwdheid met Homeros en vooral de echte goesting om zo’n auteur aan te pakken. Op de vraag van Lannoo om een nieuwe vertaling te brengen van de Regel van Benedictus, ben ik ingegaan bij wijze van engagement ten overstaan van een tekst die religieus, historisch en cultureel voor Europa ontzettend veel heeft betekend.

2.
Wat was dan, en ik kom tot mijn tweede punt, voor mij in die groeiende vertaalactiviteit het aspect dat het meest mijn aandacht gaande hield? Kort en krachtig gezegd: vertalen is voor mij in hoge mate een vormprobleem, bij poëzie zelfs haast exclusief. Bij elk tekst moet men zich uiteraard bewust zijn van de syntactische, semantische, contextuele elementen die problemen kunnen opleveren en na studie ervan moet men de inhoud exact weergeven. Een vertaler hoeft inhoudelijk niets nieuws te bedenken. Van writer’s block heeft hij dus eigenlijk geen last. Hij is de brug tussen auteur en lezer, tussen een andere taal en zijn moedertaal. En wat Sofokles, Dante, Shakespeare, Goethe, Rimbaud elk in hun taal verwoorden, zal de vertaler inhoudelijk exact weergeven. Op dat punt ben ik, wat ik soms noem, een maximaal vertaler. Ik wil vertalen wat er staat, niets meer, niets minder. Maar ik voel me niet gebonden aan de vorm die een Griekse of een Latijnse dichter of prozaïst hanteert. Een hexameter hoeft geen hexameter te worden, een distischon geen distichon, een jambe geen jambe, een volzin van Demosthenes of Cicero moet geen retorische volzin worden waarin men in mijn taal naar adem snakt of zelfs de logica niet meer kan volgen. Wij hebben niet dezelfde oren als de Grieken of de Romeinen.

Laat me dat even illustreren aan de hand van een paar voorbeelden. Een van de weinige fragmenten van Maecenas, de beschermheer van o.m. Vergilius en Horatius, is een gedichtje dat bewaard bleef in brief 101 van Seneca’s Epistulae morales ad Lucilium [CI, 11]. Hij was van moederszijde afkomstig uit een Etruskische familie en, zoals bekend, hielden de Etrusken van het leven. En de vitalist Maecenas heeft het geweten. Seneca drukt zijn afschuw uit voor wat hij noemt dat gebedel om leven. Later zullen Montaigne en de La Fontaine daar nog verder op broderen.

Debilem facito manu, debilem pede, coxa,
tuber adstrue gibberum, lubricos quate dentes:
vita dum superest, benest; hanc mihi, vel acuta
si sedeam cruce, sustine.

Als ik me niet vergis, hebben we hier te doen met drie en een half priapeïsche verzen, een van de tientallen versvormen uit het woud van de antieke metriek. Typografisch wordt de tekst soms opgesplitst en dat past perfect, want de priapeus is een combinatie van een glyconeus en een pherecrateus. En het laatste vers is een glyconeus. De kern van die verzen is telkens een choliambe (lang – kort – kort – lang) en die geeft enige vaart aan het vers. Alleen al die woorden schrikken ons wel af om er zelfs maar aan te denken die versvorm in het Nederlands weer te geven. Daar heeft geen enkele lezer een boodschap aan. Wat hier wel voelbaar vereist is, is een snel ritme dat tegelijk de inhoud ondersteunt: de vitalistische Maecenas die bereid is alle kwaad, kwaal en kwelling te doorstaan, als hij maar kan leven. Vandaar mijn vertaling in een jambische drievoet, die ik ooit maakte bij wijze van vrijblijvende Toscaanse zomergril in de buurt van Arezzo, de geboortestad van Maecenas.

Verlam mijn hand, verlam
mijn voet, mijn heup, sla bult
en bochel op mijn rug,
sla al mijn tanden uit:
als ik maar leven blijf
voel ik me goed. En laat
me leven, zelfs al voel
ik pijn als op het kruis.

De Oden van Pindaros heb ik vertaald in twee grote beurten en twee versies. Uit 1656 dateert de beruchte uitspraak van Abraham Cowley: als iemand Pindaros woord voor woord zou vertalen, dan zou men denken dat de ene gek de andere heeft vertaald. Ik voel mij tot nader order nog steeds gezond van geest. Van Pindaros zijn vijfenveertig zegezangen bewaard gebleven in vrijwel alle in verschillende versmaten. Voeg daarbij de gebalde zegging, zijn kunsttaal (waarin epische, Dorische en Aeolische dialectvormen en dito klanken samengaan), de afwisseling van korte en vaak erg lange bewegingen, de rijke metaforiek, zijn klankspel, woordspelingen, woord- volgorde en expressieve woordplaatsing. Met dat alles voor ogen is Pindaros vertalen een ernstige vorm van hybris.

Mijn vertalen was een virtueel maar intens gesprek met Pindaros en anderstalige vertalers. Vertalers geven dat laatste niet graag toe, maar bij mijn eerste worp lagen rond mijn brontekst steeds vier of vijf anderstalige versies. De zogenaamd moeilijke Pindaros dwingt de vertaler op tal van plaatsen tot contact met anderen: hoe hebben Savignac, Privitera, Lehnus of Lattimore dit probleem opgelost? Nederlandstalige versies van losse oden heb ik bij wijze van spreken in de kluis geborgen. Ik was er als de dood voor ook maar één versregel in het Nederlands te lezen, uit schrik in het vaarwater te blijven van een ander. Zolang het gesprek gevoerd wordt met andere taalidiomen werkt dat bevruchtend, maar het eigen idioom kan verlammend werken. Ik heb er vorige week op de Literaire Vertaaldagen in Utrecht voor gepleit in de vertaalopleidingen oefeningen op te geven aan de hand van meerdere anderstalige vertalingen van een tekst, proza of poëzie. Bij Homeros had ik zelfs het voordeel dat mijn keuze voor een jambisch vers alle Nederlandse vertalingen in theorie onverdacht maakte, want een jambisch metrum bepaalt eigenlijk ook de keuze van bepaalde woorden. Maar mijn virtueel gesprek met Vosmaer, Timmerman, Schwartz, de Roy van Zuydewijn bleef beperkt tot uitzonderlijke problemen van inhoudelijke aard. Fransen daarentegen en Italianen, Engelsen en Duitsers zaten bij bosjes aan de werktafel bij. De creatieve stimulans die van zo’n virtueel gesprek met anderstaligen uitgaat, is niet te onderschatten.

Een derde voorbeeld neem ik uit de mijn vertalingen van epigrammen uit de Anthologia Graeca, een verzameling van ruim vierduizend gedichtjes van tal van dichters en dichteressen uit vele eeuwen. Vertalen moet minstens een poging zijn om nieuwe, autonome poëzie te creëren. Voor de vertaling van de elegische disticha heb ik geen moeite gedaan om hexameter en pentameter in het Nederlands over te brengen. Technisch kan dat, maar een van de grootste nadelen van de vertaling in disticha is dat alle epigrammen op elkaar gaan lijken. Ondanks het stereotiep ogende Griekse dubbelvers hebben de vele tientallen dichters van de Anthologia Graeca allen een eigen stem door accenten in woordkeuze, versbouw, etc. Het behoud van de disticha in een vertaling zou dat koor van stemmen unisono doen klinken. Uiteraard blijft ook in vrije verzen de eenvormige stem van de vertaler onvermijdelijk meeklinken. Maar vrije verzen bieden via ritme, klank en woordplaatsing meer kans op diversificatie, waardoor men op het spoor kan komen van de stem van de dichter. Bovendien laat het vrije vers ook lexicaal gezien een maximale vertaling toe. Die optie impliceert dat het gedicht wat uit gaat deinen en dat er misschien tekort wordt gedaan aan de eis van de brevitas, de beknoptheid. Maar telt men in bijgaand voorbeeld het aantal woorden in brontekst en vertaling, dan zijn er respectievelijk 13 en 15. En blijft de vertaling dus quasi even brevis als het origineel.

âH Ùl¤gon tÒde s∞ma, tÚ d¢ kl°ow oÈranÒmkew toË polfront¤sto toËto Yãltow ̃r.

Klein is zijn graf,
maar zie:
hemelhoog reikt de roem
van de diepe denker
Thales. (Anonymus, Anthologia Graeca 7.84)

In de vertaling moest ik spelen met de antithesen van de anonieme dichter (klein en hemelhoog), maar ik kon er nog een tegenstelling aan toevoegen: na hemelhoog komt diepe denker. Er is het klankspel van de alliteraties en dankzij het vrije vers staat Thales in een expressieve eindpositie. Terecht, want op hem valt alle nadruk. Zo is elk epigram telkens weer een zoektocht naar het eigene van het gedicht.

Is een vertaler dan tevreden met zijn werk, eenmaal het in boekvorm vóór hem ligt? Ik moet bekennen dat ik weinig of geen werk van me herlees. Grote uitzondering was de Ilias, die ik deze zomer volledig heb herlezen om er metrische en andere foutjes in op te sporen in functie van een mogelijk luisterboek. Het volmaakte boek bestaat dus niet. Ik moet wel zeggen dat me soms al eens de zin bekroop om Pindaros opnieuw te vertalen, d.w.z erin te gaan schrappen. Alle woorden van Pindaros staan er, maar misschien staan er nog een paar te veel. Schrijven is schrappen, dus ook vertalen is schrappen. Of soms herschrijven, dus opnieuw vertalen. De eerste versie van mijn vertaling van het Cantico delle creature van Frans van Assisi staat als afsluitend gedicht in mijn dichtbundel De Speelman van Assisi uit 1994. Zoals alle gedichten in die bundel zijn ze vertaald in kwatrijnen met vijfvoetige jamben. Zeven jaar later vertaalde ik het cantico opnieuw voor een kalligrafisch Lannooboekje, maar in vrije verzen en met de vertrouwelijke jij-vorm in de aanspreking. En nu kies ik radicaal voor die versie: Frans van Assisi opent met zijn Cantico in vrije verzen alle bloemlezingen van de Italiaanse literatuur. De Umbrische zanger moet ook in onze taal vrijuit kunnen zingen. Maar ik moet wel zeggen dat ik heel veel materiaal uit mijn jambische versie heb kunnen gebruiken in de vrije verzen, waarvan het ritme door jambische brokken wordt ondersteund.

3.
Als derde beweging in mijn verhaal neem ik nu terug de vraag op waartoe Borges ons inspireerde. Zijn er in onze taal voldoende vertalingen van de Ilias, zodat we kunnen spreken van een gelukkig probleem (het woord van de Argentijn) dat ons Homeros vanuit verschillende hoeken laat benaderen? En ik koppel daaraan nog een reeks bedenkingen over de hexameter als vervolg op het vormprobleem dat ik in mijn tweede punt behandelde.

Voor een karakterisering van Homeros wordt nog geregeld gerefereerd aan een reeks lezingen van anderhalve eeuw geleden, waarin Matthew Arnold in Oxford een Homerosvertaling van Francis Newman met de grond gelijkmaakte, en na een wederwoord van de arme Newman in de boosheid bleef volharden. In zijn eerste lezing uit 1861 reikt Arnold wel een paar scherpe karakteristieken aan van Homeros’ poëzie. Hij wijst op de snelheid en het vloeiende karakter van de hexameter, op de helderheid en eenvoud van Homeros’ thematiek en ideeën, op dezelfde klare en ongekunstelde uitwerking ervan, d.w.z. qua syntaxis en woordkeuze, en ten slotte op de grootsheid die uit zijn werk spreekt. In zijn woorden: Homeros is eminently rapid, eminently plain en direct, eminently noble.[4] Ik vind die omschrijving nog steeds waardevol. Maar het waren blijkbaar elementen die Arnold onvoldoende terugvond in de ietwat letterlijke vertaling van Newman. Borges noemt deze beruchte discussie in zijn geciteerd essay uit 1932 hermosa, prachtig.[5] In de editie van Newman’s essays uit 1914 beslaat die woordenstrijd 180 pagina’s en ik vind die confrontatie eigenlijk al even pijnlijk als de gevechten in de Ilias. Hoe hebben Nederlandstaligen die vloeiende vlotheid, die helderheid en grootsheid weergegeven?

De geschiedenis van de Nederlandse vertalingen van de Ilias begint bij een Vlaming, Karel van Mander, die in Haarlem op basis van de Franse vertaling van Hugues Salel en Amadis Jamyn de eerste helft van het epos in rederijkersverzen omzette. Salel had de eerste elf zangen vertaald in vers communs, berijmde verzen van tien of elf lettergrepen. Van Mander vertaalde in hendekasyllaben, telverzen met elf lettergrepen. De jamben, die hij later zou gebruiken voor zijn Vergiliusvertalingen, waren op dat ogenblik nog niet aan de orde. Van Mander heeft evenwel slechts de helft van de Ilias vertaald. Wellicht heeft dat te maken met het feit dat de Franse vertaling door Jamyn vanaf zang 12 in alexandrijnen is gesteld. Die bemoeilijkten het werk van Van Mander omdat hij met zijn elf lettergrepen niet alles meer gezegd kreeg, wat hij tot voor kort wel kon met de elf zangen die Salel had omgezet. Bovendien bevatte de vertaling van Amadis Jamyn veel moeilijke en ingewikkelde wendingen die Van Mander voor extra vertaalproblemen plaatste. Gevolg was dat de man uit Meulebeke het halverwege beu werd. Het twaalfde boek boek laat hij volgen door een epigram:

Den blinden volgend’ int Ilions beleg,
Verdroot my den reys, op den halven weg.
(Terwijl ik de blinde – Homeros dus – volgde bij het beleg van Ilion – Troje dus -, werd de reis me halfverwege te veel.)

Van dan af is de geschiedenis van de Ilias-vertaling in ons taalgebied een Nederlands verhaal. Van Manders partiële vertaling verscheen postuum in 1611, en dat was de reden waarom Jan Hendrik Glazemaker in 1654 eerst de zangen 13-24 publiceerde en de eerste twaalf pas vier jaar later. Zijn prozavertaling, de eerste volledige in het Nederlands, is hoofdzakelijk gebaseerd op een Latijnse versie van de Ilias.

Anderhalve eeuw later brengt Koenraet Droste in 1719 een vertaling in berijmde alexandrijnen, en nog eens een eeuw verder doet Jan van ’s Gravenweert het zelfde in 1818-1819. Van ’s Gravenweert loopt niet hoog op met zijn voorgangers. In zijn voorwoord lezen we: “Doch bestaan er twee, wel is waar middelmatige, vertalingen der Ilias in onze taal: de eene van Van Mander, mij door den heer Bilderdijk aangewezen, de andere van Drosten (sic); maar beide zijn vergeten, en de eerste vooral strekt niet tot sieraad onzer Letterkunde…” En over zijn eigen vertaling schrijft hij: “De gewone maat, de Alexandrijnsche verzen, heb ik tot mijne vertaling verkozen, daar deze maat mij, in onze taal, de welluidendste voorkomt, en de proeven, welke men ons van Nederduitsche en zelfs Duitsche hexameters heeft willen geven, hoe verdienstelijk ook op zich zelve, hier te lande bij zeer weinigen bijval hebben gevonden, en niets dan de flauwste echo der oorspronkelijke Grieksche en Latijnsche welluidendheid schijnen te kunnen opleveren.[6] De discussie of men antieke epen al dan niet in de hexameters van Homeros en Vergilius moet omzetten, is dus een oude vraag. Bij de Duitse hexameters zal Van ’s Gravenweert hebben gedacht aan de vertaling van Johann Heinrich Voss uit 1793, die nu nog altijd herdrukken kent. Het is me wel onduidelijk wie Van ’s Gravenweert bedoeld kan hebben met die Nederduitsche hexameters. De Nederduitsche vertalingen van antieke epen gebeurden veelal in alexandrijnen: ik denk o.m. aan de Aeneïs-vertalingen van Joost van den Vondel (1660), Jacob Westerbaen (1662), Roelant van Engelen (ook 1662) en Dirck Donckers (1688), alle uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Met diezelfde alexandrijnen werkt Van ’s Gravenweert en ik moet zeggen dat zijn berijmde jambische zesvoeters nog steeds enige charme hebben. Ter ilustratie even de aanhef van de Ilias, het bekende mènin, aeide thea

Achilles’ wrok, een bron van eindeloos verdriet
Voor Hellas, o godin! zij de inhoud van uw lied;
Die wrok, die zulk een schaar te vroeg heeft neêrgezonden
Ten afgrond, en hun rif aan ́t voglenheir en honden

Ten prooi gaf. – Maar alzoo volbragt Jupijn zijn’ wil. –
Sinds de eerste vijandschap en ́t onverzoend geschil
Vorst Agamemnon, aan der helden spits verheven,

En Peleus dappren zoon tot twist heeft aangedreven.

Het rijm heeft steeds tot gevolg dat de vertaler niet alles in zijn verzen om kan zetten. Misschien is dat de reden geweest waarom Nederland bij vertalingen in versvorm nadien gekozen heeft voor de hexameter. De bekendste drie zijn: Carel Vosmaer (1880), Aegidius Willem Timmerman (1931) en Herbert Jan de Roy van Zuydewijn (1980, herziening 1993²). Daarbij wordt de allereerste vertaler in hexameter wel eens vergeten: Gerardus Dorn Seiffen (1855). In de twintigste eeuw zagen ook vier integrale vertalingen in proza het licht, waarvan die van Maximiliaan August Schwartz (1956) veruit de beste was en m.i. nog steeds leesbaar is.

Belangrijke partiële Iliasvertalingen zijn van de hand van Karel van de Woestijne, wiens prozabewerking uit 1909 zowel samenvattingen als vertalingen bevat, en van Pieter Cornelis Boutens, die in 1939 de eerste van veertien zangen in hexameters publiceerde. Maar Boutens’ verzen zijn enkel nog via een bijkomende vertaling te begrijpen. Wat Van de Woestijne betreft: het is misschien merkwaardig dat de dichter van de twee bundels Interludiën niet gekozen heeft voor dezelfde jambische pentameter die hij in die jaren in zijn epische gedichten gebruikte. Zijn prozavertaling heeft evenwel alles te maken met zijn Franse voorbeeld, L’Iliade van Maurice Croiset, bij wie hij meer aanleunt dan bij Homeros. Merkwaardig is wel wat de Latemse dichter in zijn inleiding schrijft over de eventuele optie van een hexametervertaling: ‘Want afgezien van het feit, dat het gezongene, althans in toon gedeclameerde vers der Hellenen, ook bij gelijke metrische bewerking, uit der aard verschilt van het Nederlandsche, gelezene, brengt de opgelegde versvorm, mogelijkheden meê die den te vertalen tekst noodzakelijk ten schade komen; terwijl overigens klank en rythmus in het proza kunnen behouden worden, ook buiten den strengen dwang der zes opeenvolgende daktulen.[7] Wellicht had Van de Woestijne hier Carel Vosmaer voor ogen.

Een paar vaststellingen uit wat voorafging:
1. Prozavertalingen van de Ilias zijn perfect mogelijk (cfr. Schwartz), want de Ilias is op de eerste plaats een verhaal en wellicht zou Homeros vandaag een grote prozaïst zijn geweest.
2. In Nederland bestaat er een hardnekkige hexametertraditie sinds zowat honderdvijftig jaar, waarin we ook literatoren als Vosmaer en Boutens aantreffen.
3. Tegelijk horen we bij Van ’s Gravenweert en Van de Woestijne met zowat honderd jaar verschil literaire bezwaren tegen het gebruik van de hexameter.
4. Als alternatief is er vanaf het begin de hendekasyllabe van Van Mander (alsnog geen jambisch metrum) en de berijmde Alexandrijnen, zesvoetige jamben met een duidelijke cesuur na de derde heffing, die ook voor de Aeneis-vertalingen werden gebruikt.

Maar vanwaar het belang dat Nederlandse vertalers altijd hebben gehecht aan de hexameter? Een hexameter in een moderne taal kan toch onmogelijk hetzelfde effect hebben als de Griekse waar de lengte van de klinker en de toonhoogte bepalend waren voor het ritme en de muzikaliteit. Een hedendaagse hexameter werkt met klemtonen, woordaccenten dus, maar dan loopt er iets grondigs verkeerd met dat metrum als men de antieke hexameter wil reproduceren. Bovendien wordt in een hexameter de syntaxis en woordorde vaak geweld aangedaan of zijn er storende afkappingstekens (’t voor het). Zoiets geeft geen hedendaagse indruk en poëzie is op dat punt toch erg veeleisend. Het verwondert me niet dat Schwartz in 1956, op het ogenblik dat in de poëzie de Vijftigers furore maken, een Iliasvertaling in proza brengt.

Maar vanwaar dan die grote status van de versmaat van het origineel? Vermoedelijk spelen hier twee elementen mee. Vooreerst de overtuiging dat er van de hexameter iets gedragens, iets plechtstatigs uitgaat dat perfect past bij de grootsheid van het epos. Ik denk aan de vierde kwaliteit die Matthew Arnold de vertalers van Homeros voor ogen hield: Homeros is eminently noble. Afgezien van het feit dat Homeros op tal van plaatsen ook erg prozaïsch overkomt en over triviale zaken heel gewone verzen componeert, blijft het voor mij de vraag of die hexameter voor de Grieken wel zo gedragen klonk. Erg muzikaal was hij, hij werd heel zangerig gebracht en liep vlot en vloeiend. Niet direct de toon waaruit gedragenheid klinkt. Natuurlijk klonk het epos groots, maar m.i. stak die grootsheid meer in het thema zelf en in de manier waarop Homeros zijn wereldbeeld vol helden en goden ontwikkelde. Ik denk daarbij aan de epitheta, de homerische vergelijkingen, de stereotiepe verzen, de indringende dialogen, de evocatie van de godenwereld. Grootsheid dus door de inhoud, stijl, beeldende kracht, woordkeuze, meer dan door het metrum, overigens vermoedelijk het enige metrum dat toen voorhanden was.

Een tweede reden waarom de hexameter zo hoog in aanzien stond en nog staat is het idee-fixe dat een vertaling van een antiek gedicht de antieke metra moet respecteren. Equivalent vertalen krijgt hier een sterk formeel karakter: een homerische hexameter blijft een hexameter. Ik wil even verder redeneren ex absurdo. Wie Homeros equivalent wil vertalen en o.m. opteert voor een hexameter, zou ook een kunsttaal moeten hanteren, iets als een mengeling van de taal en de woordenschat van Van Maerlant, Vondel en Gezelle. Want de taal van de homerische epen is een artificiële taal, waarin diverse Griekse dialecten meespelen uit de periode van de genese van het epos, de periode van de overlevering ervan en het moment van het vastleggen van de tekst. Voor Euripides uit de 5de eeuw moet Homeros uit de 8ste eeuw verouderd en vreemd hebben geklonken. Mijn bedenking over een Nederlandse kunsttaal is uiteraard absurd, maar een pleidooi voor een hexameter is dat eigenlijk ook. Voor wie vertalen wij? Voor een publiek dat die hexameter niet kent, maar wel gevoelig is voor wat de eigen taal vermag met metrum en ritme.

Want, om nog even bij dat equivalent vertalen te blijven, dat zoeken naar andere wegen dan die formele equivalentie, het moeizaam loskomen van de originele versvorm om in de eigen taal een nieuwe en eigen vorm uit te proberen, is de grote uitdaging voor wie vormvaste poëzie vertaalt. En dat is niet alleen zo voor de classicus die hexameters moet vertalen. Mutatis mutandis geldt dat voor elke vertaler van poëzie: hoe geef je een Italiaanse hendekasyllabe het best weer of een Franse alexandrijn of een Engels blank verse? Hij/zij moet zich vaak verzoenen met de onmogelijkheid identiek te vertalen als de verzen in de brontaal, maar precies daardoor krijgt hij hij zicht op iets nieuws. In zijn gebundelde essays over vertalen noemt Paul Ricoeur dat équivalence sans identité.[8] Vertalen is de eeuwige queeste naar een gelijkwaardigheid die nooit een volkomen gelijkheid kan inhouden. Daarom zal Homeros steeds opnieuw moeten worden vertaald, net zoals Borges vanuit zijn visie op vertaling ervoor pleitte. In de stelling van de Franse filosoof vind ik een argument om eindelijk eens af te stappen van die drang of die dwang om de hexameter te redden. Zoals men niet een woord vertaalt, maar wel de betekenis, zo moet men niet de vorm omzetten maar de geest ervan benaderen. Voor mij blijft de Nederlandse hexameter een curiosum, een versmaat voor wie houdt van erudiete ontspanning, een metrum dat slecht proza voortbrengt en de illusie wekt van een Griekse versvorm. Vertalen wordt dan een vorm van archeologie.

Anders dan de proza-, hexameter- en de alexandrijnen-vertalingen van de Ilias die ik zo-even vermelde, heb ik gekozen voor een vertaling in blanke verzen, rijmloze vijfvoetige jamben waarin ook een elfde lettergreep (vrouwelijke uitgang) voorkomt en waarin ruimte blijft voor antimetrie.

Mijn keuze voor verzen heeft te maken met het feit dat Homeros ondanks het verhalend karakter van het epos, toch een dichter blijft.
Dat ik voor voor jamben koos, werd ingegeven door de overweging dat het jambische ritme het dichtst bij onze natuurlijke gesproken taal ligt.
Met de jambische pentameter zoek ik dan weer bewust aansluiting bij een grote literaire traditie. Terwijl er in de Duitstalige poëzie sinds lang een autonome hexametrische traditie bestaat (de Messias van Klopstock, de epische poëzie van Goethe, etc.), bleven navolgingen daarvan in de Engelse en Franse literatuur en ook in de poëzie uit ons taalgebied zonder succes. Afgezien van Bilderdijk en Vosmaer, zijn er in ons taalgebied weinig of geen dichters die oorspronkelijke Nederlandse poëzie brengen in hexameters.

De intrede van de jambische pentameter in de Europese literatuur en in onze letterkunde is makkelijk te traceren. Bij zijn vertaling van het tweede en vierde boek van Vergilius’ Aeneis koos de Engelse dichter Surrey (eerste helft 16de eeuw) als eerste voor blanke verzen in plaats van de hexameter uit de brontekst. Vele Engelsen zouden hem volgen in hun oorspronkelijk werk: Milton in zijn Paradise Lost en Keats in zijn Hyperion. Het is die Hyperion die de jambische pentameter ook in ons taalgebied ingang zou doen vinden in epische gedichten. Warner Willem van Lennep vertaalde Keats’ gedicht en de Tachtigers namen het vers over, o.a. Emants (Lilith), Verwey (Persephone), Gorter (Mei) en Kloos (Okeanos). Later gebruikt Karel Van de Woestijne het, zoals reeds vermeld, in zijn epische Interludiën en Nijhoff in Awater. Bertus Aafjes doet hetzelfde in zijn bekorte hertaling van de Odyssee en Anton van Wilderode vertaalt de Aeneis van Vergilius in vijfvoetige jamben.

Zo origineel als sommige recensenten beweerden, is mijn keuze voor blanke verzen dus niet. Ik heb me ingeschakeld in een trend die al vierhonderd jaar voelbaar is. Het grote verschil met die andere West-Vlaming die zich aan de Ilias heeft gewaagd, is dat de reis me halverwege niet verveelde en dat ik den blinden in het beleg van Troje gevolgd ben tot hexameter 15.693. Ik moet wel bekennen dat ik een aantal keren over mijn versvoeten ben gestruikeld – bij een kritische revisie van de eerste druk vond ik wel eens een versvoet te weinig of te veel. Maar Horatius schreef in zijn Ars Poetica dat zelfs bonus dormitat Homerus, ook de goede Homeros dommelt wel eens in.[9] Als de grootmeester mag indommelen, dan mag een pygmee zich dat ook permitteren…

Mijn keuze voor de jambische pentameter is dus gebaseerd op argumenten van literair-historische én metrisch-technische aard. Mijn ontrouw aan de homerische hexameter maakt mijn vertaling wellicht tot een belle infidèle op het vlak van de vorm. Het is mijn overtuiging dat het vertalen van poëzie op veel vlakken een vorm van ontrouw is, maar dan wel een van creatieve aard. In het geval van de Ilias hoop ik dat Homeros in onze taal een nieuwe poëtische eigenheid heeft gekregen.

Die vijfvoetige jambe heb ik vroeger al gebruikt voor de vertaling van Ausonius’ Mosella. Maar ook in mijn eigen klassieke verzen in o.m. Catacomben, De Speelman van Assisi en Ravenna gebruikte ik die pentameter. Die vertrouwdheid met dat metrum heeft mijn keuze vergemakkelijkt, maar wel niet vanzelfsprekend gemaakt. Ik heb me een echte zoektocht opgelegd en de eerste verzen van de Ilias in zeven versies gegoten, soms tot 52 verzen ver: een prozaversie à la Schwartz, een in hexameters – jawel –, à la De Roy van Zuydewijn, drie versies met respectievelijk vijfvoetige jamben, zesvoetige jamben (alexandrijnen dus) en zevenvoetige jamben (à la Marietje d’Hane-Scheltema en zoals ik ooit zelf de Cupido Cruciatus van Ausonius vertaalde), een versie in vrije verzen en ten slotte een met zes ictussen (beklemtoonde lettergrepen) per vers. Ik moet zeggen dat ik van die laatste wel een en ander meer had verwacht, maar typografisch en dus visueel werd dat een onding (erg lange regels wisselden af met normale en heel korte). Een paar worpen heb ik aan mijn uitgever voorgelegd en ik was wat blij dat de toenmalige redacteur Jan Kuijper – die gelukkig ook een voortreffelijk dichter is – op mijn vijfvoeters viel. Voor de aardigheid bezorg ik een paar versies van de eerste twee verzen van de Ilias, waarbij de beklemtoonde lettergrepen onderlijnd staan.

μῆνιν ἄειδε θεὰ Πηληϊάδεω Ἀχιλῆος
οὐλομένην, ἣ μυρί᾽ Ἀχαιοῖς ἄλγε᾽ ἔθηκε…

1. Zevenvoetige jamben
Godin, bezing de wraaklust van Achilleus, zoon van Peleus. Verderfelijk was hij en bracht Achaiërs zeer veel leed.

2. Zesvoetige jamben
Godin, bezing de wrok van Atreus’ zoon Achilleus.
Verderfelijk bracht hij Achaiërs zeer veel leed.

3. Vijfvoetige jamben
Godin, bezing de wraaklust van Achilleus,
de zoon van Peleus. Dodelijk was hij
en bracht voor de Achaiërs zeer veel leed.

na een paar tussenstadia werd het uiteindelijk:
De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde

4. Vers met zes heffingen (woordaccenten)
De wrok van Achilleus, de zoon van Peleus, moet u bezingen, godin. Hij was dodelijk en bracht de Achaiërs ontzaglijk leed.

5. hexameter
Muze, zing van de wrok van Peleïde Achilleus,
dodelijk en voor Achaiërs bron van eindeloos lijden.

[gedateerd : 21.01.2007]

Naast die literair-historische, metrisch-technische en persoonsgebonden argumenten wil ik nog paar algemene bedenkingen en detailopmerkingen formuleren. In dat jambisch schema kon ik het verhaal van Homeros kwijt dat, zoals Matthew Arnold schreef, vloeiend klinkt, helder en klaar is en groots is. Wat ik denk over het mogelijk verband tussen die grootsheid en het metrum, heb ik zo-even al toegelicht. Jamben resulteren in elk geval in een vlot en vloeiend ritme en laten toe alles te verwerken wat Homeros gecomponeerd heeft. Ik zei het reeds: ik noem mezelf graag een maximaal vertaler: in mijn taal en met mijn woorden wil ik weergeven wat er staat, niets minder, niets meer. De beroemde Engelse vertalingen van George Chapman en Alexander Pope breiden uit omwille van de rijmende jamben, in hexametrische vertalingen valt geregeld iets weg of wordt er iets toegevoegd omwille van het stringente versschema. Het jambische schema vraagt minder stoplappen of weglatingen en laat een natuurlijke en heldere verwoording toe. Meer dan de hexameter staat het jambisch metrum voor transparantie. De vele eigennamen uit de Ilias laten zich makkelijk met hun woordaccent inpassen en ik verwijs graag naar het overzicht van Griekse en Trojaanse troepen uit de tweede zang, de fameuze catalogus, een leger van honderden namen verspreid over bijna vierhonderd verzen, maar die zich met enige herschikking eigenlijk makkelijk in de vijf jamben laten voegen en ook een foutloze lectuur garanderen. Met de jamben kon ik ook de archaïsch klinkende epitheta zoals de blankarmige Hera elimineren: Hera met de blanke armen. Of: hij sprak de gevleugelde woorden wordt bij mij hij gaf zijn woorden vleugels. Zelfs de homerische vergelijkingen lieten zich gedwee in een reeks jambische verzen gieten, waarbij de bekende scharnierwoorden zoals … zo ook … telkens in het begin van het vers komen te staan en de vergelijking afloopt op het einde van een vers. Ook de stereotiepe verzen, die soms ettelijke malen terugkeren en die een vertaler dus ook identiek moet vertalen, vielen veelal moeiteloos in het versschema.

Het is soms schrikken hoe een schitterend homerisch beeld verwatert of verdampt in vertalingen. Als Homeros iemand laat zeggen dat hij niet zal spreken of iemand het verwijt krijgt dat hij ongepaste taal gebruikt, dan duikt veel (vooral in de Odyssee) de metafoor op van de haag van tanden die gesloten blijft. De metafoor is als gevleugeld woord terug te vinden in Van Dale. Ik zet de vertalingen van Ilias 4.350 even op een rijtje en u kunt zelf vaststellen hoe er om metrische redenen of uit slordigheid gaten ontstaan in een haag, tot er geen haag meer is.

Ἀτρεΐδη ποῖόν σε ἔπος φύγεν ἕρκος ὀδόντων;

Bedwing een schimptaal, die uw lippen dwaas ontgaat
J. van ’s Gravenweert (1818, 18532) – alexandrijnen

Welk eene taal ontsnapte den wal uwer tanden, Atreïde!
C. Vosmaer (1880) – hexameter

Atreus’ zoon! welk een taal ontsnapte daar de rij uwer tanden!
W.G. van der Weerd (1904) – proza

Atreus’ zoon, hoe kunt gij zo’n woord aan de wal uwer tanden Laten ontsnappen!
A.W. Timmerman (1931) – hexameter

Zoon van Atreus, hoe komt zulk een woord u over de lippen!
M.A. Schwartz (1956) – proza

Atreus’ zoon, zei hij, hoe kunt ge zo’n woord in de mond nemen?
F. van Oldenburg Ermke (1959) – proza

Zoon van Atreus, [sprak Odysseus met een dreigende blik in zijn ogen:]
Hoe kan je dat zeggen?

J. van Gelder (1962) – proza

Atreus’ zoon, wat bezielt je om zoiets te durven beweren?
H.J. de Roy van Zuydewijn (1993) – hexameter

… Jij, zoon van Atreus
welk woord ontsnapt er aan je haag van tanden!
P. Lateur (2010) – jambische pentameter

***

Het kleed moet nieuw zijn, de inhoud blijven’, schreef de grote Duitse classicus Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff in 1891, ‘es bleibt die Seele, aber sie wechselt den Leib: die wahre Übersetzung ist Metempsychose.[10] Ik heb Homeros’ Ilias in een nieuw kleed gestoken, en heb daarbij hopelijk de inhoud en de ziel zo weinig mogelijk verraden. Maar ik zal me daarbij de vragen blijven stellen: is de ziel van Homeros inderdaad verhuisd naar een nieuw lichaam, werken onze jamben zoals ooit de Griekse hexameters, wek ik bij lezers van vandaag eenzelfde aandacht, hetzelfde genoegen, dezelfde emoties die Homeros gewekt heeft bij de toehoorders uit de 8ste eeuw of bij de lezers uit de dagen van Perikles drie eeuwen later?

Vertalen is bijna hetzelfde zeggen, zegt Umberto Eco. Het is de titel van een werk van hem uit 2003, Dire quasi la stessa cosa.[11] Dat quasi is van belang, dat bijna. Dat quasi moet we proberen zo klein mogelijk te houden. Bijna wil zeggen: de brontekst heel nabij komen. Bijna en nabij zijn voor vertalers belangrijke woordjes.

[1] Italo Calvino, Waarom lezen we de klassieken? In: Nexus, (2000)28, pp. 103-104. Cfr. ook: Italo Calvino, Waarom zou je de klassieken lezen, Atlas, Amsterdam, 2003.

[2] Victor Hugo, Oeuvres complètes. Nouvelle édition. Tome II, Bruxelles, 1837.

[3] Jorge Luís Borges, Las versiones Homéricas in Discusión (1932), Obras Completas, Buenos Aires, 1985.

[4] ‘[…] the translator of Homer should above all be penetrated by a sense of four qualities of his author:—that he is eminently rapid; that he is eminently plain and direct both in the evolution of his thought and in the expression of it, that is, both in his syntax and in his words; that he is eminently plain and direct in the substance of his thought, that is, in his matter and ideas; and finally, that he is eminently noble.‘ In: Matthew Arnold, Essays. Including Essays in Criticism 1865, On translating Homer (with F.W. Newman’s Reply) and five other Essays, London, 1914, p. 250.

[5] Jorge Luís Borges, Las versiones Homéricas in Discusión (1932), Obras Completas, Buenos Aires, 1985.

[6] De Ilias van Homerus. Naar het Grieksch in Nederduitsche verzen gevolgd door Mr. J. Van ’s Gravenweert, Haarlem, 1818, pp. 17 en 22.

[7] Homeros’ Ilias. Proza-bewerking door Karel v.d. Woestijne, Amsterdam, 1910.

[8] Paul Ricoeur, Sur la traduction, Paris, 2002.

[9] Horatius, Ars Poetica 359: indignor quandoque bonus dormitat Homerus – terwijl ik boos ben als de goede Homerus slaapt. (vert. Piet Schrijvers, 2003)

[10] Ulrich van Wilamowitz-Moellendorff, Was ist übersetzen? In: H.J. Störig (red.), Das Problem des übersetzens (Wege der Forschung, Band 8), Darmstadt, 1963.

[11] Umberto Eco, Dire quasi la stessa cosa. Esperienze di traduzione, Milano, 2003.