Licht ontloken aan het duister

Luc Hoenraet & Patrick Lateur

Naar aanleiding van 5 jaar Emmaüs in Aalst werd in de Jezuïetenkerk de tentoonstelling Licht ontloken aan het duister georganiseerd met werk van Luc Hoenraet. Patrick Lateur leidde de expositie in op 8 november 2008.

Licht ontloken aan het duister

Mevrouw de Burgemeester, Heer Deken,
Dames en heren,
Vrienden van Emmaüs,

Dat het Emmaüshuis voor de viering van zijn lustrum ook een beeldend kunstenaar in huis haalt, ligt niet alleen in de lijn van de werking van Emmaüs, het sluit ook aan bij een sinds jaren vernieuwde belangstelling voor de verhouding tussen kunst en spiritualiteit in het algemeen en voor evangelisch geïnspireerde kunst in het bijzonder. Tegelijk wordt er een forum gegeven aan een kunstenaar, die de laatste tijd een heel bijzonder en herkenbaar accent heeft gelegd in zijn al indrukwekkend oeuvre. Ik zal het in deze inleiding op de tentoonstelling dan ook in drie bewegingen hebben over christelijke kunst vandaag, de kunstenaar Luc Hoenraet en het geëxposeerde werk. Voor het geheel neem ik als motto een vers van Georges Rouault, de schilder die vijftig jaar geleden overleed. De man frequenteerde o.m. Jacques en Raïssa Maritain, Léon Bloy en Georges-Charles Huysmans (Joris-Karl Huysmans had Vlaamse wortels) en dan weet u dat Rouault als kunstenaar gereflecteerd heeft over de diepere betekenis van zijn werk. Zijn indrukwekkende reeks Miserere[1], ontstaan in de dagen van de Groote Oorlog, nu negentig jaar geleden, maakt vandaag nog steeds indruk. Ik heb hem vroeger al geciteerd bij voorstellingen van werk van Armand Demeulemeester, Paul De Bruyne en Hoenraet zelf. Vanavond kies ik voor een vers van Georges Rouault uit Stella vespertina (Avondster) uit 1947:

Forme, couleur, harmonie
trinité bénie

ouvre les yeux aux aveugles
et donne aux plus sourds des hommes
la joie ou la douleur
sur le plan relevé
loin de tous régulateurs brevetés.[2]

Vorm, kleur, harmonie
          gezegende drieëenheid

open de ogen van de blinden
en geef de grootste doven onder de mensen
de vreugde of het verdriet
op een hoger plan
ver van alle gediplomeerde regelgevers.

In dit programma herken ik een paar wezenlijke elementen van religieuze kunst en van de eigenzinnige kunstenaar Hoenraet.

***

Dames en heren, wat bezielde de anonieme kunstenaar die in de Romeinse catacomben een vis of een maaltijdscène schilderde, wat inspireerde de naamloze mozaïeklegger die in Ravenna witte duiven drinken liet op een fontein, wat dwong de monnik in Vézelay le moulin mystique in steen uit te kappen voor een kapiteel? Waarom kijken wij nog altijd naar de Boom van Jesse in het blauw van Chartres, worden we stil als we de bloemenweide van Van Eyck bekijken, de Kruisafneming van Rubens, de Schoenen van Van Gogh of de Guernica van Picasso? Ik hoor u denken: die Schoenen en die Guernica horen niet in het rijtje, want dat is geen christelijke kunst. De vraag is of de bezieling van de beeldhouwer van Vézelay van een andere orde was dan die van Vincent of van Pablo. De Bourgondische monnik creërde inderdaad een uitgesproken christelijk geïnspireerd kunstwerk, terwijl bij Van Gogh en Picasso het evangelie niet direct lijkt mee te spelen. Maar alle drie gaven zij een nieuwe dimensie aan de werkelijkheid, alle drie openden zij de ogen van de blinden en gaven zij de grootste doven onder ons vreugde of verdriet.

Als christelijk geïnspireerde kunst dat niet doet, dan is er een probleem. Kunst met dat predicaat blijft een hachelijke en misschien zelfs pretentieuze onderneming, maar zij moet vooral hoe dan ook kunst zijn. Want het wondere spel van interactie tussen kunstenaar, kunstwerk en toeschouwer geldt uiteraard ook voor wat wij religieuze kunst noemen. Een kunstenaar creëert vanuit zijn ervaring van de werkelijkheid. Hij kan de wereld rondom zich bekijken met de ogen van een diepgelovig man als Rouault. Hij kan ook een zoeker zijn als Van Gogh of een agnosticus als Picasso. Maar de Schoenen van Vincent en de Guernica van de Spanjaard spreken me soms meer van een andere wereld dan bepaalde religieuze werken van Rubens en ze zeggen me soms meer over Jezus’ droom dan veel goed bedoelde, maar kitscherige doeken die wij nog altijd in onze kerken laten hangen. Meer dan ooit wordt religieuze kunst vandaag bepaald door het appèl dat uitgaat van het kunstwerk en door wat de toeschouwer daarbij esthetisch ervaart als verwijzing naar het andere, de Andere.

Voor dat soort kunst, dames en heren, bestaat er een alsmaar groeiende belangstelling. De postmoderne mens blijkt reeds lang dood te zijn, maar hij is wel nog altijd bezig met het schillen van de ui van zijn vaak gefundeerde scepsis en kritiek. Toch begint hij ook langzaam te beseffen dat hij straks niets méér in zijn handen overhoudt dan scherven, de schillen van de ui, en daarvan krijgt hij in de ogen alleen maar de tranen van zijn leegte. Een vernieuwde zingeving is al een hele tijd opnieuw aan de orde, en dat proces verloopt misschien chaotisch, maar wijst toch op de vraag naar verdieping en spiritualiteit, zowel binnen als buiten de Kerk. De werking van Emmaüs is een van de signalen daarvan. En ook het gevecht dat een beeldend kunstenaar in de stilte en de eenzaamheid van zijn atelier levert met zichzelf en met de wereld, kan daarvan een signaal zijn. In dat creatief moment gebeurt af en toe het kleine wonder waarin de werkelijkheid zich openbaart in wat door hoofd en hand van de kunstenaar vorm krijgt.

***

Dat gevecht – en ik vat mijn tweede beweging aan – levert Luc Hoenraet dagelijks in zijn Brussels atelier. Hoenraet is, voor wie het niet weten zou, een Aalstenaar en heeft hier o.m. Louis-Paul Boon goed gekend. Hij ontmoette hem geregeld in de cafés van Aalst of in het kunstencentrum Drieghe in Wetteren, en Hoenraet ging Boon ook meermaals opzoeken in Erembodegem. De schrijver voerde de kunstschilder zelfs op als een anonieme beeldhouwer in zijn roman Het nieuwe onkruid en in de grondige herwerking van de roman onder de titel Als het onkruid bloeit.[3]

Hoenraet heeft naam gemaakt als abstract materieschilder. In zijn tekeningen, grafisch werk en schilderijen kwam er al heel snel een tekentaal naar voren die gekenmerkt wordt door lijnen, krassen, inkervingen. Bijna obsessioneel wordt steeds één element herhaald: een plusteken of een Grieks kruis dat symbool zou kunnen staan voor zijn positieve kijk op de werkelijkheid, en een maalteken of Andreaskruis dat met twee intense trekken een kruis maakt over de dingen en uitdrukking kan zijn van zijn pessimistische ingesteldheid. Met die elementen heeft Luc Hoenraet zijn eigen vocabularium gevormd, een herkenbare taal. Wie een groepstentoonstelling bezoekt, haalt er zijn werk onmiddellijk uit. Die heel aparte schriftuur beweegt zich binnen een evenwicht van chaos en ordening, gevecht met en controle over de materie, licht en donker, wanhoop en hoop, verzet en overgave. Opmerkelijk daarbij is het vaak zware reliëf. De grote schilderijen van Hoenraet zijn zelfs vaak loodzwaar omwille van de dikke pasta die op het canvas wordt aangebracht.

De plus- en maaltekens, die vaak tegen een achtergrond van krassen zijn geplaatst, interpreteer ik graag als kreten. Kruisen, krassen en kreten. En misschien zijn het kreten à la Rouault. In Parler peinture, een tekst uit 1926, lezen we: La peinture n’est pour moi qu’un moyen comme un autre d’oublier la vie.[4] Schilderen om het leven te vergeten. Onvrede brengt grote kunst voort.

Ik wil in mijn algemene benadering van Hoenraets werk, naast zijn schriftuur en de materie, nog een bedenking formuleren. Luc Hoenraet zal weinig, of alleszins niet zonder moeite, over zijn werk spreken. Rouault schreef: et si j’ai toujours répugné à parler, c’est que notre langue est forme, couleur et harmonie.[5] Vorm, kleur en harmonie – die gezegende drieëenheid uit een vorig citaat – is de echte taal van de kunstenaar die geen verdere toelichting verdraagt. Hoenraet heeft geen behoefte aan de retoriek of het intellectuele discours waarmee de leegte wordt verdoezeld van bepaalde uitingen van actuele kunst. Fabres condooms met wegrottende uien en aardappelen in het Antwerpse Mukha kan men – naar het schijnt – enkel begrijpen via de begeleidende tekst. Fabre wil choqueren, zei hij, maar mij choqueert hij niet, zijn hangende en stinkende groententuin roept bij mij alleen medelijden op. Als een kunstenaar iets gecreëerd heeft, moet hij zwijgen. Hij hoeft er geen uitleg bij te schrijven. Fabre speelt daar – vrees ik – een régulateur breveté, om Rouault te herhalen, een gediplomeerde regelgever. Liever geen uitleg dus. Natuurlijk wordt dat dan voor ons niet gemakkelijk, want wij zijn teveel gewend aan en verwend door verlammende analyses. Maar hier is er plaats voor een tweede wonder, naast dat van de genese van het werk in het atelier. Het tweede wonder, de dialoog tussen de nieuwe werkelijkheid van het doek en de schouwende kijker, is enkel mogelijk voor wie echt wil kijken. De beeldtaal is open en moet open blijven, en mag niet dichtgesproken worden met eenduidige woorden.

De kunstenaar kan hoogstens algemene uitspraken doen over zijn werk, zoals Georges Rouault dat deed. Hoenraets devies was steeds “de twijfel is mijn geloof”. In het licht van de plus- en maaltekens is dat een uitspraak die men direct kan begrijpen. En ik denk dat het devies zelfs voor velen herkenbaar is. Maar in de prachtige monografie die in 2006 bij uitgeverij P in Leuven verscheen, staat er nu op de allereerste pagina: “De twijfel is mijn kruis”.[6] De lezer/kijker botst dus voorbij de kaft direct op een uitspraak die verrast, zeg maar: op een belijdenis. Was de twijfel vroeger de ietwat comfortabele ruimte die Hoenraet zich toemat, nu is de twijfel voor hem een kwelling. Hij zoekt naar zekerheid en houvast. Dat zou kunnen betekenen dat Hoenraet op het spoor zit van Joseph Beuys, die over het kruis in zijn eigen werk sprak in termen van genezing, verlossing, bevrijding. Luc Hoenraet heeft zich met “De twijfel is mijn kruis” wel heel kwetsbaar opgesteld. Dat brengt me tot mijn derde en laatste beweging.

***

Sinds zowat een jaar werkt Hoenraet ook figuratief. Hij is een reeks kunstenaarsportretten aan het maken – dat van Boon werd afgedrukt in een nummer van Boelvaar Poef, het tijdschrift van het Boongenootschap, en in Kunsttijdschrift Vlaanderen bij bijdragen van Willem Roggeman.[7] Figuratief zijn ook een hele reeks werken, groot en klein, die betrekking hebben op het lijdensverhaal. Dat is een merkwaardig gegeven, dat ik alleen maar kan benaderen als een vervolg op Hoenraets uitspraak De twijfel is mijn kruis. Ik zou zelfs durven te beweren dat er zich een kring aan het sluiten is in drie motto’s die elkaar blijven oproepen: De twijfel is mijn geloof – De twijfel is mijn kruis – Het kruis is mijn geloof.

De uitdrukkelijke keuze van de kunstenaar om Golgota tot thema van zijn werk te nemen is een nieuwe stap in zijn oeuvre. We vermoeden kruisen op een heuvel, zien de gekruisigde in allerlei gedaanten en composities, vinden moeder en zoon in het vertrouwde schema van de piëta. De Via Crucis is een droom die Hoenraet al een tijdje koestert en die kwam voor het eerst tot uiting in de schilderijen – toen nog eerder neutrale werken – die hij uitkoos om te confronteren met mijn teksten in Kruisweg in de stad, een bundel die in 2005 verscheen en in Emmaüs werd voorgesteld.[8] Inmiddels heeft Luc Hoenraet indrukwekkende tableaus geschilderd voor een grote kruisweg voor de kerk van Langemark. Het werk daaraan heeft hem verder geïnspireerd tot doeken van kleinere dimensie rond de thematiek van Golgota, in het spoor van andere grote meesters als Albert Servaes en Armand Demeulemeester. Het zijn doeken in acrylverf, die strak gecomponeerd zijn in tonaliteiten van wit en grijs, zwart en blauw, bruin en oker, maar steeds getemperd. Heel sterk aanwezig is het spel van licht en donker waarin Hoenraet een grote diversiteit weet te leggen.

U zult in Emmaüs in de gang beneden twee werken zien waarvan een voor de gelegenheid nog even hier voor u staat. Op de eerste verdieping tweemaal drie kruisigingen in een voortreffelijke opstelling die rekening houdt met het spel van licht en donker in de werken. In de gang boven verspreid over drie muren hangen drie piëta’s die door de grijswitte vlakken van de mantel van de moeder een monumentaal karakter krijgen. Deze elf werken van 90 op 60 krijgen boven in de stille witte ruimte een indrukwekkend sluitstuk mee: een zwaar materiewerk van 150 op 150 in gelen en witten met een kruis dat door de lichtwerking alleen maar naar de verrijzenis kan verwijzen. Die opstelling en combinatie van elf nieuwe doeken in duister en licht met een materiewerk waaruit licht en leven stralen, is een schitterend geheel. De respectieve houdingen van de gekruisigde en het loden gewicht in de piëta kunnen me alleen maar doen denken aan het gevecht dat de kunstenaar moet leveren met zichzelf en de wereld, en ze dwingen me tot de conclusie van zo-even: Hoenraet belijdt hier “het kruis is mijn geloof”. Aan het duister ontluikt het licht. Deze kunstenaar heeft geen woorden nodig om zijn werk toe te lichten. Maar Rouault komt ons tegemoet en versterkt ons aanvoelen met een strofe uit het gedicht uit Stella vespertina, dat ik reeds citeerde:

O Jésus crucifié

il peint pour oublier de sa vie
“l’inexorable ennui”[9]
loin de ce monde d’ombres et de semblants … [10]

Ach, Jezus aan het kruis,
hij schildert om van zijn leven
“de onontkoombare leegheid” te vergeten
ver weg van deze wereld van duisternis en schijn …

Dat Rouault tot tweemaal toe spreekt van oublier, vergeten, en ditmaal zelfs met een aanspreking van Jésus crucifié, past hier verrassend maar perfect bij dit schilderij, bij de doeken die we straks bekijken. Hoenraet moet geen verduidelijkend tekstje à la Fabre hangen naast zijn werk. Hoogstens mogen wij Rouault daarbij citeren.

***

Dames en heren, ik besluit. De kunst van Hoenraet is geworteld in een eerlijke zoektocht naar de bron. Meer dan ooit laat onze tijd de deur open voor zijn werk, omdat zijn oeuvre zuiver is door de directe aansluiting met de bijbel, eerlijk door de aandacht voor onze menselijke existentie en kunstvol door zijn heel eigen oplossing van het vormprobleem. Kunstenaars zien wat wij niet zien of niet willen zien. Hier en nu kunnen wij onze ogen openen of laten openen. Hier en nu kunnen wij het tweede wonder laten gebeuren in confrontatie met dit werk. De kunstenaar zorgde voor het eerste wonder. Wij, blinden en doven, moeten openstaan voor de vreugde en de pijn die spreekt uit Hoenraets werk:

Forme, couleur, harmonie
          trinité bénie
ouvre les yeux aux aveugles
et donne aux plus sourds des hommes
la joie ou la douleur
sur le plan relevé
loin de tous régulateurs brevetés.

[1] Laatste editie: Georges Rouault, Miserere, Les Editions du Cerf, Paris, 2004, 136 pp.

[2] Georges Rouault, Sur l’art et sur la vie, Gallimard, Paris, 1992, p. 115.

[3] Louis Paul Boon, De liefde van Annie Mols / Het nieuwe onkruid / Als het onkruid bloeit, Verzameld Werk [deel 14], De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2005.

[4] Georges Rouault, op.cit, p. 88.

[5] Georges Rouault, ibidem.

[6] Johan van Cauwenberge (samensteller), Hoenraet. Tekens in de tijd/Traces dans le temps/Signs in Time. Werken/Oeuvres/Works 1963-2006. Met teksten van Patrick Auwelaert, Serge Goyens de Heusch, Luc Hoenraet, Johan van Cauwenberge, Uitgeverij P, Leuven, 2006, p. 1.

[7] Willem M. Roggeman, Luc Hoenraet. Portretschilder en romanfiguur van Boon. In: Boelvaar Poef, 7(2007)2/3, pp. 90-100. – Id., De schilder als romanfiguur. Luc Hoenraet en Louis Paul Boon. In: Kunsttijdschrift Vlaanderen, 57(2008)3, pp. 183-184. Boonportret resp. op p. 93 en p. 183.

[8] Patrick Lateur, Kruisweg in de stad. Met picturaal werk van Luc Hoenraet, Uitgeverij P, Leuven, 2005, 48 pp.

[9] Het citaat is van Alphonse de Lamartine, Hymne de la mort: “Et sentais-tu ce vide immense, / Et cet inexorable ennui, / Et ce néant de l’existence, … ?” In: Harmonies poétiques et religieuses, 1830.

[10] Georges Rouault, op.cit., p. 116.