Onder vertalers van de Regel van Benedictus

In De Kovel, monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland publiceerde Dirk Hanssens osb een transcriptie van het gesprek dat hij modereerde tussen classici Patrick Lateur en Vincent Hunink, beiden vertalers van de Regel van Benedictus. Je kan de tekst hieronder lezen.

Tweespraak – onder vertalers van de Regel van Benedictus

Patrick Lateur over gloednieuw en Vincent Hunink over nieuw vertaalwerk

Dirk Hanssens osb
verschenen in: De Kovel, (2010)3, pp. 67-78.

Onlangs verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling van de Regel van Benedictus. Patrick Lateur leunde zo goed mogelijk aan bij de brontekst en trachtte in het Nederlands de kleur en de tonaliteit van het origineel te bewaren. Daarom werd ook de Latijnse tekst afgedrukt, samen met twee essays van de hand van Benoît Standaert osb en Wil Derkse. Was er nood aan een nieuwe vertaling? Tien jaar geleden kwam er immers ook al een vertaling van de Regel op de markt: die van Vincent Hunink. Of is vertalen en vertalen twee? Lateur en Hunink ontweken de vraag deskundig en maakten tijdens een gemodereerde samenspraak alvast duidelijk dat lezen en lezen twee moet zijn. En beleven van een orde die niet meetbaar is.

Twee classici rond de gesprekstafel, twee gedreven vertalers van de Regel van Benedictus. De vertaling van Vincent Hunink is al een tijdje uit. Hij dateert van 2000. Kan men stellen dat u met die vertaling het werk van pater Frans Vromen van zijn voetstuk stootte?

Vincent Hunink: Dat was niet de bedoeling en ik heb ook de indruk dat zoiets niet gebeurd is. De vertaling van Frans Vromen is tot op de dag van vandaag in veel kloosters de meest gebruikte vertaling, naast die van Michel Coune. Vertel me eens in welk klooster mijn vertaling wordt voorgelezen. Er is er geen. En dat is ook niet verwonderlijk. Ik had een andere doelgroep voor ogen. Niet de conventionele lezers van deze tekst. Mijn intentie bestond erin de Regel ook buiten monastieke kringen te doen lezen, bij mensen voor wie de naam van Benedictus zeker iets zegt maar niet als schrijver van het gave document dat de Regel is. Voor die modale lezer is een handzame uitgave van de Regel nodig, een ‘normale’ vertaling die in een sluimerende nood voorziet. Merkt een classicus iets van die nood, dan is er niet veel meer nodig om hem aan het werk te zetten.

Minstens een uitgever die er ook iets in ziet.

VH: Dat was in mijn geval het heikele punt. Het valt niet mee een uitgever van het belang van de uitgave van een uitgesproken christelijke tekst te overtuigen. Wil de uitgever de beslissing nemen om een project te ondersteunen dat hij op het eerste gezicht als niets anders dan een bevlogenheid rond een tweederangstekst kan bestempelen, dan moet je hem kunnen aantonen dat er wel degelijk iets speciaals aan de hand is met dat document van eeuwen her. Je moet met andere woorden het natuurlijke – zeg maar: commerciële – denken van de redacteuren van een – in mijn geval: literaire – uitgeverij proberen te bespelen. Ik denk dat Patrick het op dit vlak wel gemakkelijker gehad heeft.

Patrick Lateur: Ja, mijn vertaling is er gekomen in opdracht van Lannoo, het huis waarvoor ik eerder al de Vita Martini van Sulpicius Severus en het Cantico delle Creature van Franciscus van Assisi mocht vertalen. In het religieuze fonds van Lannoo, dat bulkt van de benedictijnse literatuur, ontbrak nog een vertaling van de tekst die de basis vormt voor hedendaagse beschouwingen over de monastieke spiritualiteit. Wat Anselm Grün schrijft over het innerlijk leven waarnaar blijkbaar een onstilbare honger uitgaat, wat Wil Derkse en Benoît Standaert aan wijsheid aanreiken voor drukbezette mensen die de sintels van een oprecht verlangen naar duurzaam geluk niet willen laten uitdoven, wat abtprimaat Notker Wolf ons vertelt over de opdracht van de Europeaan in het werelddorp van vandaag – dat zijn stuk voor stuk de vruchten van een tere plant die gedijt op het substraat van de Regel van Benedictus. De auteurs die ik vernoem, verhelen dat niet. De expliciete en impliciete verwijzingen naar pas- sages uit de Regel vormen het geraamte van hun geschriften. Dat Lannoo dat ‘skelet’ – die sleuteltekst – ook in zijn fonds wil hebben, spreekt voor zich. Maar laat ik ook duidelijk zijn: ik had de opdracht niet kunnen aanvaarden als ik niet zelf eerst gegrepen zou zijn door die Regel van Benedictus. In die zin is hier sprake van meer dan een zakelijke opdracht alleen.

© foto: Levi Corthauts
© foto: Levi Corthauts

U was dus al op een natuurlijke wijze in contact gekomen met de Regel van Benedictus? Was het de classicus in u die iets zag in die Latijnse tekst?

PL: Euhm… ja. Hoewel… die andere liefde…

VH: Patrick, u schaamt er zich toch niet voor om toe te geven dat u classicus bent? De Regel van Benedictus is zestien eeuwen oud, geschreven in Latijn. Dus gewoon de benadering waard die andere teksten van zestien, zeventien, achttien of meer eeuwen oud te beurt vallen. Als classicus moet je die Regel ook en vooral op formele gronden beoordelen. Hij is gewoon een deel van het Latijnse patrimonium en verdient een plaats tussen de andere Latijnse literatuur. De Regel heeft – sinds ik hem toevallig ontdekte – jarenlang als een klassieke tekst tussen mijn potentiële ‘opdrachten’ of mezelf opgelegde taken ge oreerd. Zo gaat dat ook met andere klassieke auteurs waarvan ik nu en dan een passage lees, totdat het werkelijk, soms na ettelijke jaren, tot een integrale vertaling komt. De Regel is een een groot werk uit de literatuur, in belang vergelijkbaar met teksten van Cicero en Vergilius. Daar moet je zorgvuldig mee omgaan, het is kostbaar en onvervangbaar materiaal.

PL: Die Regel is niet van een kwaliteit die echt bovendrijft. Ik schat hem literair niet zo hoog in. Naar taalkundige normen zou ik de Regel zelfs niet klassiek durven noemen. Het Latijn van Cicero vind je daar niet in terug. De grammatica wordt er nogal eens geweld aangedaan. Althans, dat is de bevinding van wie de syntaxis van Vergilius op prijs stelt. Eigenlijk kun je ook niet spreken van een weloverdachte compositie. Zo eindigt hoofdstuk 66 met Benedictus’ verlangen dat deze Regel wordt voorgelezen (RB 66,8), zoals ook de Regel van de Meester eindigt. Je zou dus denken dat de capita over broeders op reis en over de onderlinge verhoudingen een vervolg zijn dat op het schrijftablet van een deutero-Benedictus ontstond. Quod non, want hoofdstukken 72 en 73 lijken dan weer een epiloog die de Regel completeert in de geest van de proloog. Alles wat tussen proloog en epiloog ligt, oogt overigens als een losse opsomming van praktische regelingen, wel voorafgegaan door het kapittel over de abt en dat over de raad en door de hoofdstukken over de kernspiritualiteit (met onder meer het fameuze hoofdstuk over de nederigheid). Nee, als ik kritisch moet zijn, dan kan ik de Regel geen stilistisch meesterwerk noemen.
Maar de Regel is dan wel weer een klassieker voor wie bedenkt dat hij doorheen de eeuwen mensen heeft gevormd en gedreven. Hij is niet onderhevig aan de grillen van de tijd, hij is in staat de tijd van mensen te richten omdat hij er boven staat. ‘Klassiek’ staat hier gelijk met ‘tijdloos’. En, geruststellend: de Regel is ook getoetst door de tijd. Niemand zal loochenen dat dit historisch document een enorme impact heeft gehad op het religieuze leven van Europa.

Dat zegt u omdat u ook de buitenliteraire aspecten van de Regel kent: alles wat men achteraf kan duiden als de benedictijnse spiritualiteit. Behoorde de lectuur van werken die duiding geven ook bij de voorbereiding van uw vertaalproject? Kende u het achtdelige werk van Adelbert de Vogüé, de analytische commentaar van de Regel, toen u aan het vertalen ging?

PL: Ja, ja… gelezen van voren naar achteren en van achteren naar voren. (lacht) Natuurlijk niet! Dat onderzoek van de Vogüé, die supergedetailleerde bronnenexplo, is gewoonweg indrukwekkend. Ik heb deel 1 en deel 2 van dat schitterende werk van de Franse monnik gebruikt voor mijn brontekst en voor de Bijbelreferenties. De andere delen bij twijfels. Als instap én begeleiding voor de vertaling van de Regel – die toch ook kennisname van de spirituele beleving van het document vereist – is die lectuur niet overbodig. Een paar algemene werken zijn gewoon nuttig voor de vertaler die altijd wel een geestelijk opstapje kan gebruiken. In geval van een ‘crux’, een vertaalprobleem, kan het handig zijn als je bijvoorbeeld dat andere commentaar, het meer algemene van Bertrand Rollin, bij de hand hebt. Daarin kom je de echte geest van de Regel op het spoor, zodat je er niet meer over twijfelt dat de term ‘stablitas’, die toch vijf, zes keer voorkomt in de Regel, het beste wordt vertaald met de omschrijving ‘duurzame verbintenis’: een woordkeuze waarmee je de echte monnik meteen afzondert van de meest verwerpelijke soort die Benedicus de ‘gyrovagi’ of de ‘semper vagi et numquam stabiles’ noemt. Stuit je op een woord van materiële orde, zoals ‘cellararius’, dan kan de commentaar van De Vogüé je op de idee brengen van een idiomatische overzetting (actualisering) als ‘huismeester’ of zelfs ‘econoom’.
BenedictusMaar vertalen is één, verklaren is twee. Een vertaler probeert zo getrouw en zo leesbaar als mogelijk, weer te geven wat een auteur ooit heeft geschreven. Hij doet dat met woorden en wendingen van vandaag, waarvan hij denkt dat zij zowel semantisch als stilistisch het origineel benaderen. Een vertaler hoeft niet te verklaren – uitzonderlijk kan hij wel eens interpreterend vertalen. Toelichten en promoten is de taak van de geestelijke leiders, mensen zoals Thomas Merton, André Louf, Anselm Grün, Wil Derkse, en vele anderen, onder meer ook de redacteurs van monastieke tijdschriften. Een vertaler mag zich niet laten verdrukken of zich laten overladen met commentaren. Als ik alles had gelezen wat er aan commentaren of discussies rond Homeros’ Ilias werd geschreven, dan was ik nooit aan de vertaling van de Ilias toe gekomen.
Ik vind het wetenschappelijk onderzoek bijzonder waardevol. Maar vertalen is geen wetenschap.

VH: Daar ben ik het niet mee eens.

Vreemd dat ú dat zegt. Uw vertaling oogt juist minst wetenschappelijk: er zijn weinig voetnoten en de inleiding – eigenlijk een informatief nawoord – is heel beknopt. Verder presenteert u de tekst zonder aanduiding van versregels die de brontekst wel heeft. Het zijn zaken die doen vermoeden dat u voorstander bent van een benadering van de Regel als literair document.

VH: Wetenschappelijkheid kun je niet afmeten aan de ‘vorm’ van de vertaling. Het is niet door de keuze voor een bepaalde structuur of de opname van veel voetnoten dat een tekst, in casu een vertaling, opeens wetenschappelijk kan worden genoemd. De Regel van Benedictus hoeft volgens mij geen ellenlange reeks van verwijzingen. Ik heb de Regel zo vertaald dat hij toegankelijk is voor iedereen. Maar is die vertaling daarom onwetenschappelijk? Het wetenschappelijk karakter zit voornamelijk in de gehanteerde methodiek, in de keuzes die je maakt en uiteraard ook in het feit dat je je baseert op literatuur terzake.
Het klopt dat ik de Regel in een doorlopende tekst giet. Mijn intentie bestond erin een tekst te maken die weer gelezen wordt. De inleving wil ik aan de lezer overlaten. Komt die inleving er niet, of slechts moeizaam, dan zegt dat veel over de kwaliteit van de tekst of de bekwaamheid van de vertaler. Een goede tekst heeft geen directe duiding nodig. En de kunst van de vertaler bestaat erin de tekst zo te vertalen dat de lezer geen moeite heeft met de keuze van de vertaler. De woorden moet hij terug vinden in zijn eigen woordenschat en niet in de voetnoten of de bijlage.

PL: Ok, dan heb ik ook wetenschappelijk werk verricht. Een en ander oogt zelfs heel wetenschappelijk – zoals dat uitgebreide register achterin – maar gelukkig is het aantal voetnoten toch beperkt gebleven. Helemaal zonder kon ik echter niet. Net zoals Vincent niet zonder een lijst kon waarin kort een aantal begrippen staat uitgelegd.

De term ‘senpect’ bijvoorbeeld: de medebroeder die een gestrafte monnik moet bemoedigen opdat hij niet bezwijkt.

VH: Ja, zo’n woord kun je niet vertalen. Het staat niet eens in een Latijns woordenboek. Elk Nederlands equivalent – bemiddelaar, trooster, … – doet onrecht aan wat Benedictus bedoelt. Ik geloof dat ik het Latijnse woord heb laten staan in de tekst en dan toch in een voetnootje een kleine uitleg heb aangeboden. Achteraf gezien was zelfs dat laatste niet nodig. Benedictus verklaart het woord min of meer zelf in het vervolg van zijn richtlijn. Geheel anders is het met die inhoudsmaat in het hoofdstuk over het gebruik van wijn. Niemand weet hoeveel centiliter een ‘eminam’ bevat. En toch kun je dat Latijnse woord niet laten staan…

PL: Een halve es! En in een voetnoot de benaderende cijfers van inhoudsmaat. Een gissing.

VH: Daar kun je nooit echt fout mee zijn. Er zijn grote essen en kleine essen. Voor mijn part ging het om een halve liter. Zoiets. Hadden we die eenhoudsmaat dan toch onvertaald moeten laten?

Heren! Latijn of Nederlands, dat zijn technische kwesties.

VH: Toch niet. Neem nu die psalmcitaten die ik in het Latijn liet staan. “Wat moeten die Latijnse zinnen in een Nederlandse vertaling?” zuchtte de uitgever. Toch vond ik ze mooi in die monastieke context. In het Latijn hebben ze een soort ‘formulekracht’. Het gaat bovendien om citaten die ook hun rol spelen in gregoriaanse diensten. Een enkeling zal beweren dat ik daarmee een onmodieus aspect weer op een modieuze manier heb voorgesteld. Maar daar was het mij helemaal niet om te doen. Wat een monnik bidt is altijd een beetje onnaspeurbaar, ook voor hemzelf. Door frasen uit zijn gebed in het Latijn te laten staan, onderstreep je dat.

PL: Dat raakt aan de liefde waarover ik het daarnet al wilde hebben. De coup de foudre was er al vroeg. Als negentienjarige verbleef ik een paar dagen op de Catsberg, waar dom André Louf abt was. Daar hoorde ik de Regel voor het eerst voorlezen. Uitdagende, weerbarstige tekst: nederigheid, onderdanigheid, sanc- ties. Daartegenover de stille trappisten, minzaam en vriendelijk, gedisciplineerd, verstild, biddend en werkend zoals het Godzoekers past. Die indruk is me bijgebleven. De Regel bleef me achtervolgen. Ik kocht hem vijf jaar later in het Italiaans op Montecassino. Op reizen door Frankrijk en Italië heb ik abdijen opgezocht. Oases en rustpunten die nawerken in mijn leven. Of het nu om het Provençaalse Senanque ging of het Toscaanse Camaldoli: steeds die continuïteit, het onafgebroken zoeken naar God. Dat moet toch in die Regel zitten, denk je dan – iets dat niet gebruuskeerd mag worden. En daarom heb ik me vrij streng aan de woorden van Benedictus gehouden. Het Latijn krijgt in het woordenboek of bij enig nadenken voldoende Nederlandse equivalenten mee om de benedictijnse nuance getrouw weer te geven. Zo kun je ‘timor Dei’ beter niet vertalen met ‘vreze Gods’, maar met ‘ontzag voor God’.

Lateur KovelAls Europa Bijbelse, Griekse en Romeinse wortels heeft, dan heeft Benedictus ertoe bijgedragen die wortelgrond te voeden. De Bijbelse bewogenheid spreekt uit Benedictus’ grote aandacht voor de getijden en de lectio divina. Met de Grieken heeft Benedictus de zin voor waarheid en schoonheid gemeen: de aandacht voor de studie, de zorg bij het psalmodiëren… Met de Romeinse geest heeft hij het organisatorische en zakelijke gemeen: de Regel is een voorbeeld van management avant la lettre. De combinatie van dat alles resulteert in een nieuw samenlevingsmodel gesteund op wederzijds respect en liefde voor elkaar, onder de leiding van een abt, binnen de beslotenheid van een abdij, waar elke monnik afzonderlijk en de communauteit als geheel op zoek gaan naar God. — Patrick Lateur

Kan een vrije vertaling ook geen uiting zijn van grotere trouw aan de inspiratie van de grondtekst?

VH: Dat is mooi paradoxaal uitgedrukt. Trouw heeft veel te maken met liefde voor de context. Het is juist die liefde die de vertaler aanzet om er mee door te gaan. En liefde kan dan weer niet zonder vrijheid. Dus, het klopt wat u zegt: een iets vrijere vertaling kan een uiting zijn van grote trouw aan de grondinspiratie. Ik heb daarbij steeds geprobeerd om Nederlands te kiezen dat aanspreekbaar is, niet dat het daarom allemaal gemakkelijk moet zijn, maar je moet het wel kunnen begrijpen wat daar staat. In de betrachting om het oude in de oren van moderne lezers een frisse kracht te geven, kun je natuurlijk ook te ver gaan. Dat overkwam mij toen ik mordicus probeerde het woord ‘nederigheid’ te vermijden, omdat het zo beladen is, zo haaks staat op de hedendaagse mentaliteit. Ik had de term graag vervangen door een ander woord. Maar niets voldeed en juist dat stemde me… nederig! Ik heb er me bij neergelegd, bij de keuze voor het woord ‘nederigheid’.

PL: Och, als iets te geladen klinkt in de oren van de modale mens, dan is de vraag aan de orde of we de attitude waar het woord op duidt niet zijn kwijtgespeeld. Dan is het goed dat onsympathieke woord juist wel te gebruiken. Zo ga ik ook het woord ‘boete’ – nog zoiets dat er tegenwoordig moeilijk ingaat – niet vervangen door het woord ‘herstel’, ook al is dat de grondbetekenis ervan (nvdr: ‘boete’ komt van het werkwoord ‘boeten’ dat ook gebruikt wordt voor het werk dat een visser verricht als hij netten herstelt). Misschien moeten we sommige woorden die tot het theologische taalspel zijn gaan behoren en die zelfs voor mensen zonder veel geloofsachtergrond al iets oproepen, weer gaan redden. Bij de vertaling van die onpopulaire begrippen heb ik me dus niet gehinderd geweten.

VH: Ik weet niet of het de taak is van de vertaler om woorden te redden. Maar ik ga wel akkoord met de keuze voor terughoudendheid als je merkt teveel te ‘verliezen’ van de onuitgesproken inhoud van de term. Zo gaat inderdaad het begrip ‘nederigheid’ veel verder dan wat we met de letterlijke vertaling van de Latijnse term ‘humilitas’ kunnen oproepen, veel verder dan ‘down to earth’ of welke psychologiserende minimalisering ook. In dat zevende hoofdstuk over de nederigheid is sprake van ontlediging. Die twaalf trappen van nederigheid zijn een scholing in de imitatio Christi die het kruis niet schuwt. Maar dat neemt niet weg dat ik dat ijzersterke kapittel ook het meest afschuwelijke deel van de Regel vind. Het moeilijkste.

Omwille van dat christocentrische karakter?

PL: Ja, voor mij is dat ook het geheim van de schoonheid van andere kapittels die minder tegen de borst stuiten. Dat hoofdstuk over de gastvrijheid bijvoorbeeld. Benedictus maant er de monniken aan om een gast te ontvangen als was hij Christus zelf. Het staat er letterlijk.

VH: Die passage is van een bekoorlijkheid die niet gezocht hoeft te worden op hoog theologisch plan. Ik ben blij dat je zegt: het staat er letterlijk. Hier komt de vertaler niet in de verleiding om te theologiseren. Dat laatste is overigens iets wat een vertaler nooit mag doen. De tekst moet toegankelijk blijven voor iedereen. Je kunt dus maar beter de zakelijke toonaard van Benedictus respecteren. Elders overheerst die zelfs. Die praktische kant van de Regel sprak me trouwens wel aan. Bijvoorbeeld: hoe moet de keukenbroeder handelen, hoeveel wijn mag je drinken?

HuninkEen wonderlijke tekst blijft het, die Regel van Benedictus. Geschreven als ‘gebruikstekst’, voor een speci ek doel van groepen mensen uit de zesde eeuw. Pretentieloos, eigenlijk, en in elk geval nooit bedoeld voor de eeuwigheid. Maar juist deze tijdgebonden tekst weet alle eeuwen gemakkelijk te overbruggen. Hij kan ook mensen van nu nog aanspreken, zelfs al hebben zij weinig of niets met het christendom. Oude wijsheid zit erin, diep menselijke inzichten. Dat regelmaat vrijheid geeft, bijvoorbeeld, of dat ook de kleinste en onaanzienlijkste taak de volle aandacht verdient. En wie wil kan de Regel postmodern lezen: in fragmenten. De tekst blijft altijd werken. — Vincent Hunink

Zakelijk kan ook sec zijn. Er zitten overigens veel saaie hoofdstukjes in de Regel. Die waarin de structuur en de inhoud van het getijdengebed wordt ontvouwd. Blij als zulke kapittels achter de rug zijn bij het vertalen?

PL: Vreemd genoeg niet. Enerzijds is er het relatieve gemak waarmee je dergelijke stukken vertaalt. Anderzijds wekken die getijdenroosters met haast mathematische opsommingen van psalmen en hymnen toch bewondering. Het feit dat

Benedictus zo uitvoerig en systematisch ingaat op structuur en invulling van wat hij het “opus Dei” noemt, zegt veel over de core-business van de monnik. Dat gedeelte is voor een buitenstaander als ik dus eigenlijk niet saai, maar ik kan me inbeelden dat bij de dagelijkse refterlectuur van de Regel zo’n passages weinig inspirerend werken. Benedictus legt een kader aan en dat is niet alleen droge structuur. Er is ook inhoud. De dringende aanbeveling om te leven op het ritme van de psalmen is de inhoud. En dat is heel essentieel, even belangrijk als wat er te leren valt uit andere, meer begeesterende, hoofdstukken als die over gastvrijheid of het onderhouden van de vasten.
Ik was een paar dagen te gast in de abdij van Vaals. Daar heb ik de zeven momenten van gebed meegemaakt. Op vier dagen tijd heb ik tachtig psalmen zien voorbijgaan. Er ging ruimte voor mij open. Tussen die gebedsmomenten werd de tijd om te werken zeer intens. Dat systeem van ‘ora et labora’ verschaft energie. Ik heb daar dus ontzettend veel gewerkt aan mijn vertaling. Het regime van de monniken heeft me ook veel geholpen om enkele dingen beter te begrijpen. En het bezorgde me een onvergetelijke indruk: in de abdijkerk heb ik de dag zien groeien in de morgenstond.

VH: Saai kan ik die passages over het getijdengebed ook niet noemen. Het vertalen ervan is inderdaad geen moeilijke klus. Maar wat ik zeer leuk vond is dat op het einde van die passages Benedictus kwijt wil dat je gerust een andere indeling mag maken als je zijn voorstel niet goed vind. Toen dacht ik: ‘Ha, zo werkt het dus in die Regel. Het gaat niet om concrete regels, het gaat om de structuur in je leven en die kan op verschillende manieren.’ Toen ik dat doorhad, keek ik ook heel anders naar die andere hoofdstukken. Naar de strafcodex bijvoorbeeld. Wedden dat Benedictus het goed vindt als je alternatieve straffen bedenkt! Ja, die passages over het getijdengebed hebben een bevrijdend effect, ze zorgen voor een beter begrip van de hele Regel, een mentale klik. De tekst ging uiteindelijk helemaal open voor mij. De Regel is een gesprekspartner geworden, geen wetboek.

Over gesprekspartners gesproken. Stelden jullie suggesties van kritische meelezers op prijs?

VH: Bij het zoeken naar feedback mag de vertaler nooit overdrijven. Een vertaalproject met veel meelezers wordt snel een circus. Ik hecht vooral belang aan het woord van een door mijzelf uitgenodigde externe deskundige.

PL: Een vertaler is sowieso eenzaam. Hij heeft er zelf voor gekozen om een brontekst als eerste (eerbied vergende) gesprekspartner te beschouwen. De vertaler moet delven en graven, zich ingraven in de tekst. Daarvoor moet hij eigen interpretaties aan de kant schuiven. Vertalen is eigenlijk een vorm van de door Benedictus zo gewaardeerde deemoed: buigen voor de brontekst en die in alle eenvoud proberen zo goed mogelijk weer te geven. Wat ik wel doe: het virtuele gesprek aangaan met anderstalige vertalers van dezelfde klassieke tekst. Ik had altijd een hele reeks Franse, Duitse, Engelse en Italiaanse vertalingen van de tekst waarmee ik bezig was voor ogen. Soms werkt het verfrissend om te zien hoe men in een andere taal een Latijnse ‘hobbel’ overwint.
Maar een echte meelezer in die specifeke materie van de Regel is een godsgeschenk. Pater Benoît Standaert, de schrijver van het Alfabet van een monnik, bezorgde me tal van suggesties en correcties waarvan ik dankbaar gebruik maakte. Maar ik was evenzeer blij toen hij bijvoorbeeld mijn vertaling van de term ‘monasterium’ in ‘abdij’ wist te waarderen. Het woord ‘abdij’ – toch een term die gemeengoed geworden is in de wereld van benedictijnen, cisterciënzers en trappisten – gebruik ik voor het hele domein: het gebouwencomplex, het gastenverblijf, de werkplaatsen, de tuin en de landerijen. Het woord ‘klooster’ behield ik voor wat we nu het slot zouden noemen: de plekken waar gasten niet welkom zijn, de cellen van de monniken… de beslotenheid van het claustrum. Kijk, in het Frans gebruiken ze ook het woord ‘cloître’ voor de plaats waar alleen monniken verblijven. Een aantal keren heb ik ‘monasterium’ zelfs vertaald met ‘communauteit’, omdat ik vond dat Benedictus eerder verwees naar de groep verzamelde monniken.

Die verzamelde monniken, die Godzoekers, zijn zij niet de aangewezen vertalers van hun leefregel?

PL: In zekere zin vertalen zij de Regel dag in, dag uit. Monniken en monialen zijn een heel apart soort vertalers. Vooral van die passages waarin Benedictus direct naar de kern van de zaak gaat: de roeping van de monnik in de proloog, het zoeken naar God in het zevende hoofdstuk en vele andere, zoals hoofdstuk 71 of 73. Daar heeft de schrijver van de Regel de zakelijke toonaard zelfs wat laten varen. En precies dat weten de monniken dagelijks door de taal van hun geest en hun lichaam, in de rituelen en de getijden, in hun studie en handenarbeid te vertalen. Ja, zij moeten het constante klankbord blijven. Straffer nog: zij zijn de belichaming van de Regel, van de oertekst die daarna kwam.
Ik vond het daarom goed dat mijn boek ook een handleiding werd voor monniken en oblaten, en voor al wie op het ritme van de monniken de Regel ter hand wil nemen. Compleet met die datumaanduiding die al lang in voege is in de kloosters, ook al oogt dat typogra sch misschien niet altijd even mooi. Zo bouwde ik in mijn vertaling dus ook de traditie van gefaseerde lectio continua in. Je zou het ook lectio divina kunnen noemen: elke dag een stukje vermalen en verteren tot het als een spiegel gaat fungeren voor de eigen beleving.

VH: Je hoeft hem niet per se in een klooster te beleven. Ik zie geen uitzonderingspositie voor de Regel. Natuurlijk hebben monniken en monialen recht van spreken. Maar de Regel is een document van het ‘gemenebest’. Je leest erin, en als het je niet aan staat, dan leg je het boekje aan de kant. Vind je een tekst aardig, dan lees je verder: een daad van liefde – dan klikt er iets. Die geest van vrijheid viel me op bij de eerste lectuur. Dit is geen tekst met een eindeloze reeks van geboden en plichten. En dat hij bovendien wat afwijkt van klassieke regels, is meegenomen. Zoiets biedt ruimte. Ook voor de vertaler. Tien procent vaagheden in een Latijn dat toch nog torenhoog boven dat van de Merovingers staat, trekt me aan. Een beetje onbeholpenheid zegt ook wel iets.
En verder: de lezers zijn vrij om de tekst te lezen zoals ze zelf willen. In brokjes of in zijn geheel. Ik vind het niet de taak van de vertaler om iets af te dwingen of te suggereren – vandaag lees je dit en morgen een ander stukje. Die data zijn alleen nuttig in een monastiek midden. Daarbuiten zou het wel eens kunnen dat die drie data bij elk van de 120 deeltjes van de Regel – iets wat er oorspronkelijk niet stond! – sneller een blokkade opwerpen dan dat ze mensen vrijheid geven.

Ik ben zo vrij de beginregels uit de proloog voor te lezen. In beider vertaling.

Luister aandachtig, mijn zoon, naar wat je meester voorschrijft en neig naar hem het oor van je hart. Tot jou dus richt zich nu mijn woord, wie je ook bent, tot jou die van je eigen wil afstand doet en de machtige en roemvolle wapens van de gehoorzaamheid opneemt om in dienst te treden van Christus de Heer, de ware koning. (vertaling: Patrick Lateur, 2010)

Luister, mijn zoon, naar de voorschriften van je leraar en spits het oor van je hart. Mijn betoog is gericht tot jou, wie je ook bent, die afstand doet van zijn eigen wil en als soldaat van Christus de Heer en ware Koning de krachtige, roemrijke wapens van de gehoorzaamheid opneemt. (vertaling: Vincent Hunink, 2000)

PL: Dat is eigenlijk wel een afknapper, hé. Met die beeldspraken eigen aan Romeinen: wapens, de ware koning… Wezens van 2010 zullen de Regel misschien direct dichtklappen.

VH: Laat maar staan, die vreemde woorden. Ze wekken juist veel nieuwsgierigheid.

PL: Het grote verschil in onze vertaling betreft de term ‘obsculta’. Ik kon dat moeilijk vertalen in één woord. Die aandacht waarmee de leerling moet luisteren, ik wou het er toch expliciet bij.

VH: Je hebt misschien gelijk. Maar dan had ik geen kans om mijn nieuwe motto voor de Regel naar voren te schuiven.

PL: Hoezo?

VH: ‘Ora et labora’ staat er niet in, dus liefst mijn Nederlandstalige motto ook niet in de vertaling. Een betere slagzin voor de Regel is: leef aandachtig. Of gewoon: doe de dingen goed.

PL: In ‘ora et labora’ mis ik de caritas. Voor mij draait het in de Regel hier rond: nederige gehoorzaamheid tegenover God, de abt, maar ook tegenover elkaar. Actieve inzet door gebed, studie en handenarbeid. God zoeken. Dan zou ik als motto kiezen voor ‘quaere Deum caritate et humilitate’. God zoeken in liefde en deemoed.

Ik heb jullie vertalingen in parallellie gelezen. Ik ontdekte soms nieuwe lagen in de tekst, juist door die confrontatie van twee types. Een goede keuze om het nooit bij één vertaling te houden?

PL: Uiteraard, al zal elke vertaler al even vanzelfsprekend zweren bij zijn versie. Ik heb in mijn klaspraktijk wel eens twee of drie vertalingen van een Latijns of een Grieks gedicht naast elkaar gelegd, opdat de leerlingen zouden kunnen vergelijken. Wie er bij wint is vooral de Griekse of de Latijnse auteur. Want meerdere vertalingen geven samen een ruimer en rijker zicht op de oude tekst. En om die oertekst – hier de Regel van Benedictus – is het ons te doen, toch?

Bekijk de videoclip van het panelgesprek met Patrick Lateur en Vincent Hunink.