Lut de Block plattelandsdichter Oost-Vlaanderen

Lut de Block

Patrick Lateur stelde op 20 september 2007 in Munte Lut de Block voor als eerste plattelandsdichter van de Provincie Oost-Vlaanderen. Lees hieronder zijn tekst.

Dames en heren,

De installatie van een plattelandsdichter door de Provinciale Landbouwkamer – ik verheel het niet – riep bij mij aanvankelijk enige scepsis op. Ik heb het niet zo begrepen op het fenomeen stadsdichter, dat over een paar jaren aan erosie en sclerose zal lijden door de jaarlijkse en dus te snelle opeenvolging van poëten, die binnen één stad of dorp (want er zijn ook al dorpsdichters gsignaleerd) het menselijk bedrijf in hun verzen moeten vangen. De uitbreiding van het fenomeen in de ruimte zorgt bovendien nu al voor een zekere inflatie van het verschijnsel, dat bij ons allang niet meer beperkt is tot Antwerpen. Maar toen ik het ontwerp las en toegelicht kreeg, zoals gedeputeerde Vercamer het nu ook voor ons allen zo- even heeft gedaan, verdween mijn scepticisme vrij snel. Door de verstedelijking zijn wij inderdaad als hypergeciviliseerde wezens onze wortelgrond een beetje verloren. Met het woord kan een dichter ons op het spoor brengen van die onmisbare humus. Bovendien is het feit dat men andermaal een beroep doet op de poëzie om nu een vernieuwde aandacht te vragen voor het platteland, een geruststellend teken dat poëzie niet opgesloten hoeft te blijven binnen de kamer van de taligheid die voor weinigen toegankelijk is, maar dat zij daarnaast ook nog steeds maatschappelijk kan functioneren.

In deze korte voorstelling wil ik twee vragen behandelen en afsluitend drie korte aanbevelingen formuleren. Mijn twee vragen: is het initiatief van de Provincie Oost- Vlaanderen werkelijk het eerste in die zin en is de keuze voor Lut de Block als plattelandsdichter een goede keuze? Het antwoord op de tweede vraag is nogal evident, dat op de eerste vraag is het heel wat minder. Maar, dames en heren van de Provincie, wees niet ongerust. Het komt goed.

***

Want om te beginnen haalt door dit initiatief van de Landbouwkamer het woord plattelandsdichter wellicht definitief het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. In tegenstelling tot het woord stadsdichter, is plattelandsdichter alsnog niet te lezen in de dikke Van Dale. Wie googelt, vindt het woord wel terug, maar quasi alleen sinds deze week n.a.v. het persbericht over deze installatie. Het woord werd uitzonderlijk wel eens gebruikt om het dichtwerk te karakteriseren van een auteur als Herman Hendrik Ter Balkt in Nederland, maar echt bestaansrecht had het nog niet. Nu krijgt het woord een institutionele betekenis, doordat een officiële instantie een dichter uitnodigt het platteland in al zijn aspecten in haar gedichten te betrekken. Of hoe onze provincie Van Dale aan zal dikken.

Oost-Vlaanderen heeft daarin een illustere voorganger. Daarvoor ga ik ver terug in de tijd, naar het Rome van Octavianus, de latere keizer Augustus. In 36 vóór Christus begint de dichter Vergilius aan een werk dat hij zeven jaar later zal voltooien en waartoe Maecenas, de latere minister van cultuur van Augustus, hem heeft aangemoedigd. Vergilius zou in opdracht van Maecenas zijn Georgica schrijven, door Anton van Wilderode vertaald onder de titel Het boerenboek, door Ida Gerhardt onder de titel Het boerenbedrijf. Het was geen leerboek voor landbouwers, die mannen moesten geen lessen krijgen van een dichter. Het was wel een dichtbundel voor stadsmensen, voor hypergeciviliseerde verstedelijkte dames en heren, die Octavianus en Maecenas graag wilden attenderen op het lot van de zwoegende landman én op de weldaden van een leven dicht bij de natuur. Vergilius, dames en heren, is de eerste plattelandsdichter die in opdracht van gezagsdragers zijn lezers meenam op een wandeling door beemden, tragels / en zachte uiterwaarden, zoals Lut de Block het straks in haar eerste gedicht als plattelandsdichter zal verwoorden.

De Georgica is Vergilius’ beste dichtwerk, niet omwille van de opdracht, maar omdat hij zich als boerenzoon en kind van de buiten perfect kon inleven in de thematiek. De man, die stierf toen hij 51 was, wilde eigenlijk filosoof worden en de natuur doorvorsen: Gelukkig wie het wezen van de dingen / doorgronden mocht schrijft hij (Geo 2.490 – Van Wilderode) en hij denkt daarbij aan de filosoof Lucretius. Maar hij stelt zich er tevreden mee om als dichter de natuur te bezingen: Gelukkig ook wie kent de landelijke goden (Geo 2.493 – Gerhardt). En daarbij zal hij o.m. het geluk van de werkers in die natuur duiden: Wélzalig boerenvolk, – als het tenminste / besef had van zijn eigen zegeningen! (Geo 2.458-59 – Van Wilderode). Ik vermeld uitdrukkelijk deze drievoudige verhouding tot de natuur vanuit het standpunt van boer, dichter en filosoof, omdat Lut de Block ook kind van de buiten, dichter en filosoof is. Zij heeft alles om wat tot het wezen van het platteland behoort, te duiden en te bezingen in haar verzen.

***

 

En dat heeft zij tot dusver gedaan in een dichtwerk, dat meermaals werd bekroond en vertaald, en dat hooggewaardeerd is in Nederland, zelfs meer dan in Vlaanderen. De Block is een spaarzame dichter: haar oeuvre telt, naast een roman en een bloemlezing, vijf bundels vanaf haar debuut Vader uit 1984 tot Het onverborgene uit 2006. Maar telkens gaat het om bundels van een grote intensiteit, waarin zij de mogelijkheid en onmogelijkheid van menselijke relaties aftast en tegelijk de rijkdom van haar taal exploreert. In de bundels Vader en Landziek domineren verzen die de verhouding met haar vroeg gestorven vader verwerken, Entre deux mers en Het onverborgene bevatten heerlijke cycli waarin de dichter zichzelf als dochter, minnares en moeder uitschrijft. Daarbij gebruikt zij soms harde en wrange beelden. Een vadergedicht in Landziek eindigt met Zijn bloed kruipt traag / in mij. Ik voel het kleven, luister naar / het doffe dreunen van de bijl. Het heilzaam / klieven en het hakken in het al te botte leed. Elders klinkt het dan weer exuberant over de tuinman, de geliefde: Zo proeft hij / most, lest droom en lust volmondig. Zoals hij / schoffelt en wiedt, zo onderhoudt hij de liefde. Het zijn de laatste verzen van een van De Blocks mooiste gedichten Hortus conclusus uit de bundel Het onverborgene. Samen met Ik heb je niet begraven vader uit haar debuutbundel Dochter en ik uit Entre deux mers vormt het voor mij nu al een klassiek trio.

De verzen van de tuinman tonen aan hoe de dichter haar zoektocht uitdrukt in beelden die ontleend zijn aan het buitenleven. En dat was al vanaf het begin zo. De gedichten uit haar debuutbundel bevatten tientallen vermeldingen van kruiden, planten, dieren, bomen, etc. In een gedicht van amper zes verzen lees ik woorden als: aarde – rul – dijken – kim – groene knieën – wolken – mist – kievit – land – water – bomen – geur – munt – weegbree. En de werkwoorden zijn : klimmen – ruiken – horen – wonen – groeien. Dat vitalisme en die verbondenheid met grond en aarde zal haar verzen blijven kenmerken. Bijzonder merkwaardig is het slotgedicht Aarde uit Entre deux mers, waarbij de titel tegelijk een aanspreking is: Wanneer ik morgen bij je lig / … Weeg niet te zwaar, woel zacht in mij / en laat je wormen ongestoord hun gang. Die tellurische drang, tot in de dood toe, zorgt ervoor dat Lut de Block geen artificiële en poserende plattelandsdichter zal zijn.

Dat vitalisme steekt ook in haar omgang met de taal. Klanken en woorden zijn haar geleiders, zij laat zich leiden door hun inwendige dynamiek. Het vers klinkt soms bewust staccato, elders rolt het onweerstaanbaar verder met allitererende woorden en binnenrijmen en speelt het met woorden en uitdrukkingen. In Eindelijk herfst uit de bundel De luwte van het late middaguur schrijft zij over peren: Ze zijn nog niet beurs, ze zijn niet te hard, je hoeft niet / te porren, te muizen, te gulpen. Je mag savoureren. / Ze liggen te wachten, ze barsten van weelde. En in haar jongste bundel luidt het niet zonder erotische connotaties over een peer: Niet steeïg of kwarrig, niet melig of schrottig. / Maar boomrijp en sappig en buikig en smijdig. Zintuigelijk, zinnelijk, sensueel klinken haar verzen en zijn de woorden. Woorden die vaak ook ongewoon worden gebruikt of gered worden uit de vergetelheid: porren, muizen, gulpen hoorden we hier; kwarrig en schrottig staan niet meer in het woordenboek – hun substantieven wel; in het gedicht Wilde ganzen is er sprake van gander, gaggelen, gakkeren. En wie weet wat het betekent: zijn stem wrenst ? Wrensen wordt gezegd van een hengst die naar een merrie hinnikt. In haar eerste landschapsgedicht zit een prachtig woordspel verborgen: Popel ik niet even hunkerend als canada’s doen? Dat tellurisch vocabularium staat er borg voor dat Lut de Block haar opdracht van binnenuit waar zal kunnen maken.

***

Dames en heren, ik sluit af met drie korte, onbescheiden aanbevelingen aan het adres van de Landbouwkamer en van de dichter.

De keuze om de plattelandsdichter twee jaar te laten werken is een betere keuze dan die voor een jaarlijkse wissel van stadsdichters. Omdat dit project eigenlijk ruimer is dan het meer lokale accent van een stad, durf ik te zeggen: verleng na twee jaar haar mandaat.
En daaraan gekoppeld een tweede aanbeveling: laat Lut de Block binnen een langer mandaat een groene bloemlezing maken van plattelandsgedichten uit onze literatuur. Haar belezenheid en fijne neus voor kwaliteit heeft zij bewezen met Nooit te vangen met haar eigen pen, een anthologie van vrouwelijke dichters die in 2005 bij het Poëziecentrum verscheen.
En aan de dichter wil ik dit nog kwijt. Voor poëzie in opdracht, gelegenheidspoëzie dus, trekken sommigen wel eens de neus op. Maar weet dat de grootste dichter van het oude Hellas alleen maar gelegenheidspoëzie schreef: de zegezangen van Pindaros zijn alle op bestelling gemaakt, maar net als de grote gelegenheidsdichter Vergilus eeuwen later zal doen, schreef Pindaros vanuit zijn diepste ik. Uiteindelijk ontstaat elk gedicht naar aanleiding van iets of iemand, bij gelegenheid dus. U zult deze gelegenheid aangrijpen – de eerste creatie bewijst het straks – om ons het diepste en het beste van uzelf te geven.
Dames en heren, ik kijk met u allen uit naar wat Lut de Block ons in de komende jaren aan moois zal bezorgen.