Verenigd in de letters

VWS

Op 29 april 2009 hield Patrick Lateur in het Erfgoedhuis van Kortrijk een feestrede voor de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Je vindt hieronder de tekst ervan terug.

Verenigd in de letters. Over literaire verenigingen

Geachte voorzitter en erevoorzitter,
beste collega’s in de letteren,
dames en heren,

Vlaanderen is een land van schrijvers die zich makkelijk en graag verenigen. De Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers, zonder meer de meest dynamische en meest productieve van de literaire verenigingen met een regionaal of provinciaal karakter, heeft een reeks zusterverenigingen waarvan het bestaan wellicht minder bekend is. De oudste is de Vereniging van Kempische Schrijvers, die werd gesticht in 1934 en dit jaar 75 jaar oud is. Twee jaar jonger is de Vereniging van Limburgse Schrijvers uit 1936, die een halve eeuw later het predikaat van Koninklijk kreeg. In Gent resideert nog steeds de Vereniging van Katholieke Oost-Vlaamse Schrijvers, opgericht in 1948, en in Brabant moet er rond het tijdschrift Verba iets bestaan als een Vereniging van Vlaams-Brabantse Auteurs. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het belang van de respectieve verenigingen overeenstemt met de chronologische volgorde waarin ze hier worden vermeld.

Vlaanderen kent uiteraard nog meer literaire verenigingen die letterkundigen samenbrengen, zoals de Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs of de verenigingen die de beroepsbelangen van auteurs verdedigen: in 1907 werd de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen gesticht, de oudste schrijversvereniging in Vlaanderen, en net geen honderd jaar later ontstond de Vlaamse Auteursvereniging die de fakkel van de V.V.L. lijkt overgenomen te hebben. Verder is er PEN Vlaanderen, dat aansluit bij de wereldwijde auteursvereniging die ijvert voor vrede en vrije meningsuiting en zich verzet tegen elke vorm van censuur. En dan zijn er nog de vele auteursgenootschappen die het oeuvre van grote namen als Gezelle en Buysse, Streuvels en Timmermans, Elsschot en Boon bestuderen en levendig houden.

Bij deze feestelijke gelegenheid wil ik in drie bewegingen mijn gedachten laten gaan over het eigen karakter van een literaire vereniging in het algemeen en van de VWS in het bijzonder, over de intrinsieke kracht van de VWS die haar bestaan nu al bijna een halve eeuw garandeert en over de virtuele uitdaging anno 2009.

***

Schrijvers, dames en heren, vechten in de stilte van de werkkamer tegen het wit van papier of tegen de leegte van het scherm. Het is een eenzaam gevecht en precies omwille van die alleenheid zoekt een auteur geregeld naar een klankbord dat hij o.m. in literaire kringen kan vinden. Een van de oudste voorbeelden daarvan is te lezen in de beroemde negende satire van Horatius, die begint met een vers dat sommigen onder u misschien nog in het hoofd hebben: Ibam forte Via Sacra, sicut meus est mos…  Toen ik een keertje volgens mijn gewoonte / flaneerde langs de Via Sacra… (vert. Anton van Wilderode, 1988) De grote dichter Horatius wordt er lastig gevallen door een zelfverklaarde poëet, die in de kring van Maecenas probeert te geraken. Wat hem finaal uiteraard niet zal lukken, maar het zegt veel over de literaire kring rond de figuur van Maecenas, de grote adviseur van keizer Augustus, met dichters als Vergilius, Varus, Propertius en Horatius. Zo’n kring trekt aan omwille van de status, en die status heeft alles te maken met kwaliteit, wat de lastpost dan weer niet begreep of wilde begrijpen. Horatius zelf moest na zijn eerste introductie negen maanden wachten eer hij van Maecenas antwoord kreeg dat hij werd toegelaten. Hij laat en hoort zichzelf spreken tot het dichtertje en hij heeft het over de omgangsnormen: Ons leven daar is niet / zoals jij denkt. Er heerst geen concurrentiestrijd … want iedereen heeft daar / zijn eigen plaats (48b-51a, vert. Piet Schrijvers, 2003). Dergelijke voorbeelden van literaire kringen in de schaduw van machthebbers zijn legio. Zo verzamelde Frederik II in de eerste helft van de 13de eeuw in Palermo op Sicilië rond zich de allereerste generatie Italiaanse dichters.

Later zoeken literatoren elkaar op buiten de machtscentra. In de 17de eeuw was het huis van de dichter Roemer Visscher in Amsterdam een trefpunt van intellectuelen en artiesten. Op het Muiderslot, de ambtswoning van Hooft, ontving Hooft vaak Vondel, Huygens, Barlaeus en Anna Roemer Visscher, terwijl in Middelburg zich een aantal dichters een tijdlang verzamelden rond Jacob Cats. Vlaanderen kende in de vorige eeuw nogal wat literaire kringen en kapellen, en dat verschijnsel is er vandaag nog altijd. Auteurs die zich op dezelfde literaire lijn bewegen, zoeken elkaar op. En zo hoort het ook.

Auteursverenigingen met een verruimde werking binnen een hele regio, zoals die in de vorige eeuw ontstonden, overstijgen dan weer de beslotenheid van een literaire kring. Wellicht heeft het ontstaan ervan te maken met het feit dat de bescherming door mecenassen en vorsten grotendeels was weggevallen en dat naast een belangenvereniging als de V.V.L. uit het begin van de jaren 1900, ook de noodzaak werd aangevoeld aan te leunen bij lokale collega’s en vrienden-auteurs om elkaars werk wederzijds te steunen en te stimuleren. Een element dat zeker bepalend zal geweest zijn is de exponentiële groei van het aantal schrijvers zowel binnen het literaire als binnen het wetenschappelijke veld. Vooral in de kunstwereld van de 20ste eeuw is het een algemeen fenomeen: de smalle artistieke toplaag krijgt een enorm brede onderlaag.

Wat me opviel bij de lectuur van Panorama op de West-Vlaamse letteren, het jubileumnummer 250-251 van de VWS-cahiers van de hand van Fernand Bonneure, is het feit dat het volgehouden werk steeds uitging van een handvol mensen. Het VWS-bestuur moet al vlug hebben ingezien dat een geregelde bijeenkomst van schrijvers niet haalbaar was. Auteurs horen misschien wel graag ergens bij, maar dagen weinig op. En het bestuur heeft eveneens goed ingeschat dat een bibliotheek van de West-Vlaamse letteren het meest zinvolle middel was om de vereniging een gezicht te geven zonder op een regionalistische en provincialistische manier te denken aan een West- Vlaamse identiteit. Want ik zou niet weten wat coryfeeën – ik noem ze in de volgorde waarin over hen een cahier verscheen – als Abicht, Provoost, Moeyaert, Vanden Heede, Claus, Verhelst, Gruwez onderling verbindt behalve de letteren. Overigens zond ook het literaire West-Vlaanderen zijn zonen en dochters duchtig uit. Alleen Sylvia Vanden Heede bleef er wonen. Wat wel West-Vlaams is, is de werkkracht waarmee die indrukwekkende bibliotheek van bekende en veel minder bekende en zelfs onbekende namen vorm kreeg, een schatkamer voor wie uit nieuwsgierigheid of uit wetenschappelijke belangstelling iets wil lezen of opzoeken. En het einde ervan is nog duidelijk niet in zicht.

***

Vanaf het begin, dames en heren, – en ik kom tot mijn tweede beweging – heeft de VWS nooit exclusieven gesteld tegen een of andere literaire opvatting of levensbeschouwing. Naar mijn aanvoelen is dát de grote intrinsieke kracht geweest die de vereniging nu bijna een halve eeuw lang levendig houdt.

Ideologisch gezien lag dat in het West-Vlaanderen van rond 1960 niet eenvoudig. West-Vlaanderen, dat weten we, is altijd een beetje katholieker geweest dan de rest van Vlaanderen. Uit de aantekeningen die Fernand Bonneure in het begin van zijn historisch overzicht in het jubileumnummer maakt, blijkt dat een eerste aanzet tot het bijeenbrengen van West-Vlaamse auteurs van diverse strekkingen gefnuikt werd na de publicatie van een bundeling gedichten en verhalen van meerdere auteurs onder de titel Werk 60 (7-9). En toen André Demedts een jaar later in De Periscoop schreef dat er “een neutrale vereniging van West-Vlaamse auteurs” was opgericht, vroeg Jan Vercammen een rechtzetting: niet neutraal schreef hij, maar algemeen, “dat wil zeggen dat niet alleen verschillende levensbeschouwingen doch ook verschillende literaire credo’s er in vertegenwoordigd zijn. De statuten voorzien erin dat in de toekomst van deze alzijdigheid geen afbreuk kan worden gedaan.” (15)

Aan dit soort discussies gaan wij vandaag glimlachend voorbij, maar ik wil aan de hand van wat er zich in Oost-Vlaanderen heeft voorgedaan aantonen hoe vruchtbaar dit standpunt van Vercammen en het bestuur is geweest voor de VWS. In Oost-Vlaanderen bestond sinds 1939 Pan, de Kring van Oost-Vlaamse Letterkundigen, van vrijzinnige signatuur. In 1948 werd de Vereniging van Katholieke Oost-Vlaamse Schrijvers opgericht. Een herkenbaar gegeven in het verzuilde Vlaanderen. Literatoren uit beide verenigingen, o.m. Gaston Martens, Filip de Pillecyn en Paul de Keyser wilden tot één vereniging van àlle Oost-Vlaamse schrijvers komen en stichtten in 1954 de Vereniging van Oost-Vlaamse Letterkundigen, die een twintigtal jaren zou bestaan. Bonneure vermeldt in zijn kroniek van de VWS dat er op 6 april 1963 een verbroedering plaatsvond met de V.O.L. (Panorama …, p. 19). De oprichting van een derde Oost-Vlaamse auteursvereniging werd niet door alle leden van de twee andere verenigingen even enthousiast onthaald. Louis Paul Boon ging in de Vooruit van 24 juli 1954 zelfs nog wat verder en vond een auteursvereniging op zich maar niets: “Ondertussen vertik ik het nog steeds lid te worden van om het even welke vereniging van letterkundigen. Als het inderdaad een vakbond zou worden waaraan ik mijn bijdrage lever om mij maatschappelijk en moreel gesteund te weten, dan ja… Doch als het slechts is om gezamenlijk een blaadje uit te geven (…), God, dan blijf ik liever lid van de verenigde Konijnenstropers der Kluisbossen, onder het motto ‘elke zondag eentje in de pot’. Daar tenminste heeft men nog de indruk, iets te doen dat menselijk en verboden is”. Boons standpunt werd vermoedelijk ook ingegeven door de weinig creatieve werking van de vrijzinnige en de katholieke auteursvereniging. Op termijn was het resultaat in Gent wel dat na het wegvallen van de gemeenschappelijke vereniging alleen de Vereniging van Katholieke Oost-Vlaamse Schrijvers overbleef, die vandaag nog altijd en petit comité samenkomt. Met alle respect, maar als de combinatie van geografische en levensbeschouwelijke of politieke afbakening zou worden doorgetrokken, dan had er ook iets kunnen bestaan als de Vrijzinnige Limburgse Auteurs, de Socialistische Antwerpse Schrijvers en de Vlaams-Nationale Vlaams-Brabantse Literatoren. Waarmee ik wil aantonen hoe heilzaam het standpunt van de VWS in 1961 wel geweest is.

In het huis van de literatuur zijn er vele kamers, vooral ook op literair- theoretisch vlak. De openheid voor een veelzijdigheid op het vlak van literaire visie én van levensbeschouwing, heeft in de gepubliceerde cahiers een rijke veelstemmigheid gelegd. De VWS-cahiers zijn evenvele uitnodigingen om het werk te verkennen van een hedendaagse taalwetenschapper en een woordenverzamelaar uit het verleden, van een kardinaal met een goede pen of een eminente sceptische ethicus, van een jeugdschrijver en een thrillerauteur, van een esthetiserende letterkundige of een maatschappelijk geëngageerde literator, van een historicus en van een positieve wetenschapper, een avant-gardist en een klassieke schrijver, van overbekende auteurs en van totaal vergeten namen. De cahiers vormen de meest kleurrijke portrettengalerij binnen het Vlaams cultuurleven.

***

Een literaire vereniging als de VWS kan ook virtueel verenigen en in mijn derde beweging, dames en heren, formuleer ik graag een uitdaging of aanbeveling.

Telkens als ik een VWS-cahier ontvang en doorblader, brengt de naam van de behandelde schrijver en meestal ook de auteur van het cahier me in gedachten terug naar West-Vlaanderen. Soms word ik wel eens verrast door de vaststelling dat een of andere auteur ook West-Vlaming is of was. Het papier creëert dus op een of andere manier een virtuele band.

Veel ingrijpender evenwel is de virtual community die ontstaat via het internet en de digitalisering van bestanden. Ik vermoed dat wij met z’n allen in de wereld van de letteren nog net iets te weinig beseffen welke grondige mutatie er zich aan het afspelen is. Twee, uitgerekend West-Vlaamse – enig chauvinisme is vanavond toch niet misplaatst – poëziesites spreken me wel tegen: Parlando, de heel informatieve eenvrouwswebsite van Tine Ducatteeuw, en de uitstekende poëzierecensiewebsite Poëzierapport, die Philip Hoorne met anderen opzette.

In de gedachtewisseling over het wereldwijde web en zijn belang voor de letteren is het goed dat men zich realiseert welke weg de literatuur heeft afgelegd. Ooit was er een tijd dat de Europese letterkunde alleen mondeling werd beoefend. Het woord letterkunde is hier zelfs verkeerdelijk gebruikt, want letters bestonden er eigenlijk niet. Van die orale traditie hebben we schaarse echo’s bij de oude Grieken. Tot in de tweede helft van de achtste eeuw vóór Christus werden liederen over goden en helden van generatie op generatie doorgegeven. Cruciaal keerpunt (eigenlijk ook beginpunt) voor de Europese literatuur vormt Homeros, met wiens Ilias en Odyssee de literaliteit begint: voor het eerst werden klanken vastgelegd op papyrus, later op perkament. Literatuur kon hier en daar een enkeling rond 700 v.C. voor het eerst ook lezen in handgeschreven teksten. In de psyche van mensen moet dat een ingrijpend proces geweest zijn. Daarna zou meer dan twee millennia lang alleen het manuscript, het hand-schrift, ten dienste staan van de lezer. Dat monopolie duurde tot in de vijftiende eeuw, toen o.m. Gutenberg in Mainz, Manutius in Venetië, Froben in Bazel en bij ons Jodocus Badius uit Asse en Dirk Martens uit Aalst teksten en ideeën onbeperkt in aantal, onbeperkt in ruimte snel wisten te verspreiden. Deze tweede mijlpaal in de geschiedenis van teksten is m.i. minder ingrijpend dan de eerste uit Homeros’ tijd en ook minder ingrijpend dan de derde die wij vandaag meemaken. Vandaag is het elektronische boek dichterbij dan we vermoeden, is de digitale krant een realiteit en zal de papieren krant misschien tot een minimum worden herleid.

Tijdschriften – en dus ook de VWS-cahiers – staan voor grote uitdagingen. Want er is op dat vlak in de geesten echt iets gaande. Wij die hier als plus vijftigers elkaar vinden rond twee feestelijke uitgaven, wij weten bijvoorbeeld nog wel dat er in 1969 als nummer 19 een VWS-cahier werd gewijd aan Karel Jonckheere en dat Kunsttijdschrift Vlaanderen najaar 2008 over de Oostendenaar een themanummer (nummer 323) publiceerde. Wij zullen zo nodig die papieren bronnen ook opzoeken en gebruiken. Niet zo een abituriënt of een student anno 2009. Voor hem die al jaren elektronisch speelt en werkt, bestaat alleen datgene wat digitaal te consulteren is. Van de indrukwekkende VWS-bibliotheek zal hij quasi geen gebruik maken, evenmin van wat algemene culturele of literaire tijdschriften aanreiken. Het cartesiaanse Cogito, ergo sum buigt hij om tot Computo, ergo sum. De schoolmeester in me laat u zeggen dat computer afstamt van het Latijnse werkwoord computare, optellen, berekenen.

Moeten we dan cultuurpessimisten worden? Helemaal niet, het is de zin voor realiteit die ons gebiedt de bronnen ook aan te bieden via de kanalen die de jongere generaties gebruiken. Wij zijn niet zoals de 15de- eeuwse monniken die vanuit hun scriptoria met ogen vol angst de drukpersen buiten de abdij aanzagen als baarlijke duivels. Een digitale vertaling van alles wat de VWS tot dusver publiceerde zou een hele opgave zijn, maar dat moet bekeken worden vanuit een breder perspectief: misschien moet de overheid vanuit Erfgoed Vlaanderen aanzetten geven, financieel en methodologisch, om culturele, literaire en wetenschappelijke tijdschriften te digitaliseren. Mocht de VWS op termijn het inleidende essay van elk verschenen nummer en de primaire en zelfs de secundaire bibliografie op het net kunnen brengen, dan zou dat een enorme stap zijn. Die elektronische weg zou ook toelaten de bibliografie van vroegere nummers te actualiseren. De VWS als virtuele gemeenschap is een schitterende uitdaging.

***

Maar, meneer de voorzitter, ik wil uw feestvreugde niet hypothekeren door u hic et nunc te belasten met ideeën, die de VWS trouwens ongetwijfeld zelf reeds overwogen heeft. Ik rond af met een overweging die raakt aan het wezenlijke wat auteurs uit heden en verleden verenigt, en wat schrijvers verbindt met hun lezers.

Want, dames en heren, waarom dichtte Guido Gezelle? Wat bezielde Hugo Claus in zijn toneelwerk? Wat dreef Deken De Bo tot zijn idioticon? Vanuit welke impuls schreven Stijn Streuvels, Raymond Brulez en André Demedts hun romans? Hoe kwam Georges van Acker tot zijn aforismen, Johan Ballegeer tot zijn jeugdboeken? Was er nog iets meer dan politiek en sociaal engagement dat Mark Braet dreef? Wat inspireerde en blijft er de erevoorzitter – om toch ook één levende auteur te noemen die hier aanwezig is – inspireren om zich decennialang te wijden aan het woord?

De schoonheid.

In Mars ou La guerre jugée (1936) van de filosoof Alain lees ik: Il faut savoir que le beau est ce qui met l’esprit des hommes en mouvement (13). Het is de schoonheid die de menselijke geest in beweging brengt, schoonheid die schrijvers proberen te scheppen met woorden, gesproken of geschreven, gedrukt of digitaal. Zij werken, spelen en experimenteren met letters, en wijken niet voor de tirannie van cijfers en getallen die met een pijnlijke precisie en een ongezonde zakelijkheid de wereld vangen en bevangen maken. Tegenover de beklemming van cijfers plaatsen schrijvers een open wereld van woorden, woorden die garant staan voor schoonheid. Het is die schoonheid die de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers tot dusver in kaart bracht met haar 250 cahiers en samenvat in haar Lexicon van West-Vlaamse Schrijvers. Allen die binnen de VWS verantwoordelijkheid opnamen, opnemen en nog zullen opnemen om mensen te blijven verenigen in de letters, wezen geprezen.