De mooiste Moeder, de vuilste voeten

Naar aanleiding van de 450e verjaardag van het overlijden van Caravaggio schreef Patrick Lateur voor Tertio over het doek Madonna van de pelgrims. Lees hieronder de tekst.

De mooiste Moeder, de vuilste voeten

In deze Mariamaand – en bij de vierhonderdste verjaardag van het overlijden van Caravaggio – schrijft Patrick Lateur over een opmerkelijk doek van de barokschilder met een turbulent leven: Madonna van de pelgrims. “Tweemaal vier ogen, die elkaar kruisen in het duister waaruit de vier guren oplichten.”

Negenendertig jaar was Michelangelo Merisi da Caravaggio, toen hij vierhonderd jaar geleden op 18 juli in het Toscaanse Porto Ercole overleed. Hij was op weg naar Rome, waar hij in 1606 het gerecht was ontvlucht om daarna vier jaar lang te werken in Napels, op Malta en Sicilië. Hem worden ruim 60 schilderijen toegeschreven, 40 daarvan zijn nog tot medio juni in Rome te zien: 25 in de tentoonstelling in de Scuderie van het Quirinaal, de andere op hun vaste plek in kerken en musea. Caravaggio is eindelijk weer thuis. En brengt de‘urbs’ en de‘orbis’ in vervoering.

Het is ooit anders geweest. Nogal wat schilderijen van Caravaggio werden door opdrachtgevers afgewezen. De knapen, mannen en vrouwen die voor hem poseerden, waren arme lui, rechtstreeks van de straat geplukt. Karel van Mander, tijdgenoot van Caravaggio en au-teur van Het schilder-boeck (1604), merkte het al op: “Daer is oock eenen Michael Agnolo van Caravaggio, die te Room wonderlijcke dinghen doet … [en voor wie schil- derijen niets zijn] soo sy niet nae t’leven ghedaen, en gheschildert en zijn.” Heiligen schilderde Caravaggio in nonchalante houdingen: Matteus de benen gekruist of een Madonna languit, bijna uitdagend op haar sterfbed. Met zijn naturalistische benadering sloot de schilder aan bij de nieuwe armoedebewegingen van geëngageerde en populaire tijdgenoten als Carolus Borromeus in Milaan en vooral Filippus Neri in Rome.

De tentoonstelling in de Scuderie is een heerlijke belevenis. Maar na uren verwijlen tussen die overrompelende doeken liep ik voor de zoveelste keer naar de Sant’Agostino, in het midden van de wijk waar Caravaggio leefde. Vreemd, maar ik vertrek nooit uit Rome zonder achteraan links de Madonna van de pelgrims te hebben gegroet in de Capella Cavalletti. Ik ben er bijna altijd alleen, terwijl in de San Luigi dei Francesi mensen zich verdringen voor de Matteus-doeken van de Capella Contarelli.

Madonna van de pelgrims
Madonna van de pelgrims, Caravaggio, Sant’Agostino, Rome

Het schilderij stelt de Madonna van Loreto voor met twee knielende pelgrims. Een vrome legende vertelt dat engelen het huisje van de Maagd aan het einde van de dertiende eeuw overvlogen uit Nazareth naar het stadje in de Marche. Wat bij anderen aanleiding vormt om een heilig huis, engelen en massa’s bede- vaarders te schilderen, wordt door Caravaggio geëvoceerd in sobere, amper merkbare architecturale fragmenten. Ik zie een deurlijst in travertijn, rechts op de muur een gebroken pleisterlaag, onderaan een trede. Geen engelen. Op het voetpad knielen twee bedevaarders in verfomfaaide en vuile kleren, de handen gevouwen, het gelaat getaand. De voeten van de man zijn de vuilste die ik in Rome of elders ooit zag. In het deurgat staat Maria, de rug geleund tegen de deurlijst, de benen gekruist, de rechtervoet steunend op de tenen, want het Kind in haar armen weegt zwaar.

Van de vuile voeten naar de mooie hals lopen lijnen van hoop en belofte.

Een rijke glans ligt over haar linkermouw, maar het is vooral de blote, blanke hals die de aandacht trekt. Het is de felste plek op het doek. De courtisane Lena Antognetti, minnares van Caravaggio, gaf de Madonna haar zuivere trekken. Hier staat de mooiste Moeder met een levensecht Kind en in die bovenhoek valt op beiden licht in overvloed. De nimbussen achter hun hoofden onttrekken hen heel even aan de wereld, maar toch neigen hun gezichten vol mededogen naar de pelgrims die zelf in aanbidding omhoog kijken. Tweemaal vier ogen, die elkaar kruisen in het duister waaruit de vier guren oplichten. Zij vormen de essentie van het werk, naar hen gaat alle aandacht. De achtergrond blijft, zoals zo vaak bij Caravaggio, vaag.

Van de vuile voeten naar de mooie hals lopen lijnen van hoop en belofte. En van gemeenzaamheid: de alledaagse houding van de aristocratische Madonna dialogeert met de adellijke houding van twee alledaagse mensen. In hen herkenden zich veel vrome zielen uit de laagste klassen, aan hen hebben veel adellijke heren zich geërgerd zonder te zien dat er naast de twee pelgrims nog plaats is voor een derde.

Verschenen in: Tertio, 11(2010)534, p. 6.