Het eerste en het beste wat we kregen

Koenraad De Wolf interviewde Patrick Lateur voor Tertio, waarin de auteur vertelt hoe hij via het woord gestalte tracht te geven aan waarheid, goedheid en schoonheid.

Dichter en vertaler Patrick Lateur: ‘Het woord is het eerste en het beste wat we kregen’

Dichter en vertaler Patrick Lateur ambieert door het woord gestalte te geven aan de waarheid, de goedheid en de schoonheid. “Dat is mijn vorm van maatschappelijk engagement.”

“Zestig jaar geleden werd ik geboren in Beveren-Leie. In de lagere school van mijn geboortedorp bracht onderwijzer Gentiel Callewaert, die ook dirigent was van een koor, mij door het zingen de zin voor schoonheid bij. Tijdens mijn middelbare studies aan het Heilig-Hartcollege in Waregem keek ik op naar priester-leraar Guy Algoet. Hij opende mijn ogen op de wereld. De man was sterk geëngageerd, onder meer als proost van de KSA, waarvan ik jarenlang lid was. Daarnaast oefende Etienne Verhack, een andere priester-leraar, een grote invloed op mij uit. In de lessen Latijn, Frans, Nederlands, geschiedenis en godsdienst leerde hij ons omgaan met teksten. Die zin voor schoonheid, engagement en de voorliefde voor literatuur die ik op school meekreeg, kon ik ten volle ontplooien omdat ik daarvoor ook thuis de ruimte kreeg.

Na mijn studies klassieke talen aan de universiteit van Leuven ging ik als leraar Latijn en Grieks aan de slag in het onderwijs. Van 1973 tot 2007 gaf ik les aan het Sint-Vincentiusinstituut in Gijzegem bij Aalst. In de eerste helft van mijn loopbaan engageerde ik mij voluit in de organisatie van culturele en pastorale activiteiten. Maar het dierbaarst was me het lesgeven zelf. Voor de klas staan heb ik altijd aangevoeld als een roeping. De administratieve papierberg nam gestaag toe, maar voor mij stond de inhoud centraal. Want meer dan we vermoeden, hunkeren jongeren naar kennis en inzicht. Ik zag het als een opdracht hen niet alleen ‘veel te eten te geven’, maar er ook voor te zorgen dat dit eten ‘lekker smaakt’.

De vakken Latijn en Grieks geven was bijzonder dankbaar omdat onze wortels deels in de teksten van antieke auteurs liggen. Leerlingen kunnen zich daarin nog herkennen op voorwaarde dat je die teksten tegen het licht van vandaag houdt. Die eeuwenoude teksten hebben aan actualiteitswaarde niets ingeboet. In mijn lessen ging ik ook geloofsvragen niet uit de weg. Zo gaven de oude godsbeelden in antieke teksten aanleiding tot een kritisch bevragen van het hedendaagse godsbeeld. Die teksten kunnen nog altijd helpen een godsbeeld uit te zuiveren.

Naast het lesgeven was ik jarenlang ook buiten de school sterk geëngageerd. Ik richtte een Bijbel-groep op, was actief in het Davidsfonds en in het dekenaat Aalst, tot ik in 1988 wegens fysieke redenen mijn activiteiten afbouwde. Ik had het gevoel dat ik in de drukte mezelf vaak voorbijliep.

Onbekende teksten vertalen is voor mij een vorm van engagement.

Toen begon ik te schrijven en te vertalen. Mijn eerste bundel, Catacomben, ging terug op mijn ervaringen in de zomers van 1974-1976 toen ik als gids rondleidingen gaf in de catacomben van Callixtus in Rome. Afdalen in de vroegchristelijke begraafplaatsen aan de Via Appia was een terugkeer naar de authentieke wortels van onze christelijke cultuur. Daar kan je de aanwas en ballast van de latere eeuwen achterlaten en je laven aan de bron. De teksten en symbolen, beelden en fresco’s van die eerste christelijke gemeenschappen confronteerden mij weer met de kern van het verhaal dat nog altijd ons verhaal is.

Daarnaast inspireerde Franciscus van Assisi mij. Een kleine duizend jaar na het vroege christendom probeerde hij – haaks op de samenleving en de kerk van zijn tijd – het evangelie weer zijn originele kracht te geven. Centraal in Franciscus’ leven staan de ‘laetitia’ en de ‘paupertas’: de vreugde en de armoede. Hij was een speelman die vanuit een diepe vreugde alles met anderen deelde. Die boodschap blijft actueel. En vooral uitdagend voor mensen die er vandaag niet altijd vrolijk bijlopen en tegelijk geen last hebben van enig materieel tekort. De franciscaanse plekken in Umbrië zijn mij zeer dierbaar.

Behalve op poëzie schrijven legde ik me almaar meer toe op de vertaling van teksten die ik zelf belangrijk achtte. Daartoe behoren auteurs uit de Griekse en Latijnse literatuur, maar ook het Zonnelied van Franciscus en de Vita van Martinus van Tours. Dat zijn verzen en verhalen die het christendom een gezicht hebben gegeven en ons geloof hebben gevoed. Ook in de hedendaagse literatuur zoek ik graag dat soort teksten op: bij Mario Luzi en de onlangs overleden Italiaanse dichteres Alda Merini. Ook daar zoek en vind ik sporen van een zoektocht naar God.

Vertalen of het toegankelijk maken van onbekende teksten die anders opgesloten blijven in een voor velen vreemde taal, is voor mij een vorm van engagement, van dienstbaarheid aan de gemeenschap. Maar omdat de taal en het taalgevoel evolueren en er voortdurend nieuwe inzichten groeien, is het aangewezen bekende grote teksten om de twintig jaar opnieuw te vertalen. Zo leg ik nu de laatste hand aan een nieuwe vertaling van de Ilias van Homerus – het oudste gedicht van de Europese literatuur. Ondanks die drukke vertaalactiviteit hoop ik te werken aan een nieuwe poëziebundel rond de Italiaanse renaissanceschilder Piero della Francesca.

Zowel in mijn poëzie als in mijn vertaalwerk staat het woord centraal. Het woord is het eerste en het beste dat wij hebben gekregen. Zonder het woord, gesproken of geschreven, was er geen cultuur denkbaar en is er, denk ik, ook geen geloof moge- lijk. Niet toevallig begint Johannes zijn evangelie met: ‘In het begin was het woord…’ Met het woord iets zinvol doen, is mijn drijfveer. Met het woord kan je getuigen en overtuigen, en zoek je naar waarheid. Met het woord, geschreven of gesproken, laten wij ons in met schoonheid. Met het woord roepen we elkaar op tot handelen, tot goedheid.

In al mijn bezigheden probeer ik daaraan gestalte te geven. Het woord is de bedding waarin alles blijft stromen. Door op die manier bezig te zijn, voel ik mij een gelukkig mens.”

Verschenen in: Tertio, nr. 514, 14 december 2009.