Hubert van Herreweghen 90

Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur in 2004

In Kunsttijdschrift Vlaanderen publiceerde Patrick Lateur een bijdrage over het dichtwerk van Hubert van Herreweghen, naar aanleiding van zijn 90e verjaardag. Je kan die hieronder lezen.

Hubert van Herreweghen 90. Een dichtersleven gebundeld, besproken, uitgesproken

Hubert van Herreweghen werd geboren op 16 februari 1920 te Pamel-Roosdaal. Heel even werkzaam in het onderwijs en in de administratie, stapt hij in 1944 in de journalistiek. Als kunst- en literair criticus werkt hij mee aan o.a. De Spectator, een bijlage van De Nieuwe Gids. In 1950 komt hij bij het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio Omroep (het NIR, voorloper van de BRT) als commentator bij de dienst Literaire en Dramatische Uitzendingen. Korte tijd later werkt hij voor de televisie, waar hij in 1961 hoofd wordt van de Dramatische Dienst, een functie die hij tot zijn pensioen zal vervullen.

Van Herreweghen was redacteur van Podium (1943-1944), mede-oprichter van het poëzietijdschrift De Spiegel (1945-1946) en vanaf 1947 redacteur van Dietsche Warande & Belfort. Zijn poëzie werd bekroond met o.m. de Letterkundige Prijs van de Provincie van Brabant (1945), de Arthur Merghelynckprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1955), de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1962), de Standaardprijs (1985), de Sabamprijs (1987), de Emile Bernheimprijs (1997), de Dirk Martensprijs (2005) en de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies 2006 voor het gezamenlijk oeuvre.
In 1983 wordt hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in opvolging van Maurice Gilliams. Vanwege zijn bijdrage aan de Vlaamse cultuur wordt hem in 2003 de Orde van de Vlaamse Leeuw uitgereikt.

De dertiger Van Herreweghen schrijft twee merkwaardige essays. Naar een bijdrage waarin hij zijn poëzieopvatting neerschreef, wordt er nog geregeld verwezen: Getuigenis 1950: De Poëzie in R.F. Lissens (red.), De Vlaamse literatuur sedert Gezelle – V.E.V.-Berichten, augustus 1950, p. 83-85. Voor de Vlaamse Club te Brussel geeft hij in 1955 een lezing die in hetzelfde jaar nog gepubliceerd wordt: Geuze en humanisme. Zelfgenoegzame beschouwingen over de voortreffelijkheid van het bier van Brussel en Brabant en van de mensen die het drinken. Brussel, Vlaamse Club, 1955, 39 p. De provincie Vlaams-Brabant brengt in april 2010 een anastatische druk van dit curiosum.

Als bloemlezer beweegt Hubert Van Herreweghen zich vooral in het domein van de poëzie. Bij het Davidsfonds tekent hij voor zesendertig deeltjes in de reeks Gedichten (met Jos de Haes en Willy Spillebeen) en voor een overzicht in drie delen van de Nederlandstalige poëzie van 1880 tot 1985 (met Willy Spillebeen).
Gedachten van André Demedts. Gebloemleesd door Hubert van Herreweghen. Ingeleid door Albert Westerlinck, Brugge, Desclée de Brouwer, 1956, 85 p.
Poëtisch akkoord. Honderd gedichten uit tien jaar Noord- en Zuid-Nederlandse literatuur (red. Pierre H. Dubois, Hubert van Herreweghen, e.a.), Utrecht-Antwerpen, A.W. Bruna & Zoon, 1956, 126 p.
Literair akkoord 3. Een keuze uit bijdragen verschenen in de Zuid- en Noordnederlandse letterkundige tijdschriften van het jaar 1958 (samenstelling: Hubert van Herreweghen e.a.), Utrecht-Antwerpen, A.W. Bruna & Zoon, 1959, 192 p.
Literair akkoord 4. Een keuze uit bijdragen verschenen in de Zuid- en Noordnederlandse letterkundige tijdschriften van het jaar 1959 (samenstelling: Hubert van Herreweghen e.a.), Utrecht-Antwerpen, A.W. Bruna & Zoon, 1960, 190 p.
– Albrecht Rodenbach, Het kerelskind. Een bloemlezing door Hubert van Herreweghen, Brussel-Amsterdam, D.A.P. Reinaert Uitgaven, 1965, 47 p.

Gedichten. Een keuze uit de tijdschriften. 1965 t.e.m. 1973: Jos de Haes en Hubert van Herreweghen – 1974 t.e.m. 2000: Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen. Leuven, Davidsfonds.
– Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen, Dingen die niet overgaan. Een bloemlezing poëzie uit Vlaanderen en Nederland 1945-1985, Leuven, Davidsfonds, 1985, 214 p.
– Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen, Het nachtegalenbosje. Poëzie uit Vlaanderen en Nederland 1880-1916, Leuven, Davidsfonds, 1990, 214 p.
– Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen, Soms tussen tulpen. Poëzie uit Vlaanderen en Nederland 1916-1945, Leuven, Davidsfonds/Clauwaert, 1997, 280 p.

De kern van zijn literaire activiteit is zijn dichterschap. Van Herreweghen debuteerde op drieëntwintigjarige leeftijd met Het jaar der gedachtenis (1943) en bijna zeven decennia later verscheen zijn voorlopig laatste bundel Webben & wargaren (2009). Onderstaand overzicht van zijn poëtische productie is vergezeld van stemmen uit het koor van recensenten en van een paar persoonlijke getuigenissen van de dichter uit interviews en uit zijn essay over poëzie.

1943: Het jaar der gedachtenis. De Bladen voor de Poëzie 7 (1943) 1, Brussel, Steelandt, 16 p.
In het voetspoor der dichters, die zich een eigen wereld wisten te scheppen waarin eenieder zich echter thuis kan gevoelen, beweegt zich Hubert van Herreweghen met de twaalf uitmuntende gedichten, die opgedragen “aan dode vrienden”, zich als een krans om de twaalf maanden van het jaar slingeren. … Wie ’s dichters vrienden en de omstandigheden van hun dood geweest zijn wordt ons niet gezegd en evenmin, tenzij wellicht een enkele maal, wordt ons hoofdzakelijk een natuurstemming vertolkt. Veeleer worden de herinnering aan verdwenen geliefde gestalten en de onmiddellijke indruk van het tegenwoordige in leven en natuur, tot hun essenties herleid, in een onafscheidelijk geheel ondergaan en als zodanig belichaamd in geheimzinnige gedichten, volkomen klaar in hun verwoording en toch omneveld, zodat ze dit mysterieuze en beklemmende hebben van halve tonen en verdoezelde beelden, dat aan alle echte poëzie steeds in meerdere of mindere mate inherent is. … Dat Hubert van Herreweghen met “Het Jaar der Gedachtenis” de beste verzen heeft geschreven van het nieuwe geslacht van twintigjarigen, dat staat nu reeds vast.
(Urbain van de Voorde in Westland)

1945: De minnaar en de vrouw. De Spiegel. Maandschrift voor Poëzie, 1 (1945) 4. Met een ‘Ten geleide’ van Paul de Ryck, Hoogstraten, Moderne Uitgeverij, 20 p.
Als suggestief stemmingskunstenaar beschikt deze jongere ongetwijfeld reeds over een fijne instrumentatie. De verzen, die hij de Vrouw in de mond legt, verzinnelijken door hun langoureuze ritmiek, hun vol-donkere klankkleur, zeer treffend de vrouwelijke liefdesstemming, haar zoete loomheid, haar vreemde verwarring, haar dronken verrukking. Van Herreweghen gaat hierbij, naar mijn smaak, te ver, waar hij omwille van de atmosfeer- schepping aan impressionistisch klankenspel doet (cfr. ‘in ’t groen gazon om ’t zoete zoemen’ en ‘de blinde vinken klinken’, enz.). Liever klare eenvoud, dan dit vormenspel. Maar deze werkwijze toont anderzijds aan dat Van Herreweghen een gewetensvol dichter is, die zijn vorm bewerkt. Hij heeft dit gedicht voorzien van een Proloog, waarvan de peinzende melancholie bij zijn vroeger bundeltje Het Jaar der Gedachtenis aansluit. Als afscheid aan dit verleden staat het hele gedicht dan in het teken der levensaanvaarding. Het is een hymne aan de zinnelijke liefde, beurt om beurt door man en vrouw bezongen. Deze hymne culmineert in een Nazang, die ik het best geslaagd acht. In deze glanzendklare en warme Epiloog, vol van de harmonische vreugde van ziel en zinnen, staat Van Herreweghen als dichter op de goede weg.

(Albert Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort)

1949: Liedjes van de liefde en de dood. Bayard Reeks, Antwerpen / Bussum, Orion / F.G. Kroonder, 45 p.
“Liedjes” heten deze verzen. Liedjes is een diminutief; ze impliceren een gewisse speelsheid, een flirten met het thema, een zekere lichtzinnigheid bij de keuze van ingrediënten en ornamenten; anderzijds een frisheid in ritme, fabulatuur en woordenschat. Met één woord, de charmante vluchtigheid, die we bij de aanvang vermeldden. Gelukkig ontsnapt Van Herreweghen soms aan zijn eigen klimaat, danst hij niet mee maar bouwt solide en bezonnen een gedicht uit dat het nonchalant weemoedige (Van Herreweghen is elegisch) van veel wazig, ofschoon melodieus jongelingengelispel vergoedt.
(Karel Jonckheere in Nieuw Vlaams Tijdschrift)

1953: Gedichten, Amsterdam / Brussel, Elsevier, 72 p.
Maar naast de tragische klank die in de meeste verzen van Hubert van Herreweghen tot uitdrukking komt, treft ons tevens de voortdurende bekommernis om de wrangheid van zijn vers te milderen door het aanwenden van een doodgewoon beeld of door het aanheffen van een nonchalant lied, waarin hij zich al spelende van zijn angst tracht te bevrijden. Reeds in zijn vorige bundel “Liedjes van de liefde en de dood” waren twee zeer verscheiden dichters aanwezig, die zich nooit met elkaar zullen kunnen verzoenen: de door de tragiek van het leven aangegrepene en gefolterde, die zich voortdurend bewust is van onze angst en onze vergankelijkheid, en daarnaast de speelse virtuoos, die op de tragiek reageert door zich los te zingen van de dodelijke ernst van het bestaan.
(Pieter Geert Buckinx in Critisch Bulletin)

1958: Gedichten II. Brieven uit Portugal, Brussel, Meddens, 71 p.
Precies doordat hij de afgronden van aardse verlorenheid zo beklemmend doorhelderd heeft vanuit een strikt dichterlijke visie, hebben de eerder schaarse gedichten die de genadetoestand bezingen, in hun broze soberheid zo’n aangrijpende onthullingskracht. De dichter moet niet beschrijven, hij moet ontsluieren. Zijn taak ligt niet in rijkelijke amplificatie maar in wezenserkenning, in beknopte, intuïtieve duiding. … Al wie eningszins vertrouwd is met de dichterlijke persoonlijkheid van Hubert van Herreweghen, zal het normaal vinden dat het “unvollendete”, de onrustgevoelens en de kwellingen meer plaats moeten innemen dan het vredevolle, het vervulde, de geluksmomenten. Het is verheugend te noemen dat hij zo juist heeft aangevoeld hoe hij deze bundel in overeenkomst met zijn temperament en aanleg kon samenstellen. Het verraadt een groot lyrisch concentratievermogen en een intuïtieve ordeningskracht. … Gedichten II is een belangrijk dichtwerk en tevens de bekroning van een merkwaardige dichterlijke groei.
(Piet Thomas in Dietsche Warande en Belfort)

1961: Gedichten III, Hasselt, Heideland, 80 p.
Maar nog iets anders maakt deze bundel duidelijk nopens de evolutie van Van Herreweghens dichterlijk vermogen, en wel dat in zijn poëzie gaandeweg de incantatorische elementen van klank en ritme voorrang zijn gaan nemen op de meer verstandelijk gecontroleerde componenten. Dit dichten van uit het magische vermogen der levende taal met haar vele imponderabele mogelijkheden, brengt hem voortdurend in de nabijheid van een der grootsten, Guido Gezelle, wiens spritualistische levensproblematiek hem trouwens evenmin vreemd is.

(Bert Ranke in Jeugd en Cultuur)

1962: Vleugels. Een bloemlezing. Poëtisch Erfdeel der Nederlanden 10, Hasselt, Heideland, 96 p.

Bij het herlezen van deze verzen, nu zij uit vele jaren naast elkaar verzameld staan, treft in het bijzonder dat zij iets vertellen. Deze dichter is ertoe bekwaam iets mede te delen, een landschap, een twijg te beschrijven, een ervaring, een gewaarwording begrijpelijk en releverend te verwoorden. … Dat te hebben medegedeeld, verteld met de voorzichtigheid van de begaafde woordgebruiker, geeft aan Van Herreweghen warmte, charme en diepte. Was hij een medeklinker, ik zou zeggen, hij is een stemhebbende. … Ik ben dikwijls bang als men in poëticis van menselijkheid gewaagt, omdat met het woord kan geschermd worden om allerhande compromissen te verdoezelen, maar hier, zoals bij alle waarachtigen en bij alle groten, is zij gewoon een kwaliteitsfactor.
(Jos de Haes in De Periscoop)

1967: Gedichten IV, Hasselt, Heideland, 1967, 48 p.
Aanvangend met een wonderlijk gedicht zonder subject, maar rijk aan objectief gemijmer over het menselijk bestaan. De dichter voelt de jaren wegen, heeft echter niets prijsgegeven van zijn diepe emotionele kracht, speelt steeds zijn spel met donkere klanken voort, spel dat zo eigen is aan zijn gevoelsklimaat. … De laatste reeks ‘Kort ademen’ bevat poëtische invallen die de dichter verder onaangeroerd schijnt te hebben gelaten: de lezer ondergaat het contact met het inspiratiemoment aldus op zeer zuivere wijze. Deze verzen zijn soms onthutsend in hun schone eenvoud.
(Paul Hardy in Boekengids)

1977: Verzamelde gedichten. De Gulden Veder, Nijmegen-Brugge, Gottmer-Orion, 1977, 296 p. (waarin opgenomen: Gedichten V – Brak)
Een grote constante zijn hierbij de herhaalde, uiterst persoonljke, weemoedige reacties op een vaag tekort, een kortstondigheid van hét bestaan, een beperktheid die tot essentiële dimensies wordt verabsoluteerd. Talrijke basisgegevens zoals de eenzaamheid, de vriendschap, de nostalgie naar een dorps boerenleven, de grond, Brabant, de natuur, de liefde, de dood, het verval, etc. houden alle hiermee verband. De soms loodzware religieuze thematiek vult dit aan. De ruwe, soms dialectisch gekleurde praatstijl, het noemen zonder omwegen, lijkt daarom eerder een pose om onzekerheid en angst te verbergen: ‘Niet uit mijn weelde, schrijf ik, maar uit mijn ellende.’ (‘Poetica’). Uit dit besef van ontoereikendheid lijken mij de beste gedichten te zijn ontstaan, zoals de evocaties van de onberekenbare vlucht van vogels, die misschien ook daarom zo frequent in dit verzameld dichtwerk opduiken.
(Piet Coutenier in Kultuurleven)

1984: Aardewerk. Gedichten VI, Tielt, Lannoo, 61 p.
Van Herreweghen blijft ondanks zijn vreugden om wat de natuur hem als werkelijkheden en symbolen schenkt een gekwelde. Hij ervaart zijn begrensdheid, zijn onmacht om de verschijnselen die hem omringen te ontraadselen en terzelfder tijd het waarom en waartoe van een denkend wezen dat niet in staat blijkt, al schijnt het daartoe voorbestemd, om hét antwoord op zijn vragen te achterhalen. … Denkend aan de twee extreme levenshoudingen waartussen Van Herreweghen zich bevindt en kiezen moet, wordt de titel Aardewerk van zijn jongste verzenbundel en ook de ontwikkeling die hij doormaakte duidelijk. Ons woord Aardewerk heeft minstens twee betekenissen: werken aan en in de aarde, de grond, zoals boeren en steenbakkers doen, en daarnaast het product dat de pottenbakker tot een gebruiksvoorwerp of de kunstenaar tot een beeld van schoonheid schept. De dichter realiseert

het ene en het andere, hij hoeft niet meer tussen tegenstellingen te kiezen: in zijn jongste dichtbundel zijn ze tot een eenheid verenigd.
(André Demedts in Ons Erfdeel)

1985: Fazant. Kwatrijnen. Met tekeningen van Maurits van Saene, Brussel, Cultura, 72 p.
Het is de lezers (en kijkers) van Fazant nauwelijks opgevallen dat door de vier cycli de lettertekens van mager naar vet zijn geëvolueerd, net zoals de illustraties van eenvoudige lijnen naar zware volumes. Mede door deze spitsvondige opbouw is Fazant een toch wel merkwaardig boek geworden. De meer dan perfecte uitvoering en de versmelting van woord en beeld hebben van deze bibliofiele uitgave een vreemdsoortig lief boek gemaakt. Dit kon slechts door een gelukkig samengaan van privé-mecenaat, kunstenaars en ambacht.
(Maurits Van Liedekerke in Wij)

1986: Verzamelde gedichten, Tielt, Lannoo, 311 p.
In de voortdurende ambivalentie van toonaarden en thematiek, en in de virtuositeit waarmee Van Herreweghen daaraan gestalte geeft, ligt voor mij de aantrekkingskracht van deze gedichten. Zijn wereld is zo Vlaams, zo Brabants dat hij haast exotisch wordt. Zo herkenbaar en toch zo vreemd dient deze ‘landelijke’, wat barse wereld zich aan, met een eigen taal, eigen ritmische vormen, en een, poëtisch gezien, unieke vertrouwdheid met de gang der dingen in de natuur. Het land wordt, net als de sonoriteit van klank en woord, tot mythe getransformeerd, maar dan wel een mythe die niet te vatten is binnen de enge contouren van de idylle. … Het speelse element, de overgave aan de klank en de volheid van het woord herinneren soms aan de uitgepuurde taalkunstwerken van Gezelle; de ‘opengewerkte’ typografie aan de experimenten uit Van Ostaijens Eerste boek van Schmoll. In het latere werk komen die overeenkomsten nog duidelijker uit de verf, wanneer (zoals in ‘Koppel’) humor, relativering en klankspel ten volle naar waarde worden geschat. Dan is het dat de taal haar gang gaat alsof voor de dichter enkel taalgenot, geen zweet is weggelegd.
(Stefaan Evenepoel in Dietsche Warande en Belfort)

1986: Valentijn. Een toef liefdesgedichten. Bergmannetjespocket nr. 1, Antwerpen, B- Promotion, 1986, 40 p.
Er werd een beperkte keuze gemaakt (toef = tuiltje) uit Van Herreweghens liefdespoëzie, aangevuld met enkele nog niet eerder in boekvorm gepubliceerde gedichten. Ook dit facet openbaart het innerlijk dualisme van de dichter: zijn hartstochtelijke drang naar leven en liefde, die getemperd wordt door een vaak schrijnend vergankelijkheidsbesef. Op stilistisch vlak wordt de evolutie in het werk van de dichter bevestigd: het klassieke taalgebruik wordt verder uitgepuurd, terwijl tegelijk het speelse element, waarbij meer en meer van de volkstaal gebruik gemaakt wordt, toeneemt.
(Rudolf van de Perre in Boekengids)

1988: Kort dag. Gedichten VII, Tielt, Lannoo, 44 p.
Van bundel tot bundel neemt concentratie toe evenals het raffinement, dat zich uit in een vaak speelse benadering van woord en beeld. Men vergelijke bijv. eens het gedicht ‘De Levantijnse’ met ‘De boomgaard’ uit Verzamelde gedichten, of nog andere gedichten met een verwante thematiek die zich nu in een andere gedaante tonen. Hubert van Herreweghen heeft een stadium bereikt, waarin hij meer de echte “poiètès” geworden is in de ethymologische betekenis van het woord, meer de “maker” dan de vertolker van een wereld die in zijn dramatische spankracht altijd getroffen heeft door de intensiteit en de authenticiteit van de

beleving. De kern ervan is gebleven, de jaren hebben hem milder gemaakt, wat niet betekent dat het menselijk lot hem minder bezighoudt.
(Rudolf van de Perre in Ons Erfdeel)

1988: Twee patrijzen, Brussel, Cultura, 73 p. Bibliofiele uitgave van Kort dag. Met portret van de dichter door Anne van Herreweghen.
Hij vangt de wereld van het kleine zo in taal dat het geen literatuur meer is maar werkelijkheid die hij schrijft, en die werkelijkheid van het gedicht laat hij dan een eigen leven leiden. Zijn wereld van het kleine is vooral die van de tuin – in het bijzonder de kruidentuin –, die van het omgevende land en die van het gewone binnenskamerse leven. Anders dan in het vroege werk is deze belevingswereld – met het uitvergrotende gezichtspunt op het kleine – sterk op de voorgrond gekomen. Geestelijk torment moest van langsom meer wijken voor een rustig relativisme en voor een lofspraak op het wonder van het gewone. Door die geestelijke evolutie is er ook meer ruimte gekomen voor taalplezier en voor concentratie op de kracht van het woord.
(Stefaan Evenepoel in De Standaard)

1993: Korf en Trog. Een jaargang, Tielt, Lannoo, 53 p.
Was Van Herreweghen rond 1950 de dichter van ‘moderne onrust in klassieke maat’, hier zou men eerder kunnen spreken van klassieke harmonie in een onrustige vorm. De typografie, waarmee hij ook al in zijn vorige bundels experimenteerde, is hier wel bijzonder speels geworden. Maar het is niet de speelsheid van het experiment, niet die van de verwarring en van het zoeken. Het is de speelsheid van de taalmuziek, het is de vorm waarop de dichter uitkomt als hij het ritme van de woorden en van de zinnen volgt, het patroon van hun herhalingen en parallellen, hun opsommingen en contrasten, hun rijmen en hun botsen, hun hollen en pauzeren. Het is het ritme van de wandelaar. Juist dat taalgebruik maakt deze gedichten zo bijzonder: die verliefdheid op de klank en de suggestiekracht van het woord, de tastbaarheid ervan, van wat tegelijk meer is dan zichzelf. De tweedelige cyclus ‘Offer (een poëtica)’ gaat daarover. ‘’t Woord braden aan twee kanten’, zo begint het, en dat braden wordt voorts vergeleken met de marteldood van Laurentius, maar ook met het braden van de offerdieren en met al wat braden oproept, zowel aan smulpartijen als aan mystieke verbondenheid met het goddelijke. Die omgang met het woord, die tegelijk intens genietend en symbolisch is, resulteert in poëzie.
(Hugo Brems in Dietsche Warande en Belfort)

1993: Zwart lam. Een jaargang, Brussel, Cultura, 69 p. Bibliofiele uitgave van Korf en Trog.
Weer verrast Van Herreweghen de lezer met enkele schitterende beelden die nooit ver werden gezocht en altijd ontroeren in hun eenvoud: het water op het licht verliefd, of een jong zwart lam in de armen van een man. Bijzonder subtiel verweeft de dichter een objectiverend, zintuiglijk niveau – “de wandelingen in mijn klein leven” – met een mythische en bezwerende laag. Via een spel met klanken, contrasten en een warme toonaard met een vleugje ironie wordt men binnengeleid in een eigengereid taaluniversum.
(Stefan van den Bossche in Gazet van Antwerpen)

1995: Karakol. Gedichten, Tielt, Lannoo, 56 p.
Van Herreweghen is altijd al een dichter van de Tijd geweest. Of de tijd nu de gedaante aanneemt van wisselende seizoenen of veranderende landschappen, zich laat kennen door de aanwezige dieren of zich openbaart in (verdwenen) culturen of mensen, steeds is er het besef van de voortschrijdende Tijd in de omgang met het ander en de andere. Het besef van de

aanwezigheid van de dood in alles en iedereen verhindert echter geenszins dat het in alle gedichten op de een of andere manier een feest is. Zelfs het meest geprononceerde doodsgedicht uit de bundel, ‘Rondeel’, blaakt van de vitaliteit.
(Patrick Peeters in Poëziekrant)

1995: De gemsbok, Brussel, Cultura, 88 p. Bibliofiele uitgave van Karakol.
Het gaat voor Van Herreweghen ‘om ’t onmogelijke in ’t gewone’ (‘Vermeer’). Hij zoekt steevast naar het schone in het alledaagse, naar de gestalte van de eeuwigheid in de waarneming van natuur (planten, bloemen, dieren, kruiden), mensen en kunst. Hij is een grensbewoner, iemand op het kantelende breukvlak van verleden en toekomst, van geschiedenis en mythe. Als een wandelaar tekent hij met filologische acribie op (letterlijk uit liefde voor het exacte woord); hij wil afstand nemen om ‘’t raadsel te tonen’, maar vanuit het besef dat hij inherent deel uitmaakt van dat ‘raadsel’. Dit existentiële dualisme is naast het thema van de tijdelijkheid de rode draad in Van Herreweghens weerbarstige, grensoverschrijdende pogingen om in en met taal te conserveren.
(Yves T’Sjoen in Ons Erfdeel)

1999: Een Brussels tuintje. Tekeningen Anne van Herreweghen, Leuven, P, 72 p.
Een Brussels tuintje is een mooie, met pentekeningen van Anne van Herreweghen geïllustreerde bundel waarin Hubert van Herreweghen een aantal verzen bijeenbracht rond de hoofdstad. … Als geen ander dichter weet Van Herreweghen een indruk, hoe onopvallend die ook moge zijn, aan te grijpen om die dan in zijn verzen op een hoger niveau te tillen. … Het nadrukkelijkst geeft de dichter zich bloot in afdeling drie, ‘Een huis in de voorstad’: verzen die vaak vanuit een weemoedige terugblik (‘we zien maar iets als ‘t verdwijnt’), het geloof in het hogere vertolken: In water, in licht, in zand / staan hiërogliefen geschreven. / In vriendschap daarmee wil ik leven / en geloven in het verband (‘Rouw’).
(Jooris van Hulle in Vlaanderen)

1999: Dirk de Geest (samenst.), Bloemlezing uit de poëzie van Hubert van Herreweghen. Dichters van nu 13, Gent, Poëziecentrum, 255 p.
Ook Dirk de Geest, die in de onvolprezen reeks Dichters van nu een bloemlezing samenstelde uit het werk van de dichter die merkwaardig genoeg evolueerde van klassiek naar postklassiek is een betrouwbare gids. Hij toont overtuigend aan dat Van Herreweghen niet bepaald de grootste innovator van na de Tweede Wereldoorlog is, maar dat hij zijn klassieke poëzie van binnenuit vernieuwd heeft.
(Paul Demets in Knack)

2000: Kornoeljebloed. Gedichten. Tielt, Lannoo, 60 p.
[I.v.m. het gedicht Lente in Pede] Door het gebruik van woorden uit de sfeer van spraak en taal (stil, mond, sprakeloos) gaat dit gedicht van Van Herreweghen niet alleen over de natuur, maar ook over de poëzie. In de stilte ligt de poëzie reeds besloten, in de poëzie krijgt het sprakeloze een mond. De dichter is degene die zich bevindt op de grens tussen zwijgen en spreken, degene die de barst vastlegt. Die barst komt bij Van Herreweghen ook typografisch mooi tot uiting, zijn verzen springen en verspringen alsof zij voortdurend hun plaats moesten veroveren op het witte blad. Daardoor komt Van Herreweghens credo van “toon en tegentoon” goed tot zijn recht: woord en leegte hebben evenveel bestaansrecht en komen uit elkaar voort. De plaats van de tekst, van de taal, moet, zoals uit Van Herreweghens onrustige typografie blijkt, voortdurend gewonnen worden op het lege blad. De grens tussen geen en wel poëzie wordt daardoor dunner dan men zou vermoeden. Het wit dat voor en tussen de regels verschijnt neemt immers deel aan het gedicht, het is meer bepaald door de afwezigheid van een vers dan door zijn eigen aanwezigheid.

(Elke Brems in Ons Erfdeel)

2000: Fluitenkruid. Pentekeningen Anne van Herreweghen, Brussel, Cultura, 61 p. Bibliofiele uitgave van Kornoeljebloed met een gewijzigde volgorde.
Precies zoals de schilder Maurits van Saene zijn kleurrijke palet de rug toekeert ten gunste van het naar wit neigende ‘metafysisch grijs’ van meditatieve landschappen, pleit Van Herreweghen voor een ‘leegte’ die de angst voor de vernietigende krachten van de natuur helpt om te buigen tot een weerbare vorm van geduld, tot een gevoeligheid voor de sacrale dimensie van het hoe dan ook steeds naar dood verglijdende leven. In de tweede afdeling van Kornoeljebloed – ‘Een klaverblad van vieren’ – wordt die aanvaarding omgezet in een vruchtbare deelname aan de vaak onachtzaam voorbijgelopen of met de voet getreden wonderen der natuur. De dichter-wandelaar toont zich verrukt over de ongerepte schoonheid van kleine, kwetsbare bloemen, kruiden en planten die ‘langs bermen en beken’ hun verwilderde aard ‘in de ovalen lijst / van een namiddag / tot stilleven’ laten milderen. Van Herreweghen brengt zo een soort natuurlyriek tot leven die al te zeer doortrokken lijkt van zijn vertrouwdheid met de (voorvaderlijke) cultuur en beschaving om lyriek te heten, maar die niettemin de taal zozeer tot een betoverend klankspel herschept om haar dat label te misgunnen.
(Dirk Hanssens in Poëziekrant)

2002: Een kortwoonst in de heuvels. Gedichten, Tielt, Lannoo, 64 p.
Een bundel waarin het Herreweghse universum vanop de eerste bladzijde de lezer al naar de keel grijpt. ‘Avond op het eiland’ evoceert een maansopgang boven de zee, die niet toevallig meteen verbonden wordt met een mythisch verhaal van passie en moord, om te eindigen op onvergetelijke slotregels: ‘De nacht, de zee, de maan, zijn oud. / Groots is het drama Dag voltogen’. Meteen is duidelijk hoe Van Herreweghen beschrijvende elementen steevast op een symbolische wijze gebruikt, waardoor ze een exemplarische dimensie krijgen. Minstens even opmerkelijk als die coherente visie op de wereld is echter het taalgebruik. Als geen andere dichter weet Van Herreweghen de rijkdom van de taal ten volle te benutten. Voortdurend duiken in zijn gedichten woorden op die geen mens nog kent; zij verlenen aan deze lyriek iets boventijdelijks, maar tegelijk versterken zij de klanklaag en de ritmische coherentie van deze gedichten. Ook hier weer weet de dichter immers zijn ideeën om te zetten in een melodieuze en ritmische poëzie die op sommige ogenblikken doet denken aan kinderrijmpjes en elders weer het vers veelbetekenend in horten en stoten opbreekt. Kortom, dit is een lyriek om te koesteren.
(Dirk de Geest in Leesidee)

2003: De schaking van een prinses. De 100 mooiste liefdesgedichten, Tielt, Lannoo, 162 p.
Merkwaardig is wel dat de gedichten hier door elkaar worden geplaatst, niet in een chronologische maar in een thematische ordening, en dat de eerder gepubliceerde verzen samengaan met een groot aantal nieuwe teksten. Het resultaat is echter verrassend en poëtisch bijzonder sterk. Van Herreweghen weet immers, zeker in zijn recentere werk, een speelse zegging en een onnavolgbaar gevoel voor ritme en klank te paren aan een grote poëtische intensiteit. Je wordt meegezogen in de muzikale frasen, in het spel van toon en tegentoon. Tegelijk zijn echter de oudere verzen in dit ‘nieuwe’ gezelschap allerminst voorbijgestreefd. Integendeel, net de combinatie brengt je geregeld tot verrassing.
(Dirk de Geest in De Leeswolf)

2005: Een lamentatie van de melaatse koning. Tekeningen Anne van Herreweghen, Leuven, P, 84 p.

Al snel wordt duidelijk dat deze particuliere geschiedenis slechts het oppervlakteverhaal vormt voor een meer algemene problematiek. Het gaat Van Herreweghen om de ijdelheid van de vergankelijke mens. Die streeft naar heroïek en aardse schoonheid, maar bereikt die veel te vaak door moord, leugen of bedrog. … Het lamento-karakter van dit poëtische verhaal wordt klankmatig versterkt doordat de meeste kwatrijnen ‘-ach’ als enige rijmklank hebben. Dit zeer mooi uitgegeven bundeltje, met tekeningen van dochter Anne van Herreweghen, is een krachtige en tegelijk bijzonder poëtische oproep tot deemoed.
(Carl de Strycker in Kunsttijdschrift Vlaanderen)

2008: Het is een geur die ge moet vinden. Met tekeningen van Anne van Herreweghen en een inleiding door Dirk de Geest, Leuven, Provincie Vlaams-Brabant en P, 32 p.
Hubert Van Herreweghen is de wandelende weerlegging van het romantische cliché dat poëzie voorbehouden is aan jonge hemelbestormers met weelderige krullen. Hoe ouder hij wordt, hoe narriger zijn poëzie. Hoe beter. Hoe moderner. Hoe jonger. … Talen die hun dialecten afschudden, dreigen te verdunnen, te verijlen, te verdrogen. Zulke talen zijn kwalijke grondstof voor de dichter. Hubert van Herreweghen aarzelt niet om vergeten woorden of dialectwoorden die buiten zijn Brabant nauwelijks te horen zijn, vast te pakken en neer te zetten, precies op de plek waar het gedicht ze nodig heeft. Van Herreweghen voedert onze taal, hij bemest het Nederlands.
(Geert van Istendael in Poëziekrant)

2009: Webben & wargaren. Met een portrettekening van Anne van Herreweghen, Leuven, P, 64 p.
Dit warme vitalisme, in een tot zingen toe geslepen taal, maakt het lezen van Webben & wargaren tot een opwekkende ervaring. Tegenover de webben en het kluwen in ons hoofd, tegenover de duisternis achter ‘der dingen oppervlak’, tegenover het hoge buiten ons, staat de helderheid van de natuur, de eenvoud van de dingen, de grond waarin we geworteld zijn. ‘Poëzie komt uit den hoge’, maar ook: ‘poëzie komt uit de grond’. In die tussenruimte beweegt zich niet alleen de dichter, maar elke mens die leeft in het hier en het nu. Webben & wargaren presenteert zich als een bescheiden bundel van een oude dichter, maar is in feite een frivool meesterwerk vol vitale wijsheid, die in zangerigheid niet moet onderdoen voor het betere werk van Gezelle.
(Bart Van der Straeten in Knack)

Postludium: Vijfmaal Van Herreweghen over zichzelf

De dichters schrijven niet in bende, denken of voelen niet in groep, zijn tenslotte, ook degenen die branden van liefde voor de gemeenschap, hyperindividualisten. Zij reageren verschillend, en op het eerste gezicht soms volkomen onbegrijpelijk, soms schijnbaar niet, op het leven, de phenomenen, de gebeurtenissen, de invloeden, de stromingen van hun tijd. … Maar men kan thans geen gedicht meer schrijven om het gedicht, of als men het doen zou, dan ware het niet om de irrationaliteit van de poëzie, maar om de absurditeit van het leven te demonstreren. … De dichters gevoelen een zekere weerzin en angst om zich aan het absolute lyrisch gevoel over te geven. Zij staan er critischer tegenover. Daardoor wordt vaak nerveuzer, abrupter geschreven en herkent men in typische gedichten van deze tijd een gestyleerde wanorde, een spel van tonen en tegentonen, moderne onrust in klassieke maat.

Getuigenis 1950: De Poëzie in: R.F. Lissens (red.), De Vlaamse literatuur sedert Gezelle. V.E.V.-Berichten, Antwerpen, 1950, p. 84. (gecursiveerd door Hubert van Herreweghen)

Mijn vader las en leefde naar Thomas a Kempis. Hij was een beetje een tobber, wat zwaar op de hand, teruggetrokken. Hij had de wereld niet nodig, hij las veel, hij dacht na, was een trouwe abonnent van De Maand, volgde de ontwikkelingen wel, kon er – ernstig – over spreken. Mijn moeder was vrolijk, levenslustig, zij was ritmisch, ik hoor haar nog alle dagen zingen, zij kende een oneindig aantal rijmen en liedjes. Zij had een geweldige liefde voor het leven.
– Gesprek met Jaak Dreesen (De Bond, 23 augustus 1968)

Poëzie is geen spuiten van gevoeligheden, van schone, diepe, heilige gevoelens. Het is ook niet het cerebrale spel dat linguïsten en Professoren in de Lyriek dissecteren. Het heeft van beide: het is een zig-zag-reis van hier naar daar en weer naar hier. En naar daar. Poëzie dánst de menselijke situatie, zo perfect mogelijk. Poëzie is altijd een dans. Pas op voor stilstaande gedichten! Het zijn poelen waarin de rotting begint. … Ritme is voor mij álles. Bij de geboorte van het gedicht hangt het ritme samen met het woord. Het is zelfs ouder dan het woord. Het ritme zoekt het woord dat het nodig heeft. En natuurlijk gaat dat woord dan zelf zijn gang. Het woord is eigenzinnig. Het komt uit de diepte, uit het vegetatieve, en rijst naar boven… Het gedicht maakt zichzelf, groeit, een boom, een struik, uit een zaad, uit een kern. En het woord van de poëzie heeft geen adjectieven nodig. Adjectieven zijn rot. Zij leiden de lezer te veel bij de hand of de neus. Zij verminderen de autonome waarde van het gedicht.
– Gesprek met Gaston Durnez (De Standaard, 12-13 oktober 1985)

Ja, Eros en Tanatos. Het zijn natuurlijk allemaal grote woorden en in proza klinkt het een beetje vals, maar ik ben een eschatologisch levend, denkend, voelend mens. Ik leef met de uitersten. Ik heb een tragische, dramatische natuur. Mijn tweede bundeltje heette Liedjes van de liefde en de dood, en dat zijn mijn eigenlijke thema’s. Over andere zaken heb ik niets zinnigs te vertellen. In de momenten van uiterste gevoeligheid, als men iets als een ritme ervaart, een ritseling in de struiken die men als een inspiratieve stem kan beschouwen, dan bestaat er niets anders meer dan die twee essentiële dingen.
– Gesprek met Ivan Ollevier (Knack, 24 december 1986)

Mijn vader en ik hielden deze uitspraak voor ogen: “Ga nooit naar de mensen; ik ben nooit beter van de mensen teruggekeerd.” Het was een afgrondelijk, zwart pessimisme. Op die basis hebben Jos de Haes en ik geschreven. … Samen met hem vond ik – en dat is nog altijd niet veranderd – dat poëzie niet warm en week mag zijn; bij fruit komt daar ook niets goeds van. Het donkere en het giftige interesseert me meer. … Over ‘tonen en tegentonen’ – gestileerde wanorde – etc. Ik zou het inderdaad nog steeds niet beter kunnen zeggen.
– Gesprek met Paul Demets (Knack, 2 juli 2003)

Gepubliceerd in: Kunsttijdschrift Vlaanderen, 59(2010)1, nummer 329, pp. 3-9.