Vertalen: bijna en nabij

KANTL

Tijdens het colloquium Vormen van vertalen — vorming van vertalers van de KANTL op 7 december 2007 hield Patrick Lateur de lezing Vertalen: bijna en nabij. Lees hieronder de integrale tekst.

Vertalen: bijna en nabij

Dames, juffrouwen, heren,

Het vertaalprobleem bij uitstek is voor mij en voor velen, denk ik, het vormprobleem. Een vertaler moet uiteraard veel tijd investeren in inhoudelijke, semantische en contextuele elementen om de brontekst zo accuraat mogelijk over te brengen in het Nederlands. Maar – ik spreek als classicus: hoe geef je versvormen uit het Grieks en het Latijn weer in een taal die met die versvormen eigenlijk nooit heeft gewerkt?

***

Ik wil hier de beruchte en volgens mij eerder onvruchtbare discussie over het gebruik van de hexameter in het Nederlands niet herhalen. Ik stel alleen vast dat ondanks de omzettingen van de homerische epen door o.m. Vosmaer, Boutens en Timmerman die versvorm in de poëzie van de Lage Landen nooit school heeft gemaakt. Karel van de Woestijne heeft in zijn bekorte prozabewerking van de Ilias, waarin ook nogal wat passages in vertaling voorkomen, een ritmisch proza gebruikt. Ik citeer uit zijn inleidende verrantwoording: “Want afgezien van het feit, dat het gezongene, althans in toon gedeclameerde vers der Hellenen, ook bij gelijke metrische bewerking, uit der aard verschilt van het Nederlandsche, gelezene, brengt de opgelegde versvorm, mogelijkheden meê die den te vertalen tekst noodzakelijk ten schade komen; terwijl overigens klank en rythmus in het proza kunnen behouden worden, ook buiten den strengen dwang der zes opeenvolgende daktulen.[1] De grote dichter – zijn poëzie verscheen dit jaar in de mooie canoniserende Deltareeks – begreep dat de hexameter in onze taal niet werkt.

In de recente vernieuwde Hesiodosvertaling van Kassies [2] staat de Theogonie in hexameters, Werken en Dagen in jamben. Ik vermoed dat de keuze van de niet klassiek geschoolde lezer vrij snel gemaakt zal zijn. Ik herhaal: de hexameter heeft nooit school gemaakt in onze eigen literatuurgeschiedenis en voor mij blijft dat een belangrijk criterium.

De eindeloos gevarieerde metra in Pindaros’ Zegezangen gaf Jos de Haes in 1945 met zijn vertaling van de Pythische Oden [3] weer in een jambisch ritme, wat toe te juichen is, maar met behoud van hetzelfde aantal lettergrepen van het Griekse vers. De Haes, die zich zowat twintig jaar later met zijn bundel Azuren holte met variërende versvormen, heeft aangediend als een van onze belangrijkste naoorlogse dichters, gaf dus in de jaren veertig nog toe aan een idee-fixe van classici alsof er van de antieke versvorm kost wat kost iets moest worden bewaard, in dit geval het aantal lettergrepen. Een halve eeuw later was ik de Oden van Pindaros aan het vertalen en in eerste instantie heb ik de helft van de 44 zegezangen vertaald in vier- en drievoetige jamben. Na een intermezzo van een paar jaar – ik had de helft van Pindaros’ Oden vertaald, heb ik de vertaling in de prullenmand gegooid. Dat vergde enige moed, maar het is mijn redding geweest. Het vrije vers heeft mij bevrijd.[4] Ik heb daarbij reden van spreken, want in mijn eigen poëzie ben ik erg klassiek: kwatrijnen met vijfvoetige jamben én rijm. Klassieker kan niet. Maar Pindaros heeft voor mij de weg gebaand naar het vrije vers.

***

Ik concretiseer de problematiek nu even aan de hand van twee voorbeelden uit de Anthologia Graeca, twee epigrammen van Siciliaanse dichters resp. Theokritos en de onbekende Theodoridas, beiden uit het mooie Syrakuse afkomstig, beiden uit de 3de eeuw v.C.

De omzetting van een distichon, een hexameter en een pentameter, roept dezelfde vragen op als wat ik zojuist zei omtrent de hexameter. Met dit verschil: het genre van het epigram bestaat al een paar eeuwen ook in onze literatuur. Van de manier waarop Griekse epigrammen omgezet werden in onze taal geef ik twee uiteenlopende voorbeelden. Een heel vreemde en voor een literator wat verrassende keuze heeft Helene Nolthenius gemaakt in haar De cicade op de speerpunt.[5] Vreemd is hier niet zozeer het feit dat zij het klassieke metrische schema gebruikt, dan wel dat Nolthenius heel nadrukkelijk een cesuur-streepje aanbrengt in de pentameter. Ook in de herwerkte epigrammen die zij in haar roman over Leonidas van Tarente [6] verwerkt, staat zo’n streepje. Een totaal andere omzetting is die van Marietje d’Hane-Scheltema in De spiegel van Laïs.[7] Haast onmerkbaar heeft zij tweemaal een distichon gebruikt, daarbij zowel de hexameter als de pentameter opgesplitst, bovendien de twee verborgen disticha door een witregel gescheiden en er soms nog een rijm bij gevonden. Het is een schitterende combinatie van behoud van klassiek metrum en moderne poëzie door de herschikking van de onderdelen in een vers dat vrij oogt.

Wat dan mijn benadering van epigrammen betreft: een paar jaar geleden vond ik in Rome een bloemlezing uit de Anthologia Graeca van de hand van de grote Italiaanse dichter Salvatore Quasimodo.[8] Het is eigenlijk de Siciliaan uit Modica die me de weg wees naar een vrije vertaling van die Griekse epigrammen. Wat me opviel: bij Quasimodo geen disticha, geen poging om het klassiek metrum in het Italiaans over te brengen. Maar fonisch en lexicaal, qua klank en qua woord, zit hij goed en maakt hij van het epigram een brok hedendaagse poëzie. Vertalen moet minstens een poging zijn om nieuwe, autonome poëzie te creëren.

Ik lees mijn vertaling van Theokritos’ epigram.[9]

De dauwfrisse rozen,
die dichte takjes tijm
zijn gaven voor de Muzen van de Helikon.

Maar de laurier met donkere blaren is
voor u, Pythische Apollo,
want daarmee tooiden u
de rotsen van Delfi.
Uw altaar zal worden gedrenkt
met bloed van deze witte bok met horens
die knabbelt aan het topje
van een takje terebint.

Lexicaal vertaal ik maximaal, ik probeer alles weer te geven wat de dichter heeft willen uitdrukken. Respect voor de brontekst is fundamenteel. Ik heb het nogal moeilijk met bekorten. Pogingen om in metrum of met rijm te vertalen zijn mooi en in een aantal gevallen erg geslaagd. Maar vaak wijken ze daarmee af van de tekst, niet van de geest van het gedicht, maar van de woorden. Ik wil met die woorden iets doen: ritmisch, beeldend, expressief, klankrijk binnen de ruimte van het vrije vers. Ook fonisch. Het Grieks en het Italiaans zijn klankrijker dan het Nederlands, maar zeg toch niet dat wij benadeeld zijn. Méér dan we vermoeden, heeft het Nederlands een klankrijkdom en muzikaliteit. Guido Gezelle en Paul van Ostaijen hebben het ooit bewezen.

Mijn vertaling, waarbij u ziet dat ik gebruik maak van een witregel, schiet misschien tekort op het vlak van de brevitas, de beknoptheid. Maar mijn optie om meer ruimte te gebruiken wordt o.m. ingegeven door de vaststelling dat de meerderheid van de epigrammen uit de Anthologia Graeca zes en meer verzen tellen. Dat is vooral het geval eenmaal het grafschrift (steen-epigram) een boekepigram werd, dus een bewust en volwaardig literair product werd. Maar voor mij spelen er – voor wat het epigram betreft – essentiëler zaken mee.
Ik verwijs nog even naar het feit dat wij als classici nog teveel vastzitten aan een idee-fixe dat een vertaling van een antiek gedicht de antieke metra moet respecteren. Maar vaak wordt de syntaxis en woordorde geweld aangedaan of zijn er storende procopes (‘t voor het). Zoiets geeft geen hedendaagse indruk en poëzie is op dat punt erg veeleisend.

Een van de grootste nadelen van de vertaling in disticha is dat alle epigrammen op elkaar gelijken. Er zijn tientallen en tientallen namen van dichters in de Anthologia Graeca. Ondanks de Griekse disticha hebben die dichters allen een eigen stem door eigen accenten in woordkeuze, versbouw, etc. In de nochtans virtuoze Duitse vertaling in disticha van Beckby [10] klinkt dat koor van stemmen unisono. Natuurlijk, ook in vrije verzen blijft er de eenvormige stem van de vertaler. Onvermijdelijk. Maar met vrije verzen is er meer kans op diversificatie en is er meer kans om de stem van de dichter(es) terug te vinden.

Mijn tweede epigram wil van die noodzakelijke diversificatie een voorbeeld zijn. Het is van een andere Syrakusaanse dichter, veel minder bekend dan Theokritos, een grafepigram dat eveneens uit drie disticha bestaat, maar eerder een boekepigram is, een literair spel dus, dan wel een echt epitaaf. De vroeger ruwe steen, waarin een nis is uitgehouwen met het borstbeeld van de filosoof Herakleitos van Efese, spreekt tot de voorbijganger (een bekend procédé in dit genre).

Voorheen een hoge rotsblok
nog rond en onbehouwen,
een nis nu met vanbinnen
het hoofd van Herakleitos.
De tijd heeft me behouwen
zoals hij doet met kiezels.

Ik sta hier langs de weg
en mensen gaan voorbij
met zwaar geladen wagens.
Ik ben geen grafzuil, maar
ik meld de stervelingen:
hier ligt de goddelijke hond
die het gepeupel afblaft.[11]

Er is o.m. nog werk aan het voorlaatste vers, de enige viervoetige jambe. Maar het gaat dan wel uitgerekend over de essentie van het epigram: hier ligt de onverdragelijke Herakleitos, die zich als filosoof hoogverheven boven de plebs wist. Misschien houd ik wel zo.

***

Twee epigrammen in verschillende vormen vertaald. Waarbij ik me de vraag zal blijven stellen: is het dat nu wat Theokritos en Theodoridas hebben bedoeld? En klinkt het zoals de dichters het bedoelden voor hun publiek? Vertalen is bijna hetzelfde zeggen, zegt Umberto Eco. Het is de titel van een werk van hem uit 2003, Dire quasi la stessa cosa. Esperienze di traduzione (Biompani). Ik vond het onlangs in Rijsel in een Franse vertaling [12] die in september verscheen. Een boek over vertalen in vertaling lezen, het heeft wel iets. Dire presque la même chose. Dat presque is van belang, dat quasi, dat bijna. Dat quasi moet we proberen zo klein mogelijk te houden. Bijna wil zeggen: de brontekst heel nabij komen. Bijna en nabij zijn voor vertalers belangrijke woordjes.

De tekst van deze lezing is gepubliceerd in: Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 117(2007),3, pp. 401-406.

[1] Homeros, Ilias. Proza-bewerking door Karel v.d. Woestijne (Wereldbibliotheek 124-126), Amsterdam, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, 1910, p. 11.

[2] Hesiodos, De geboorte van de goden, Werken & dagen & De wedstrijd tussen Homeros en Hesiodos. Vertaald en toegelicht door Wolther Kassies (Baskerville serie), Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2002.

[3] Pindaros, Puthische Oden, vertaald en ingeleid door J. de Haes (Helios Reeks), Brugge-Brussel, Kinkhoorn, 1945.

[4] Pindaros, Zegezangen. Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur (Baskerville serie), Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1999.

[5] De cicade op de speerpunt. De Griekse oudheid in 160 epigrammen, gekozen en vertaald door Helene Nolthenius, Amsterdam, Querido, 1992.

[6] Helene Nolthenius, Voortgeschopt als een steen, Amsterdam, Querido, 1999.

[7] Anthologia Palatina. De spiegel van Laïs, vertaald door M. d’Hane-Scheltema (Phoenix Klassieke Pockets 8), Zeist, de Haan – Antwerpen, Standaard, 1965.

[8] Anthologia Palatina. Scelta e traduzione di Salvatore Quasimodo (Classici Greci e Latini), Milano, Mondadori, 1992.

[9] Dichters hebben vele moeders. 150 literaire epigrammen uit de Anthologia Graeca. Samengesteld en vertaald door Patrick Lateur, ’s-Hertogenbosch, Voltaire, 2007, p. 16.

[10] Anthologia Graeca I-IV. Griechisch-Deutsch ed. Hermann Beckby, München, Ernst Heimeran Verlag, 1957-1958.

[11] Verschijnt in 2009 bij Damon in een bloemlezing van 150 filosofische epigrammen die ik koos uit de Anthologia Graeca en de Biografieën van filosofen van Diogenes Laërtios.

[12] Umberto Eco, Dire presque la même chose. Expériences de traduction, Paris, Grasset, 2006.