Minnen en liefhebben. Een vertalersvondst

Tijdens de tiende Literaire Vertaaldagen van het Vertalershuis was het onderwerp van de symposiumdag ‘De vondst’: wat was voor vertalers dé vertaalvondst uit hun loopbaan? Patrick Lateur schreef onderstaand stuk over zijn vertalersvondst bij het Pervigilium Veneris.

Minnen en liefhebben. Een vertalersvondst

Het is de vraag wat of wie er eigenlijk de vondst doet: vindt de vertaler een tekst of is het de tekst die een vertaler vindt? Een vertaler is tegelijk een veellezer en een goede lezer, en in alles wat hij leest, duiken af en toe teksten op waarvan hij denkt: dat is onbekend en mooi en moet dringend vertaald. Of: dat is bekend en mooi maar moet opnieuw vertaald. Als laatkomer in letterland heb ik mijn eigen weg gezocht, in eerste instantie los van uitgevers en dus vrij van opdrachten of verzoeken. En dus koos ik zelf voor vertalingen van o.m. Pindaros en Ausonius, da Vinci en Aretino. Beter gezegd: hun teksten riepen om vertaald te worden, omdat zij mij als lezer om uiteenlopende redenen aangrepen. De brontekst is de beste opdrachtgever.

Op die manier zijn er wel in elk vertalersleven heel wat vondsten. En zal hij misschien graag terugvallen op zijn allereerste merite, die hem liet aanvoelen dat hij in die richting verder moest. Voor mij was dat het anonieme Pervigilium Veneris, dat sinds Bilderdijk (1791) steeds opnieuw vertaald werd en een laatste vertaling in boekvorm kende door Nico van Suchtelen (1946).

Voor de weergave van het voor de Latijnse poëzie uitzonderlijke refrein Cras amet qui numquam amavit, quique amavit cras amet hebben alle vertalers zich vermoeid door in het spoor van Bilderdijk varianten te zoeken op Morgen minn’ die nooit beminde; morgen minn’ die niet meer mint! Ik beleefde veel plezier aan een lange zoektocht naar een alternatief, langer uitgewerkt, maar niet zonder antithesen, chiasmen en ritmische bezwering: Morgen moet de liefde komen / bij wie nooit heeft liefgehad, / bij wie ooit heeft liefgehad / moet de liefde morgen komen.

Zo klonk het in 1996, exact een halve eeuw na Van Suchtelen.

Verschenen in: Peter Bergsma (red.), De vondst, Vertalershuis, Amsterdam, 2008, p. 23.