Een nieuwe vertaling van Homeros’ Ilias

Op 18 september 2010 gaf Patrick Lateur de lezing Een nieuwe vertaling van Homeros’ Ilias tijdens de gemeenschappelijke vergadering van de KANTL en de KVAB in het Paleis der Academiën in Brussel. Je kan de tekst hieronder lezen.

Een nieuwe vertaling van Homeros’ Ilias

Geleidelijk liet het mooie heelal hem in de steek; een hardnekkige mist vervaagde de lijnen van zijn hand, de vele sterren verdwenen uit de nacht, de aarde was ongewis onder zijn voeten. Alles verwijderde zich en vervloeide. Toen tot hem doordrong dat hij blind aan het worden was, schreeuwde hij. […] daalde hij af in zijn geheugen, dat hem oneindig voorkwam.

Zo schrijft, waarde collega’s, de grote Argentijn Borges in het verhaal De maker over de eerste dichter van het Avondland. Homeros is zijn naam, het Griekse adjectief ομηρος betekent blind. Borges suggereert dat de zanger van de Ilias blind geworden is, dat hij dus ooit het zonlicht zag, maar later af moest dalen in zijn geheugen en vanuit de geneugten van het geheugen (woorden van Borges) de wrok van Achilles en ook Odysseus, de man van vele listen, bezongen heeft.

Dat de zanger mensen en dingen ooit met gretige ogen heeft bekeken, laat ik straks aanvoelen in een derde beweging, waarin ik Homeros het woord geef met zijn evocatie van het schild van Achilles. Vooraf probeer ik even de betekenis van die schildpassage te duiden. Maar ik begin met een positionering van mijn Iliasvertaling: geen apologie, want het koor van recensenten was zoetgevooisd, maar een paar bedenkingen in het licht van wat voorgangers deden.

***

1.

Nicola Lastman: de 56-jarige Karel van Mander
Nicola Lastman: de 56-jarige Karel van Mander

De geschiedenis van de Nederlandse vertalingen van de Ilias begint bij een Vlaming, Karel van Mander, die in Haarlem op basis van de Franse vertaling van Hugues Salel en Amadis Jamyn de eerste helft van het epos in rederijkersverzen omzette. Salel had de eerste elf zangen vertaald in vers communs, berijmde verzen van tien of elf lettergrepen. Van Mander vertaalde in hendekasyllaben, telverzen met elf lettergrepen. De jamben, die hij later zou gebruiken voor zijn Vergiliusvertalingen, waren op dat ogenblik nog niet aan de orde. Van Mander heeft evenwel slechts de helft van de Ilias vertaald. Wellicht heeft dat te maken met het feit dat de Franse vertaling door Jamyn vanaf zang 12 in alexandrijnen is gesteld. Die bemoeilijkten het werk van Van Mander omdat hij met zijn elf lettergrepen niet alles meer gezegd kreeg, wat hij tot voor kort wel kon met de elf zangen die Salel had omgezet. Bovendien bevatte de vertaling van Amadis Jamyn veel moeilijke en ingewikkelde wendingen die Van Mander voor extra vertaalproblemen plaatste. Gevolg was dat de man uit Meulebeke het halverwege beu werd. Het twaalfde boek boek laat hij volgen door een epigram:

Den blinden volgend’ int Ilions beleg,

Verdroot my den reys, op den halven weg.

Van dan af is de geschiedenis van de Iliasvertaling in ons taalgebied een Nederlands verhaal. Van Manders partiële vertaling verscheen postuum in 1611, en dat was de reden waarom Jan Hendrik Glazemaker in 1654 eerst de zangen 13-24 publiceerde en de eerste twaalf pas vier jaar later. Zijn prozavertaling, de eerste volledige in het Nederlands, is hoofdzakelijk gebaseerd op een Latijnse versie van de Ilias.

Gravenweert
Ilias-vertaling van Jan van ’s Gravenweert

Anderhalve eeuw later brengt Koenraet Droste in 1719 een vertaling in berijmde alexandrijnen, en nog eens een eeuw verder doet Jan van ’s Gravenweert het zelfde in 1818-1819. Van ’s Gravenweert loopt niet hoog op met zijn voorgangers. In zijn voorwoord lezen we: “Doch bestaan er twee, wel is waar middelmatige, vertalingen der Ilias in onze taal: de eene van Van Mander, mij door den heer Bilderdijk aangewezen, de andere van Drosten (sic); maar beide zijn vergeten, en de eerste vooral strekt niet tot sieraad onzer Letterkunde…” (p. 17) Over zijn eigen vertaling schrijft hij: “De gewone maat, de Alexandrijnsche verzen, heb ik tot mijne vertaling verkozen, daar deze maat mij, in onze taal, de welluidendste voorkomt, en de proeven, welke men ons van Nederduitsche en zelfs Duitsche hexameters heeft willen geven, hoe verdienstelijk ook op zich zelve, hier te lande bij zeer weinigen bijval hebben gevonden, en niets dan de flauwste echo der oorspronkelijke Grieksche en Latijnsche welluidendheid schijnen te kunnen opleveren (p. 22). De discussie of men antieke epen al dan niet in de hexameters van Homeros en Vergilius moet omzetten, is dus een oude vraag. Bij de Duitse hexameters zal Van ’s Gravenweert hebben gedacht aan de vertaling van Johann Heinrich Voss uit 1793, die nu nog altijd herdrukken kent. Het is me wel onduidelijk wie Van ́s Gravenweert bedoeld kan hebben met die Nederduitsche hexameters. De Nederduitsche vertalingen van antieke epen gebeurden veelal in alexandrijnen: ik denk o.m. aan de Aeneïs-vertalingen van Joost van den Vondel (1660), Jacob Westerbaen (1662), Roelant van Engelen (ook 1662) en Dirck Donckers (1688), alle uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Met diezelfde alexandrijnen werkt Van ’s Gravenweert en ik moet zeggen dat zijn berijmde jambische zesvoeters nog steeds enige charme hebben. Ter illustratie even de aanhef van de Ilias, het bekende μῆνιν ἄειδε θεὰ…:

Achilles’ wrok, een bron van eindeloos verdriet
Voor Hellas, o godin! zij de inhoud van uw lied;
Die wrok, die zulk een schaar te vroeg heeft neêrgezonden
Ten afgrond, en hun rif aan ́t voglenheir en honden
Ten prooi gaf. – Maar alzoo volbragt Jupijn zijn’ wil. –
Sinds de eerste vijandschap en ́t onverzoend geschil
Vorst Agamemnon, aan der helden spits verheven,
En Peleus dappren zoon tot twist heeft aangedreven.

Mr. Carel Vosmaer (1826-1888)
Mr. Carel Vosmaer (1826-1888)

Het rijm heeft steeds tot gevolg dat de vertaler niet alles in zijn verzen om kan zetten. Misschien is, naast andere redenen, ook dit de reden geweest waarom Nederland bij vertalingen in versvorm nadien gekozen heeft voor de hexameter. De bekendste drie zijn: Carel Vosmaer (1880), Aegidius Willem Timmerman (1931) en Herbert Jan de Roy van Zuydewijn (1980, herziening 1993). Daarbij wordt de allereerste vertaler in hexameter wel eens vergeten: Gerardus Dorn Seiffen (1855). In de twintigste eeuw zagen ook vier integrale vertalingen in proza het licht, waarvan die van Maximiliaan August Schwartz (1956) veruit de beste was en m.i. nog steeds leesbaar is.

Karel van de Woestijne (1878-1929)
Karel van de Woestijne (1878-1929)

Belangrijke partiële Iliasvertalingen zijn van de hand van Karel van de Woestijne, wiens prozabewerking uit 1909 zowel samenvattingen als vertalingen bevat, en van Pieter Cornelis Boutens, die in 1939 de eerste van veertien zangen in hexameters publiceerde. Maar Boutens’ verzen zijn enkel nog via een bijkomende vertaling te begrijpen. Wat Van de Woestijne betreft: het is misschien merkwaardig dat de dichter van de twee bundels Interludiën niet gekozen heeft voor dezelfde jambische pentameter die hij in die jaren in zijn epische gedichten gebruikte. Zijn prozavertaling heeft alles te maken met zijn Franse voorbeeld, L’Iliade van Maurice Croiset, bij wie hij meer aanleunt dan bij Homeros. Merkwaardig is wel wat de Latemse dichter in zijn inleiding schrijft over de optie van een hexametervertaling: “… de opgelegde versvorm brengt moeilijkheden meê die den te vertalen tekst noodzakelijk ten schade komen.” (p. 11) Wellicht had Van de Woestijne hier Carel Vosmaer voor ogen.

Aegidius Timmerman (1858-1941)
Aegidius Timmerman (1858-1941)

Een paar vaststellingen uit wat voorafging:

1. Prozavertalingen van de Ilias zijn perfect mogelijk (cfr. Schwartz), want de Ilias is op de eerste plaats een verhaal en wellicht zou Homeros vandaag een grote prozaïst zijn geweest.
2. In Nederland bestaat er een hardnekkige hexametertraditie sinds zowat honderdvijftig jaar, waarin we ook literatoren als Vosmaer en Boutens aantreffen.
3. Tegelijk horen we bij Van ’s Gravenweert en Van de Woestijne met zowat honderd jaar verschil literaire bezwaren tegen het gebruik van de hexameter.
4. Als alternatief is er vanaf het begin de hendekasyllabe van Van Mander (alsnog geen jambisch metrum) en de berijmde Alexandrijnen, zesvoetige jamben met een duidelijke cesuur na de derde heffing, die ook voor de Aeneisvertalingen werden gebruikt.

Anders dan de tot dusver vermelde proza-, hexameter- en alexandrijnenvertalingen heb ik gekozen voor een vertaling in blanke verzen, rijmloze vijfvoetige jamben waarin ook een elfde lettergreep (vrouwelijke uitgang) voorkomt en waarin ruimte blijft voor antimetrie.

Mijn keuze voor verzen heeft te maken met het feit dat Homeros ondanks het verhalend karakter van het epos, toch een dichter blijft.
Dat ik voor voor jamben koos, werd ingegeven door de overweging dat het jambische ritme het dichtst bij onze natuurlijke gesproken taal ligt.
Met de jambische pentameter zoek ik dan weer bewust aansluiting bij een grote literaire traditie. Terwijl er in de Duitstalige poëzie sinds lang een autonome hexametrische traditie bestaat (de Messias van Klopstock, de epische poëzie van Goethe, etc.), bleven navolgingen daarvan in de Engelse en Franse literatuur en ook in de poëzie uit ons taalgebied zonder succes. Afgezien van Bilderdijk zijn er in ons taalgebied weinig of geen dichters die oorspronkelijke Nederlandse poëzie brengen in hexameters.

In plaats van de hexameter uit de brontekst koos de Engelse dichter Surrey (eerste helft 16de eeuw) bij zijn vertaling van het vierde en het tweede boek van Vergilius’ Aeneis als eerste voor blanke verzen. Vele Engelsen zouden hem volgen in hun oorspronkelijk werk: Milton in zijn Paradise Lost en Keats in zijn Hyperion.
HyperionHet is die Hyperion die de jambische pentameter ook in ons taalgebied ingang zou doen vinden in epische gedichten. Warner Willem van Lennep vertaalde Keats’ gedicht en de Tachtigers namen het vers over, o.a. Emants (Lilith), Verwey (Persephone), Gorter (Mei) en Kloos (Okeanos). Later gebruikt Karel Van de Woestijne het, zoals reeds vermeld, in zijn epische Interludiën en Nijhoff in Awater. Bertus Aafjes doet hetzelfde in zijn bekorte hertaling van de Odyssee en Anton van Wilderode vertaalt de Aeneis van Vergilius in vijfvoetige jamben.

Zo origineel als sommige recensenten beweerden, is mijn keuze voor blanke verzen dus niet. Ik heb me ingeschakeld in een trend die al vierhonderd jaar voelbaar is. Het grote verschil met die andere West-Vlaming die zich aan de Ilias heeft gewaagd, is dat de reis me halverwege niet verveelde en dat ik den blinden in het beleg van Troje gevolgd ben tot hexameter 15.693.

Hoe dat klinkt wil ik graag illustreren aan de hand van wat ik beschouw als het poëtisch hoogtepunt uit de Ilias. Vooraf toch even een kleine duiding van het schild van Achilles.

2.

Het verhaal van de Ilias is bekend: na een twist met Agamemnon trekt Achilles zich terug in zijn kamp, zodat de Achaiërs verzwakken in de strijd tegen de Trojanen. Als de druk te groot wordt, geeft Achilles zijn boezemvriend Patroklos de toelating in zijn wapenrusting met zijn soldaten weer naar het slagveld te gaan. Maar Patroklos sneuvelt door de hand van Hektor. Achilles’ wrok keert zich nu tegen de Trojaanse aanvoerder die hij doodt, verminkt en vernedert, maar finaal toch teruggeeft aan zijn vader Priamos. Einde van de wrok, einde van de Ilias.

De schildpassage staat op een cruciale plaats in het epos. In zang zestien sneuvelt Patroklos en vallen Achilles’ wapens in handen van Hektor, in zang achttien krijgt Achilles van zijn moeder Thetis een nieuwe wapenrusting, in zang tweeëntwintig doodt Achilles zijn vijand Hektor. Het schild kan dus niet bedoeld zijn als zomaar een intermezzo bij wijze van entertainment. De vraag is: wat voert Homeros in zijn schild? Hoe laat hij Hefaistos, de lelijkste der goden, het mooiste schild smeden dat mensen ooit hebben gezien of nog zullen zien?

Het schild zelf is geen beschrijving van een bestaand voorwerp. In de literatuurgeschiedenis wordt de schildpassage als het eerste voorbeeld van een ekfrasis beschouwd, een gedetailleerde descriptio, beschrijving van een werk uit de plastische kunst. Hier moeten we eerder spreken van een gefantaseerde ekfrasis. Want ook al refereren veel scènes aan elementen die ook voorkomen op artefacten uit de 8ste eeuw v.C., het schild is een creatie van de dichter zelf.

Zijn evocatie is de eerste Europese poëtisch-picturale voorstelling van het universum. Die beschrijving werkt als een Genesis, die in cataloogvorm een opsomming geeft van wat er in dat Griekse universum leeft. In het midden van het schild plaatst hij de hemel met daarin de hemellichamen die de tijd aangeven. De rand van het schild is gevuld met het grootse geweld van de Okeanos, de wereldstroom, die de aarde begrenst.

Binnen die grens en bepaald door de tijd speelt zich op de aarde het bruisende leven af. Er is het leven in de stad, met een stad van vrede waar bruiloft wordt gevierd en recht wordt gesproken, en een stad van oorlog. Tegenover het stadsleven staat het leven op het platteland, met het leven van boeren en herders. De drie elementen van het boerenleven lijken verbonden met de drie seizoenen: ploegen in de lente, maaien in de zomer, druivenpluk in de vroege herfst. Ook het herdersleven wordt in drie taferelen opgeroepen: een kudde koeien wordt aangevallen door twee leeuwen, in een weide lopen schapen en op een dansplaats voeren jongens en meisjes een reidans.

Willcock, Malcolm M., A Companion to the Iliad, University of Chicago Press, Chicago, 1976.
Willcock, Malcolm M., A Companion to the Iliad, University of Chicago Press, Chicago, 1976.

Op het schild van Achilles dus geen afschrikwekkende Gorgonen, zoals anderhalve eeuw later op het schild van Herakles bij de Pseudo-Hesiodos; ook geen visionair beeld van de toekomst zoals op het schild van Aeneas bij Vergilius. Bij Homeros staat het heden centraal, de wereld zoals hij is en moet zijn, in zijn harmonieuze ordening. Het schild van Achilles is een oorlogswapen, met overwegend vredevolle scènes, met overwegend woorden die wijzen op glans en schoonheid, rustig opegroepen in de maat van drie (hemel, aarde, zee – lente, zomer, herfst – kudde, weide, dansplaats) of vol beweging in de dans van tegenstellingen: hemel en aarde, oorlog en vrede, stad en land, zaaien en oogsten, werk en spel. In zijn Laokoon schrijft Lessing: “Met weinig beelden maakte Homeros zijn schild tot toonbeeld van alles wat er in de wereld gebeurt.

Eigenlijk heeft de goddelijke smid de continuïteit van het leven getoond: ons particulier leven is gebonden aan tijd en kent een grens, maar het leven op aarde gaat door, het overleeft de ondergang van helden als Hektor en Achilles. Dat schild wordt getoond en bezongen vlak voor het begin van het grote moorden, vlak voor het voltrekken van de wraak en vooraleer het diepe klagen kan beginnen. Met de onafwendbare dood voor ogen – de dood van zijn vijand Hektor, maar op korte termijn ook zijn eigen dood – krijgt Achilles het schild in handen dat symbool is van leven.

3.
Waarde collega’s, ik volg Borges in zijn verhaal: de blinde zanger, Europa’s eerste dichter, zag ooit zijn wereld vervagen, moest afdalen in zijn herinnering, maar proefde de geneugten van zijn geheugen. En de kleur- en klankrijke evocatie van Achilles’ schild werd bron van vreugde voor lezers van alle tijden.

Homeros, Ilias 18.478-608, Het schild van Achilles

Hefaistos smeedde eerst een machtig schild,
naar alle kanten fraai bewerkt en stevig,
en eromheen een rand die blonk, drie lagen
van fonkelend metaal, daaraan een draagriem     480
uit zilverwerk. Het schild zelf had vijf lagen,
met kunde en vernuft royaal versierd.

Hij beeldde daar de aarde uit, de hemel,
de zee, de nooit vermoeide zon, de maan
in al haar volheid, alle sterrenbeelden
waarmee de hemel zich rondom bekranst,
Plejaden en Hyaden en Orion, 
de Beer, die mensen ook de Wagen noemen:
hij draait altijd op één plaats rond, hij houdt
sterke Orion in het oog en baadt zich 
als enige nooit in Okeanos.

Hij smeedde er twee mooie steden op     490
van sterfelijke mensen. In de ene
vierde men bruiloften en feestgelagen.
De bruiden werden uit hun slaapvertrekken
met flikkerende fakkels door de stad
gevoerd en luid weerklonk het bruiloftslied.
En jonge dansers draaiden in het rond,
schalmei en citer klonken in hun midden.
De vrouwen stonden vol bewondering
elk in de deurpost van hun huis te kijken.
Maar op het marktplein stond een menigte
opeengepakt. Er was een twist ontstaan,
twee mannen maakten ruzie om het zoengeld
voor een vermoorde man. De een bezwoer
de omstanders heel plechtig dat hij alles
betaald had, maar de andere hield staande
dat hij niets hoegenaamd ontvangen had.     500
De twee wilden een uitspraak van een rechter.
De massa juichte elk van beiden toe,
opkomend voor de een of voor de ander,
maar de herauten hielden hen op afstand,
terwijl de oudsten in gewijde kring
op gepolijste stenen banken zaten.
Zij droegen elk een scepter in de hand
zoals herauten met de klare stem.
En daarmee stonden zij dan telkens op
om beurtelings hun oordeel uit te spreken.
Er lagen in het midden twee talenten
van goud, bestemd voor hem die in hun kring
het meest rechtvaardig oordeel uit zou spreken.
Twee legers lagen rond de andere stad,
de krijgers glansden in hun wapenrusting.     510
Twee plannen droegen hun goedkeuring weg,
maar twijfel was er of zij nu de stad
geheel zouden verwoesten of al wat
de liefelijke stad bezat verdelen
onder bewoners en belegeraars.
Maar de belegerden vertrouwden hen
nog niet en wapenden zich heimelijk
om bij de stad een hinderlaag te leggen.

Hun lieve vrouwen, jonge kinderen
en mannen door de oude dag bezwaard:
zij stonden boven op de muur op wacht.
De anderen trokken op om strijd te voeren
onder bevel van Ares en van Pallas
Athena, beiden in een gouden glans.
Van goud ook de gewaden die zij droegen.
Zij waren groots en prachtig in hun rusting,
zoals het goden past, en beiden heel
opvallend. En veel kleiner was het krijgsvolk
beneden hen. Zij kwamen op een plaats
die hun geschikt leek voor een hinderlaag     520
en zetten zich daar neer in een rivierbed,
een wed waar al het weidend vee kon drinken.
Daar zaten zij gehuld in vonkend brons.
Verder posteerden zij nog twee verspieders
die afgezonderd van het krijgsvolk zaten
en wachtten tot zij schapen zouden zien
en runderen met kromme hoorns. Algauw
verschenen ze, twee hoeders volgden hen
en speelden vrolijk op hun herdersfluit.
Zij hadden geen vermoeden van de valstrik.
Toen zij hen zagen komen, stormden zij
naar hen vanuit hun hinderlaag en sneden
de troepen rundvee en de mooie kudden
met witte schapen door omsingeling
de weg af. En zij doodden de twee herders.
Toen de belegeraars, bijeen gezeten     530
voor overleg, het luid rumoer vernamen
dat oprees uit het vee, bestegen zij
onmiddellijk hun trappelende paarden,
zij rukten uit en waren snel ter plaatse.
En langs de oevers van de stroom werd er
in slagorde een felle strijd geleverd,
met bronzen speren troffen zij elkaar.
De Twist vocht met hen mee en de Paniek
en de verderfelijke Doodsgodin,
die eerst een pas gewonde greep, nog levend,
toen een die nog geen wonde had, en soms
een dode die zij bij zijn beide voeten
dwars door het strijdgewoel met zich bleef slepen.
Het kleed dat rond haar schouders lag, was rood
van krijgersbloed. Zij vochten mee en streden
als sterfelijke levenden, ontrukten
elkaar de lijken van gesneuvelden.     540
Hij beeldde ook een malse akker af,
een uitgestrekt stuk bouwland, vruchtbaar,
jaarlijks wel driemaal omgeploegd. Daar waren tal
van ploegers die hun spannen bleven drijven

en keren, heen en weer. Bereikten zij
eenmaal gekeerd opnieuw de akkerrand,
dan kwam een man hen steevast tegemoet
die hun een beker honingzoete wijn
in handen gaf. Zij wendden dan opnieuw
de ploegen door de voren, vol verlangen
om aan het einde van het weidse veld
te komen. En de aarde achter hen
werd donkerzwart, het leek vers omgeploegd,
ofschoon het goudwerk was. Want inderdaad,
dit smeedwerk was een bovenmatig wonder.
Hij beeldde ook een koninklijk domein af.     550
Met scherpe sikkels in de handen stonden
de dagloners te maaien. En hier vielen
in dichte rijen halmen naast de voren
ter aarde, daar werden dan weer door binders
de garven met een stroband ingebonden.
Drie schovenbinders waren er te zien
en knapen raapten achter hen de garven
bijeen en brachten die onafgebroken,
de armen vol, tot bij de busselbinders.
De scepter in de hand en blij van hart
stond zwijgend in hun midden bij het maaiveld
de koning. Dienaars maakten verderop
onder een eik een maaltijd klaar, druk bezig
met een groot rund, zojuist door hen geslacht.
Als middageten voor de werkers kneedden
de vrouwen gerstemeel tot witte massa’s.     560
Hij smeedde ook een mooie gouden wijngaard
met druivenranken welig overladen,
in zwart het smeedwerk van de trossen, stokken
van zilver over heel de gaard verspreid.
Rondom groef hij een gracht uit van kobaltglas
en trok er een omheining op uit tin.
Eén enkel voetpad leidde naar de wingerds
en daarlangs keerden dragers telkens weer
met druiven die zij in de wijngaard plukten.
In uitgelaten stemming droegen meisjes
en jongens in gevlochten korven vruchten
zo zoet als honing. In hun midden speelde
een knaap op zijn melodieuze citer
bekoorlijke muziek en zong daarbij
met tere stem het heerlijk lied van Linos.     570
Zij stampten in de maat en volgden zo
al huppelend zijn zangen en zijn kreten.
Hij smeedde ook een kudde runderen
met rechte horens, koebeesten uit goud
en tin gedreven, en zij draafden loeiend
vanuit hun stalling naar het weideveld

dicht bij een ruisend water, wuivend riet.
En naast de koeien liep een viertal herders,
allen van goud, gevolgd door negen honden
met snelle poten. Maar luid brullend werd
een stier vóór in de kudde vastgegrepen
door twee verschrikkelijke leeuwen, die hem
meesleurden onder vreselijk geloei.     580
De honden en de jonge kerels gingen
achter hem aan. De leeuwen hadden reeds
de huid opengescheurd, en slurpten nu
de ingewanden en het donker bloed
van die immense stier. Vergeefs probeerden
de herders beide leeuwen weg te jagen
en hitsten dus hun snelle honden aan.
Maar deze waagden het wel niet de leeuwen
te bijten, kwamen heel dicht bij hen staan
en bleven blaffen, sprongen steeds terug.
De wijd en zijd vermaarde manke god
heeft in een prachtig dal een grote weide
gesmeed met witte schapen, stallingen,
ook hutten en goed overdekte kooien.
De wijd en zijd vermaarde manke god     590
heeft ook een dansplaats kunstig afgebeeld,
zoals weleer door Daidalos met zorg
gemaakt werd in het uitgestrekte Knossos
voor Ariadne met de mooie lokken.
Daar dansten jonge kerels, jonge meisjes
wier bruidsgeschenk veel runderen omvatte,
zij hielden met de hand elkanders pols vast.
De meisjes droegen fijne linnen kleren,
de jongens goed gesponnen chitons, zacht
geglansd met olie. En de eersten hadden
een mooie diadeem, de jongemannen
een gouden mes dat aan een draagriem hing
van zilver. Nu eens liepen zij heel licht
van voet en heel bedreven in het rond,
zoals de draaischijf van een pottenbakker
goed in zijn handen past – de man gaat zitten     600
om na te gaan of zij wel soepel loopt.
En dan weer liepen zij in rijen op
elkander toe. Een grote menigte
stond rond de liefelijke dans geschaard
en vond er vreugde in. En in hun midden
maakten twee duikelaars hun buitelingen
zodra gezang en dans was ingezet.
Hefaistos beeldde op de buitenrand
van het met zorg gesmede schild de grote
en sterke stroom uit van Okeanos.