Luc Devoldere lid van de KANTL

Op 20 oktober 2009 werd Luc Devoldere opgenomen als lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent. Patrick Lateur sprak daar volgende laudatio uit. De tekst verscheen ook in het Jaarboek van de KANTL 2010.

Geachte voorzitter, waarde collega’s, geachte genodigden, dames en heren,

Vele jaren van waardering voor zijn werk als classicus, als redacteur en als auteur, vele momenten van samenspraak op de Piazza della Rotonda voor het Pantheon in Rome of langs de oevers van de Dender die ons beiden, West-Vlamingen van bij de Leie, als Aalstenaars verenigt, vele boeken en gedachten die ons binden, zorgen ervoor dat het voor mij een bijzondere opdracht is vandaag Luc Devoldere te mogen verwelkomen in deze Academie.

***

Luc Devoldere is afkomstig van het Streuvelsdorp Heule en woont thans in het Boondorp Erembodegem. Hij studeerde oude talen en wijsbegeerte in Kortrijk en Leuven, bleef dan vanaf 1978 tweeëntwintig jaar lang in Oost- Vlaanderen werken als leraar Latijn en Grieks in het Sint-Barbaracollege hier in Gent, en trok nadien terug naar West-Vlaanderen om zes jaar te fungeren als adjunct-hoofdredacteur bij de Stichting Ons Erfdeel. Sinds 2002 is hij hoofdredacteur en afgevaardigd-bestuurder van wat sinds september 2005 Ons Erfdeel vzw heet.

Devoldere is ondervoorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden en lid van de Commissie Letteren en Taal van de Provincie West-Vlaanderen. Hij zetelt en zetelde in de jury van o.m. de Dirk Martensprijs, de Henriette de Beaufortprijs en de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap.

De lezingen die hij gaf en de reisverhalen, kritieken en essays die hij schreef voor tal van tijdschriften vonden achteraf dikwijls in hun geheel of gedeeltelijk een plaats in een van de zes boeken die hij tot dusver sinds 1994 publiceerde. Een paar boeken zijn van de hand van de italianisant Devoldere. Grand Hotel Italia. Een reis in de geest uit 1994 was zijn veel gesmaakt debuut dat begint en eindigt in Rome. Italië en Rome zijn ook het eindpunt in De verloren weg. Van Canterbury naar Rome uit 2002, waarin Devoldere de aloude pelgrimsroute afloopt. Het boek eindigt met een Romeins alfabet, dat twee jaar later overgaat in een groot Italiaans alfabet in Mijn Italië, bekroond met de Prijs Essay van de Provincie West-Vlaanderen. De reiziger Devoldere tekent in 2008 ook voor Het Grote Rivierenboek. Schelde, Maas, IJzer, Leie. Een reisverhaal met bloemlezing (ook in het Frans: Ces fleuves qui nous unissent), een uitgave van Ons Erfdeel vzw die ook radio Klara inspireerde tot een reeks uitzendingen rond hetzelfde concept.

In 2002 verscheen een reeks essays Wachtend op de Barbaren, twee jaar later bekroond met de Prijs Letterkunde van de Vlaamse Provincies voor Essay. En heel recent werd in deze zaal zijn voorlopig laatste boek voorgesteld: Lucifers bij de brand. Notities.

Verder redigeerde en bundelde hij een reeks essays over een van zijn lievelingsauteurs Marguerite Yourcenar onder de titel Verken uw gevangenis, en schreef in het Vernejaar 2005 een bladzijde – in het Latijn, nota bene – voor De reis om de berg in 80 verhalen, een waanzinnig verhaal van een schrijverscollectief in de geest van Jules Verne.

De lezers van Lucifers bij de brand weten inmiddels wat zijn volgende boek wordt: een reis langs de grenzen van het Imperium Romanum, “grenzen die bepalen en beperken, die identiteit geven en uitsluiten, beschermen en hypothekeren.” Een alternatief boek over Europa. En ik durf te wedden dat nog vroeger dan dat Europees boek er een vertaling komt van Pasolini’s De as van Gramsci, waarvan een mooie aanzet te vinden is in het Lucifers-boek.

Tot zover een partieel kwantitatief beeld van Luc Devoldere.

***

De bijdragen en boeken van de essayst Devoldere getuigen van een grote eruditie, een fijne perceptie en een scherpe analyse. Zij tonen ook de gedrevenheid en het engagement van de intellectueel die pleit voor een samengaan van de rijke traditie van de Europese cultuur en de vernieuwingen en uitdagingen van de moderniteit. Door zijn redactioneel en bestuurlijk werk bij Ons Erfdeel vzw bekleedt Luc Devoldere een belangrijke plaats binnen het cultureel-maatschappelijk leven in Vlaanderen en Nederland. Door die grote betrokkenheid bij wat er in ons taalgebied gebeurt, heeft Devoldere een heel duidelijke kijk op de recente evoluties binnen kunst en cultuur in het algemeen en binnen de taal en letteren in het bijzonder. De standpunten die hij in toespraken en geschriften daaromtrent verwoordt, zijn erg relevant en bepalen mede het debat.

Devoldere stelt veel vragen en zoals het de perfecte essayist past, cirkelt hij verkennend met benaderende antwoorden rond de kern van zijn vraag. Geen enkel werkstuk van Devoldere is gesloten. Een essay blijft een poging, zoals het woord het ook vereist, een open poging die een vervolg vraagt. Hij doet dat vanuit een grote eruditie. Rudis betekent in het Latijn ruw, onbewerkt, niet verfijnd, onbeschaafd, onkundig. Wie daarin blijft steken, kan alleen rudere, brullen, bulderen, balken. En dat klinkt heel rudimentair. Maar wie eruit geraakt, wie e-rudibus komt, verwerft de eruditio, die heerlijk nutteloze overvloed aan kennis die veel verder reikt dan het vandaag obligate leren-leren, het functionele omgaan met kennis die wel ergens met hopen te rapen ligt, maar nooit verwerkt wordt en eigen gemaakt.

De boeken van Devoldere zijn stuk voor stuk wat hij zelf geregeld noemt: afrekeningen. Grand Hotel Italia ontmaskerde reeds de mythe van Italië en het zevende hoofdstuk over Venetië heet er gewoonweg Afrekening. Wachtend op de barbaren opent met: “Dit boek bevat enkele afrekeningen. Afrekeningen zijn positiebepalingen.” En het eerste hoofdstuk is Afrekenen met Nietzsche. Een half jaar later luidt het in de ouverture van De verloren weg: “Anno 2000 (annus sanctus! annus horribilis!) afrekenen, in de betekenis van ‘mijn positie bepalen’ tegenover bedevaarten, katholicisme, Grand Tour en toerisme.” Op het einde van Mijn Italië bekent hij met opzet Berlusconi buiten dat boek te hebben gehouden. De verklaring? “Die afrekening is te gemakkelijk.” En ook zijn dagboekaantekeningen zag hij als humanioraleerling reeds deels als afrekeningen. Positiebepalingen klinkt positiever, ook al gaat het voortdurend over een wikken en wegen van wat verleden of voltooid verleden tijd is en van wat zich opdringerig en onontkoombaar aandient.

De conservatieven van nu zijn de nieuwe rebellen, lezen we in het begin van zijn jongste boek. En honderdvijftig pagina’s verder: “Conservatieven zijn mensen wier hart bij het oude ligt, maar die zich toch intellectueel met het heden en (de voorzienbare) toekomst kunnen verzoenen. Daarom zouden ze doorgaans de scherpste en meest interessante observators van hun eigen tijd zijn.” schrijft Devoldere in zijn laatste boek. Ik vind dat aan die definitie een ander en minder gekleurd begrip moet beantwoorden, waarin ook Luc Devoldere perfect terug te vinden is. Hij is geen conservatief in de zin van een laudator temporis acti, geen progressief in de zin van een barricadebeklimmer. Hij geeft ons daarop ongetwijfeld een antwoord in zijn volgend schervenboek.

***

Vanuit formeel standpunt is er in de boeken van Luc Devoldere iets heel merkwaardigs aan de hand: de auteur herwerkt of verwerkt zijn bijdragen aan tijdschriften in zijn boeken en vooral: hij blijft ze verwerken. In zijn werken komen stukken terug als in een hoogst persoonlijk intertekstueel spel of als een perpetuum mobile. Wat oneerbiedig zou men het zelfs zelfplagiaat kunnen noemen. In Lucifers bij de brand komen stukken terug over de postkatholiek uit De verloren weg, over het belang van het Oudgrieks uit Wachtend op de barbaren, over plekken rond de Maas uit Het grote rivierenboek. Dat is me reeds lang geleden opgevallen bij de lectuur van Wachtend op de barbaren en vier jaar later las ik in de verantwoording van zijn Italië-boek: “Hier en daar heb ik ook fragmenten uit Grand Hotel Italia en Wachtend op de barbaren in dit boek opnieuw gebruikt, ingepast, aangepast. Ik keer graag terug naar hetzelfde been om het elders af te knagen.” Het lijkt haast een ononderbroken palinodie. Het motto van Wachtend op de barbaren, ontleend aan Galiani, is in dit opzicht veelzeggend: Continuez vos ouvrages ; c’est une preuve d’attachement à la vie que de composer des livres. Ook op die manier krijgt het essay iets terug van wat het etymologisch betekent: een proeve, een voortdurende misschien nooit ophoudende poging om geschreven te krijgen wat men wil zeggen. Een mooi voorbeeld daarvan is het verhaal van deugden en zonden. In De verloren weg en Wachtend op de barbaren gaat het nog quasi uitsluitend over de zonden, maar in Lucifers bij de brand domineren onder de titel De peccatis et virtutibus de deugden in een lange taxonomie van bijna drie bladzijden. En die eindigt heel lakoniek: Ga nu en zondig je deugden.

Luc Devoldere schrijft ook in een erg aantrekkelijke stijl. Als ik me beperk tot zijn laatste boek, zijn fragmentarische aantekeningen, dan is de keuze zelf voor het fragment op zich al heel merkwaardig. Zijn kritische benadering van mensen en dingen zou daardoor wat versplinterd kunnen lijken, maar niets is minder waar. Tot zelfs de kleinste annotatie, niet langer dan een lijn, is een flitsend inzicht. In het detail laat zich het geheel aanvoelen. Het meest opmerkelijke in zijn stijl is de variatio. De fragmenten roepen verre horizonten op en staan dan plots weer stil bij familiale omstandigheden, ze verwijzen naar lectuur van oude en hedendaagse teksten, aforismen wisselen af met kleine essays, brieven met citaten, ontleende vertalingen met eigen vertaalwerk, nergens staan er uitroeptekens, wel sterk affirmatieve zinnen en heel veel vragende zinnen. Devoldere houdt zijn lezers alert, niet alleen met zijn gedachten, ook met zijn verwoording. In zijn werk gebeurt literatuur.

***

Beste Luc,

als essayist, als oplettend toeschouwer en als actief speler in het maatschappelijk-culturele veld is er voor u in deze Academie ongetwijfeld een belangrijke rol weggelegd. Wij verwelkomen u van harte.

Foto: Luc Devoldere, Walter van den Broeck en Patrick Lateur in de KANTL, 20 oktober 2009.

Verschenen in: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 2010, Gent: KANTL, pp. 108-111.