Anthologia Graeca over schrijvers en hun vak

Patrick Lateur schreef voor Hermeneus onderstaande bijdrage over de Anthologia Graeca: De Anthologia Graeca over schrijvers en hun vak. Daarbij ook vertalingen van 12 epigrammen.

De Anthologia Graeca over schrijvers en hun vak

Naast de bekende en veel vertaalde erotische epigrammen of de gevarieerde grafschriften bevat de Anthologia Graeca ook een reeks minder bekende gedichten over schrijvers en hun vak.[1] Daaruit blijkt hoe ruim tien eeuwen lang de aandacht van de epigrammendichters vooral naar Homeros, Sapfo en Anakreon is blijven gaan. En ook hoe de Griekse canon van dichters groeide en bevestigd werd en hoe die epigrammen soms de eerste bron van kennis zijn voor realia uit de Griekse literatuurgeschiedenis. Zo is onze informatie over dichteressen onder meer te danken aan deze merkwaardige bloemlezing. Dat Sapfo van Lesbos niet de enige Griekse dichteres was, wordt bewezen door gedichten van en over Erinna van Telos, Anyte van Tegea, Nossis van Lokroi en Moiro van Byzantium.

Uit die dichterlijke epigrammen presenteer ik hier enkele voorbeelden over schrijfgerei, schrijfdrang en inspiratie, en over kritiek van dichters op dichters. Afgezien van twee anonymi zijn de verzen te plaatsen tussen de 1ste eeuw v.Chr. (Antipatros van Thessalonika) en het begin van de 5de eeuw n.Chr. (Palladas). Bij de vertaling van de epigrammen is op één uitzondering na omwille van geciteerde hexameters, gekozen voor het vrije vers waarin klank, ritme en woordplaatsing elk een rol spelen. Voor brontekst en commentaren verwijs ik naar de uitgaven van Paton en Beckby.[2]

* * *

Schrijfgerei

Het veertiende boek van de Anthologia Graeca vormt een curieuze verzameling van wiskundige opgaven, orakels en raadsels. Van de hand van een anonieme dichter is epigram 60, waarin de naam Ares (v.4) een metonymie is voor wat hard is, in dit geval een stalen voorwerp. Voor wie de denkoefening wil maken, blijft hier de titel uit de Loeb-editie achterwege, zoals dat overigens ook het geval is in de editie van Beckby.

Hout bracht me voort, ijzer
maakte van mij iets nieuws:
een geheimvol reservoir
van de Muzen.
Ben ik gesloten, ik zwijg;
legt men me open, ik spreek.
Alleen de stalen stilus
is deelgenoot van wat ik zeg. 
[14.60] [3]

Eveneens van een onbekende dichter is een vrij doorzichtig raadsel over de schrijfpen gemaakt van een rietstengel. Het is een van de talloze epideiktische gedichten uit de Griekse Anthologie, die gericht zijn op vermaak. Daardoor wordt duidelijk dat het epigram, in oorsprong een grafschrift, zich ontwikkelde tot een puur literair epigram.

Een rietstengel was ik, een nutteloos gewas.
Vijgen, appels, druiven: niets bracht ik voort.
Maar een man wijdde me in
in de geheimen van de Helikon.
Fijne lippen sneed hij in me,
maakte in mij een smal kanaal.
Sindsdien drink ik een donker vocht,
raak ik geïnspireerd,
mijn sprakeloze mond
spreekt woord na woord.
 [9.162]

Leonidas van Alexandrië (1ste eeuw n.Chr.) was wiskundige en astronoom. Maar als hij zich aan het dichten zette vergat hij zijn mathematische spelletjes niet en schreef hij “isopsefische” verzen: wanneer men in een distichon de cijferwaarde[4] van de letters van hexameter en pentameter samentelt, is het totaal van de cijfers van dit dubbelvers gelijk aan dat van het tweede distichon. Vooral Romeinen hielden van dergelijke spielereien, die ook de vorm konden aannemen van palindromen. In onderstaand epigram is de cijferwaarde van elk distichon 8035. Met dit gedichtje doet Leonidas zijn beklag aan het adres van een zekere Dionysios, misschien een grammaticus uit Alexandrië, omdat deze in zijn vrijgevigheid één ding heeft vergeten.

Je stuurt me vellen
papier wit als sneeuw
en pennen, een geschenk
van de oevers van de Nijl.
Dionysios, zend een dichter
niet langer nutteloos gerief.
Wat moet hij daarmee
zonder inkt? 
[9.350]

Schrijfdwang en –drang

Van Antipatros van Thessalonika (1ste eeuw v.Chr.) zijn ongeveer honderd epigrammen bewaard. Een aantal daarvan schreef hij voor Lucius Calpurnius Piso (48 v.Chr.-32 n.Chr.), een van de Pisones aan wie Horatius zijn Ars Poetica opdroeg. Van Piso, die zelf dichter was, is er in de Anthologia Graeca een tweeregelig gedicht bewaard (11.424). Antipatros was Piso als cliënt naar Rome gevolgd en werd daar onder keizer Augustus als leraar actief. Epigram 9.92, een dankgedicht voor ontvangen gastvrijheid, eindigt met de gedachte dat hij Piso nog vaak zal gedenken in zijn verzen. Het beeld uit de ouverture doet denken aan Meleagros’ openingsvers in 7.196: “Tjirpende cicade, dronken van druppels dauw. ”

Dauw volstaat om cicaden
een roes te bezorgen,
maar na het drinken klinkt hun zang
helderder dan die van zwanen.
Zo ook de zanger:
als dank voor gastvrij onthaal
– hoe klein de presentjes ook zijn –
kan hij van zijn kant
zijn weldoener bedenken met een lied.
Daarom zend ik jou eerst
dit vers als blijk van dank.
En willen het de Schikgodinnen,
dan word je vaak nog in mijn werk vermeld. 
[9.92]

Lucillius (circa 60 n.Chr.) was nog productiever dan Antipatros – er bleven zowat 130 gedichten bewaard – en hij wordt beschouwd als de schepper van het spotepigram, waarin de iets jongere Martialis nog meer zou uitblinken, maar dan in het Latijn. Lucillius leefde onder keizer Nero. Deze wordt in de pointe van het volgende epigram op een snedige manier bedankt. De eerste helft van het epigram bevat de beginverzen of –woorden van de werken van Hesiodos en Homeros.[5]

“Helikons Muzen wil ik allereerst met liederen bezingen”
schreef de herder Hesiodos bij zijn kudde, zo zegt men.
“Muze, bezing ons de wrok” en “Muze, verhaal van de man”
sprak Muze Kalliope door de mond van Homeros.
Ik moet ook een aanhef schrijven. Maar wát moet ik schrijven?
Dit is immers het tweede boek dat ik weldra uitgeef.
“Dochters van Zeus, Olympische Muzen, ik was gestorven,
als ik van onze keizer Nero geen geld had gekregen.” 
[9.572]

“… facit indignatio versum” schreef Juvenalis in Satire 1.79: verontwaardiging dwong hem satiren te schrijven. Een variant daarop vinden we bij Palladas (circa 355-430 n.Chr.), de Alexandrijnse schoolmeester van wie meer dan 150 epigrammen in de Griekse Anthologie zijn bewaard.[6] De landstreek Paphlagonië (v.3) aan de zuidkust van de Zwarte Zee kan enerzijds het werkwoord paphladzein oproepen, dat ‘stotteren’ betekent[7], maar anderzijds staat een inwoner van die streek volgens een antieke zegswijze ook synoniem voor dom en babbelachtig. Pantagathos kan een eigennaam zijn (mijn optie) of een spottende verwijzing naar iemand die van zichzelf vindt dat hij “in alles goed – panta agathos” is. In elk geval is Palladas bij het zien van diens gezicht blijkbaar niet genezen van zijn nosos, zijn ziekte: schrijven is een nooit te bedwingen aandrang.

Ik had een dure eed gezworen:
nooit schrijf ik nog één epigram.
Ik had van veel gekken
de haat op de hals gekregen.
Maar zie ik het gezicht van
domme praatkous Pantagathos,
dan kan ik mijn schrijfdrang niet verdringen.
 [11.340]

Slechte dichters

Dezelfde Palladas neemt in het volgende epigram een dichter op de korrel die volgens het lemma in een van de manuscripten Nikandros heet. Allard Schröder beschouwt hem als een stroopsmeerder [8], maar zowel blasphèmias als jambous moeten mijns inziens toch op iets anders dan vleierij wijzen. De minder getalenteerde dichter die zijn verzen toch aan de man weet te brengen komt ook voor bij Martialis, 12.46.

Was jouw verzenmakerij
van enig nut voor onze stad?
Jij verdiende geld
met je kwade tong,
met de verkoop van je hekeldichten
en wel zoveel
als een handelaar in olie. 
[11.291]

De komst van een hekeldichter naar de Hades is in de Anthologia Graeca soms aanleiding om de bewoners van de onderwereld te waarschuwen.[9] Lucillius herneemt in zijn epigram tegen de dichter-componist Eutychides vermoedelijk wat Horatius in Sat. 1.10.63 schreef over de veel- en snelschrijver Cassius Etruscus “die deels op eigen boeken / en boekendozen, zegt men, gecremeerd zou zijn.” (vert. P. Schrijvers).

Eutychides de lyricus is dood.
Vlucht weg, al wie huist onder de aarde!
Eutychides brengt ook zijn oden mee,
want dit stond in zijn testament:
met hem twaalf citers te verbranden
en vijfentwintig kisten melodieën.
Nu heeft Charon jullie toch te pakken.
Waar kan men nu nog terecht,
als Eutychides ook de Hades heeft ingepakt?
 [11.133]

Nog twee epigrammen van dezelfde Lucillius gericht tegen collega’s. Van een zekere Markos overleeft hij amper de recitatio. De voordracht van diens rijmelarij had een dodelijk effect en Lucillius betreurt het dat er fabrikanten van boeken en pennen bestaan die zo’n slechte poëzie in stand houden. In het tweede epigram, dat niets met het eerste te maken heeft ondanks de idee van het kindergraf, laat Lucillius een leeg graf spreken tot de voorbijgangers om hen er blijvend op te wijzen hoe slecht die dichter Markos wel schrijft. Om wat niet in het graf ligt, hoeft er niet geweend, wel om wie tekent voor wat er op het graf te lezen staat.

Treur niet langer, Markos, treur
niet langer om het kindje, maar om mij.
Jouw kind is dood, maar ik
ben nog veel meer dood.
Schrijf dus maar elegieën voor mij,
beul, schrijf voor mij die treurzangen.
Jouw verzenmakerij is dodelijk,
maakt me kapot.
Want door jouw dood kind lijd ik
wat producent van boek en pen
zou mogen lijden. 
[11.135]

Voorbijganger,
hier is niemand doodgegaan.
Toch liet dichter Markos
een graf oprichten en
bedacht een epigram,
een inscriptie van één vers:
WEEN OM MAXIMOS UIT EFESE, EEN JONGEN VAN TWAALF.
Ik zag of kende hier geen Maximos.
Toch wil ik passanten erop wijzen
en bewijzen dat zij wenen moeten…
om de verzensmid. 
[11.312]

Geschreven

De Anthologia Graeca bevat ook markante voorbeelden van poëzie bedreigd door dieren. In 6.303 vaart de arme dichter Ariston scherp uit tegen muizen die hun tanden zetten in zijn boeken en hij verzoekt hen vriendelijk de voorraadkamer van rijken op te zoeken om zich daar tegoed te doen aan echt lekkere dingen. In zijn spoor gaat Euenos van Askalon (misschien 1ste eeuw v.Chr.) tekeer tegen de boekworm.

Bladvreter, de Muzen haten je.
Jij huist in gaatjes, jij vernielt,
jij voedt je altijd met
gestolen wijsheid.
Waarom toch, donkere worm,
belaag jij heilige teksten,
zet jij een nijdig gezicht?
Laat de Muzen met rust!
Ga weg, ver weg,
en spaar ook onze ogen,
dat we er niet moeten aan denken
zo’n ravage te zien. 
[9.251]

Het zesde boek van de Anthologia Graeca bevat een reeks van zeven gedichten (6.62-68) [10] die alle gewijd zijn aan kalligrafen die gedichten overschreven en dus een belangrijke rol speelden in de literaire overlevering. Het zijn wijgedichten, waarmee de oude scribenten hun instrumenten offeren en waarin de technische termen op een soms virtuoze manier worden verwerkt in de verzen. Het epigram van Filippos van Thessalonika (1ste helft 1ste eeuw n.Chr.) lijkt tot voorbeeld te hebben gediend voor alle andere.

Het loden schijfje om de marge af te lijnen,
het mes om pennen puntig aan te scherpen,
zijn langste liniaal,
de puimsteen, droog en poreus,
gevonden op het strand van de zee:
Kallimenes wijdde alles aan de Muzen.
Hij hield op met werken, want
de oude dag vertroebelde zijn ogen.
 [6.62]

* * *

Van dergelijke dichterlijke epigrammen, die het literaire bedrijf, het werk of de figuur van dichters en hun leefwereld tot thema nemen, bevat de Griekse Anthologie een paar honderd voorbeelden. Het is een tot dusver ietwat miskend aspect van deze bijzondere bloemlezing, die meer dan duizend jaar Griekse literatuur beslaat. Het lijkt een onderdeel dat duidelijk minder spectaculair is dan andere thema’s in de bloemlezing, maar dat erg informatief is voor de beeldvorming van de grote namen uit de Griekse literatuur of, in het geval van bovenstaande selectie, verrassende invalshoeken biedt om de antieke schrijverswereld te benaderen.

Verschenen in: Hermeneus, 78(2006)1, pp. 2-10. Zie ook: Hermeneus online.

Noten

[1] Mieke de Vos, Een honingraat vol. De receptie van Griekse dichteressen in de Anthologia Palatina. In: Hermeneus, 76(2004)4, pp. 232-243. In Poëziekrant, Kleio en De Brakke Hond publiceer ik reeksen vertalingen van een mix van dichters over dichters, in Tetradio de vertaling van een reeks epigrammen over toneeldichters.

[2] De bronteksten in deze bijdrage gaan terug op de laatste editie van The Greek Anthology (5 dln.) in de Loeb Classical Library van W.R. Paton (1995-2000). De vierdelige Tusculum-editie van Hermann Beckby, Anthologia Graeca (1957-1958), is met zijn inleidingen en annotaties bijzonder nuttig.

[3] Bedoeld wordt het schrijftafeltje. Epigram 14.45 is een raadsel over de was voor zo’n schrijftafeltje.

[4] Zoals bekend, worden cijfers in het Oud-Grieks weergegeven door een letter gevolgd of voorafgegaan door een accent.

[5] Theogonie 1 – Ilias 1.1 – Odyssee 1.1. In mijn vertaling geef ik die verzen uiteraard weer met de bestaande vertalingen van respectievelijk W. Kassies (2002) en H.J. de Roy van Zuydewijn (1993² en 1992). Omwille van die versvorm zet ik de andere verzen van dit epigram ook bij uitzondering om in hexameters.

[6] Palladas, Epigrammen (vert. Allard Schröder), Styx Publications, Groningen, 1998.

[7] Zo interpreteert Schröder de verwijzing naar die landstreek zonder het in zijn vertaling te laten meespelen. Zie noot 6, 43 en 129.

[8] Zie noot 6, 149.

[9] Julianos, prefect van Egypte, waarschuwt de hellehond Kerberos tot tweemaal toe voor Archilochos in 7.69 en 7.70. En het effect van Hipponax’ schimpscheuten in de Hades wordt duidelijk bij Filippos van Thessalonika (7.405) en Leonidas van Tarentum (7.408).

[10] De andere epigrammen zijn van Damocharis, Paulus Silentiarius (drie) en Julianos, prefect van Egypte (twee). De drie dichters leefden in de 6de eeuw n.Chr., een periode waarin de kalligrafie floreerde.