Prijs Letterkunde van de Vlaamse Provincies 2004

Luc Devoldere

Luc Devoldere ontving op 13 september 2005 in het NTGent de Prijs Letterkunde van de Vlaamse Provincies 2004 voor zijn essay Wachtend op de barbaren. Patrick Lateur sprak een laudatio uit.

Excellenties, dames en heren,

Wachten op de barbaren is als wachten op Godot, want er kwamen en komen geen barbaren, omdat er geen barbaren meer zijn. Zo geruststellend is het voor wie onrustig zou worden bij de titel van het bekroonde boek van Luc Devoldere. De Griekse dichter Konstantinos Kaváfis, aan wie hij de titel ontleent, heeft het honderd jaar geleden zelf gezegd, maar hij besloot zijn gedicht wel met een onrustwekkende gedachte: Wat moet er nu van ons worden, zonder barbaren. / Die mensen waren tenminste een oplossing. Zowel cultuurpessimisten als cultuuroptimisten hebben maar één echte oplossing, één echte uitweg: de eigen weg. In Wachtend op de barbaren heeft Devoldere zijn eigen weg uitgeschreven doorheen confrontaties met auteurs, hun boeken en de plaatsen die met hun naam verbonden zijn. Maar laat me, vooraleer ik de lof zing van het boek, ook het andere werk van Devoldere er even bij betrekken.

***

Want Luc Devoldere, dames en heren, is niet alleen auteur van het boek dat ons hier samenbrengt. Hij redigeerde en bundelde o.m. in 2003 een reeks essays over Marguerite Yourcenar onder de titel Verken uw gevangenis, en dit jaar schreef hij n.a.v. het Vernejaar een bladzijde – in het Latijn, nota bene – voor De reis om de berg in 80 verhalen, een waanzinnig verhaal van een schrijverscollectief in de geest van Jules Verne. In ruimere kring dankt hij zijn bekendheid als auteur vooral aan drie boeken: Grand Hotel Italia. Een reis in de geest (Pelckmans, 1994), Wachtend op de barbaren (Lannoo, 2002) en De verloren weg. Van Canterbury naar Rome (Atlas, 2002). Het laatste boek is de neerslag van een tocht van het Canterbury van Thomas Becket naar het Rome van Petrus, de laatste pelgrimstocht van een postkatholiek. De eerste twee boeken zijn reizen in de geest, maar tegelijk ook soms verslagen van tochten en zoektochten naar of bezoeken aan concrete plekken, het eerste toegespitst op Italië, het tweede met een wat ruimer perspectief.

Beide boeken zijn een bundeling van herwerkte essays die verschenen in allerlei bladen en tijdschriften. Die vaststelling is niet onbelangrijk, want het bewijst dat Devoldere eigenlijk voor een ruim en gediversifieerd publiek wil schrijven: lezers van De Standaard der Letteren, lezers van het oud-leerlingenblad van het college waar hij leraar was, classici die via een vaktijdschrift als Kleio bij willen blijven, het selecte lezerspubliek van een literair tijdschrift als Yang of een algemeen cultureel tijdschrift als Streven. Een goed essayist sluit zich niet op in de ivoren toren van de exclusiviteit, maar ventileert zijn gedachten in het open en brede culturele veld.

Ik maak bij die herwerking van her en der verschenen essays een tweede preliminaire bemerking. Ik stel namelijk vast dat Luc Devoldere de herwerkte stukken blijft herwerken. In de drie boeken komen stukken terug als in een hoogst persoonlijk intertekstueel spel. De auteur knipt en verknipt, plaatst fragmenten in een nieuwe context, in een scherper licht. Hij wil blijkbaar niet toegeven aan de verlammende tyrannie van wat eenmaal is geschreven, maar laat de dynamiek van het voorlopige spelen tot hij de juiste formulering of plaats heeft gevonden. Het motto van Wachtend op de barbaren, ontleend aan Galiani, is in dit opzicht veelzeggend: Continuez vos ouvrages; c’est une preuve d’attachement à la vie que de composer des livres. Boeken stel je samen. De schrijver als monteur, assembleur tot inhoud en compositie hem helemaal bevredigen. In die zin krijgt het essay ook iets terug van wat het etymologisch betekent: een proeve, een voortdurende misschien nooit ophoudende poging om geschreven te krijgen wat men wil zeggen. Devoldere werkt thans aan een abecedarium over Italië onder de titel Mijn Italië. Benieuwd wat hij uit zijn vorig werk meeneemt en daar retoucheert.

***

Ik wil in deze korte laudatio aandacht schenken aan de bekroonde essayist als een gepassioneerd lezer, een vrijmoedig denker en cultuurcriticus en een gedreven schrijver.

***

Of het nu lezen is of reizen, reizen in de geest of reizen ter plekke, Luc Devoldere ziet zijn schrijven daarover als een vorm van afrekenen. In Grand Hotel Italia rekent hij o.m. af met Venetië en een eerste keer ook met wat er gebeurde met het beeld van de keizer-filosoof Marcus Aurelius op het Romeinse Kapitool. Wachtend op de barbaren opent met: “Dit boek bevat enkele afrekeningen. Afrekeningen zijn positiebepalingen.” En een half jaar later luidt het in de ouverture van De verloren weg: “Anno 2000 (annus sanctus! annus horribilis!) afrekenen, in de betekenis van ‘mijn positie bepalen’ tegenover bedevaarten, katholicisme, Grand Tour en toerisme.” Devolderes positiebepalingen zijn vooral ingegeven door wat hij heeft gelezen. Auteurs die zijn essays bevolken: de antieken Horatius, Quintilianus, Marcus Aurelius, Palladas. Uit de late Middeleeuwen en de Renaissance Dante, Erasmus en Macchiavelli. Verder in de 19de eeuw Nietzsche, Leopardi en onze, zijn van Lerberghe uit het Sint-Barbaracollege. Uit de 20ste eeuw de Italianen d’Annunzio, Levi, Sciascia, Pasolini, Svevo, Pavese en de Fransen Yourcenar, de Montherlant, Cioran en Alain. Een indrukwekkende reeks, duidelijk georiënteerd naar de Romaanse, de Latijnse wereld, zonder dat de auteur hen beaat aanbidt. In een aantal gevallen rekent hij zelfs zwaar met hen af. Met Horatius bijvoorbeeld, allicht tot verwarring van de canongetrouwe leerkracht. Of met Nietzsche, de vriend van de jonge filosofiestudent Devoldere, die zich nu tevreden stelt met slechts één fragment. Met de ooit verslonden de Montherlant heeft de auteur vandaag eerder medelijden dan voeling. Wat Erasmus betreft, vreest Devoldere dat onze tijd de herinnering aan hem niet meer nodig heeft. Boude stellingen voor wie meent dat die namen tot de algemene cultuur behoren en dus wel van uitzonderlijk belang moeten zijn. Devoldere onderbouwt zijn stellingen evenwel en getuigt van een kritische en dus juiste omgang met wat de traditie ons heeft aangereikt. Hij doet dat vanuit een enorme eruditie, waarvoor hij zelf uitdrukkelijk een lans breekt. Hij neemt Van Dales definitie van eruditie over: eruditie is geleerdheid, gepaard met smaak en kritische zin. Van Dale geeft het Franse érudition aan als oorsprong. Ik zou naar het Latijn teruggaan, want rudis betekent er ruw, onbewerkt, niet verfijnd, onbeschaafd, onkundig. Wie daarin blijft steken, kan alleen rudere, brullen, bulderen, balken. En dat klinkt heel rudimentair. Maar wie eruit geraakt, wie ex/e – rudibus komt, verwerft de eruditio, die heerlijk nutteloze overvloed aan kennis die veel verder reikt dan het vandaag obligate leren-leren, het functionele omgaan met kennis die wel ergens met hopen te rapen ligt, maar nooit verwerkt wordt en eigen gemaakt. Een boek als Wachtend op de barbaren, dames en heren, kan onmogelijk geschreven zijn door iemand die heeft leren leren, maar alleen door iemand die heeft leren lezen en is blijven lezen.

***

In Wachtend op de barbaren – en ik kom tot mijn tweede punt – staat er veel op het spel. Het gaat finaal over de vraag: Europa, quo vadis? Waarheen met de Europese cultuur? De denker en cultuurcriticus zou zich veilig kunnen terugtrekken op de zijlijn en toegeven aan wat Lucretius in het begin van het tweede boek van zijn De rerum natura over de epicuristische filosoof dicht: “Niets is heerlijker dan veilig te wonen in de hoge burcht van de wijsheid en vandaar op anderen neer te zien, zien hoe zij dolen en de weg zoeken die leidt naar het ware leven.” Van de afgevaardigd-bestuurder van de Stichting Ons Erfdeel en de hoofdredacteur van het gelijknamige tijdschrift mag je iets anders verwachten dan dat hij gelukzalig, eigenwijs en vrijblijvend vanuit de hoogte zou toezien hoe anderen op deze breuklijn der tijden moeizaam omgaan met een snel evoluerende cultuur. Zijn voorganger Jozef Deleu heeft in tal van toespraken en bijdragen telkens weer de vinger op Vlaamse, Nederlandse en Europese wonden gelegd. In de lijn van Deleu, maar op zijn eigen manier en vanuit een heel andere achtergrond verwoordt ook Devoldere wat hem bezighoudt, verheugt of benauwt. De compositie van zijn Wachtend op de barbaren culmineert in een schitterend gelijknamig hoofdstuk, waarin hij in gesprek treedt met Europeanen. Niet direct een fictief gesprek, want Devoldere vertegenwoordigt sinds jaren ons land in het Ligurische Alassio, waar hij in een jury die uitsluitend uit buitenlanders bestaat, jaarlijks de beste Italiaanse roman mag kiezen voor de Premio Alassio – Un autore per l’ Europa. Een Europees gezelschap dus, dat hij – zonder dat met veel woorden te zeggen – opvoert in de finale van zijn boek. Op de kaft van het boek staat een postkaart uit Alassio uit de jaren 1900. Een burgerlijk koppel lijkt er op het strand te wachten op de barbaren die van over zee zouden kunnen komen. Zo te zien zou men Devoldere een pessimist kunnen noemen die als een laudator temporis acti weemoedig omkijkt naar wat verloren is gegaan – en er is inderdaad wel een en ander teloorgegaan of scheefgegroeid. Hij slaagt er zelfs in een lijstje van achttien ergerlijke pijnpunten op te stellen als aanvulling in het genre dat Spengler, Huizinga en Steiner in verschillende toonaarden hebben beoefend. De ondergangsmythe, weet je wel, “de retoriek van het verval”, zoals Devoldere het noemt. Hij verheelt niet dat hij een pessimist is, maar ik lees toch – verspreid over dit intrigerend slotkapittel – drie richtingaanwijzers:

– Waarom niet gewoon in beide geloven? In traditie en kritiek. In hun nood aan elkaar. … Mondigheid veronderstelt vertrouwdheid met de tradities.
– Waarvoor pleit ik dan wel? Voor weerstand. Ook al weet je dat je uiteindelijk niets tegenhoudt – en niets blijvend tot stand brengt, toch kun je vechten voor verloren zaken, want alle zaken zijn uiteindelijk verloren.
– De laatste woorden van het boek: Veel meer kunnen we overigens niet doen… Ik bedoel: dan door de dagen gaan, verder doen. Nergens op wachten. Geen barbaren en geen oplossingen. Et tout le reste est littérature.

Hier klinken scepsis en ironie door, maar wat de auteur belijdt lijkt me een nuchtere aanpak. In heel zijn discours, ook in zijn andere boeken, lijkt me van fundamenteel belang de metafoor van de reis. Devoldere blijft niet bij de pakken zitten, hij is de homo viator, een zoekende geest die ook op reis gaat – in de geest en op de weg – om een balans op te maken van wat blijft en verloren gaat, van wat verlies is én winst. En ondertussen verder doet.

***

Mijn derde punt geldt de schrijver Devoldere. Bij de beoordeling van een essay, dames en heren, speelt naast het inhoudelijke aspect met zijn persoonlijke benadering ook de stijl een rol. Het komt me voor dat dit element meestal in algemene termen en slechts vluchtig wordt gekarakteriseerd. Nu heeft me in het werk van Luc Devoldere altijd de heel persoonlijke aanpak en verwoording getroffen. Ik heb in het begin al gewezen op het gevarieerd en breed publiek waarvoor de auteur wil schrijven en op het compositorische karakter van zijn boeken. In het bekroonde werk onderscheidt zijn stijl zich door een grote variatio. De betoogtrant wisselt af met de verhaalvorm of met citaten, de uitdrukkelijke ik-persoon met de wij-vorm die de betrokkenheid van de lezer vergroot. Hetzelfde kan gezegd van de vele retorische vragen, die de aandacht gaande houden. Ik mag hier verwijzen naar de citaten van zo-even. De auteur heeft ondanks de classicus in hem – of misschien juist daardoor – een duidelijke voorkeur voor het staccato van korte zinnen en deze laatste leiden op quasi elke bladzijde van zijn werk tot aforismen waarin het heerlijk is om grabbelen: Het eeuwige Rome kan alleen het Rome van nu zijn – Het is het lot van gedenkplaten het verkeerde vast te leggen – Van deconstructie, verlos ons heer, en geef ons heden onze dagelijkse filologie – Dichters liegen. Het is hun beroep. Devoldere is ook heel beeldend. Eén voorbeeld, over de bibliotheek van Spinoza: “een honderd vijftig boeken, gerangschikt volgens grootte in een kast die je in één blik omvat terwijl je weet: hieruit is de Ethica als een vlinder weggefladderd”. Intussen brengt hij ook variaties op het genre zelf dat hij lardeert met stukjes vertaling van eigen hand en waarmee hij met andere vertalers in gesprek treedt over nunaces. Devoldere schrijft zelfs twee kwatrijnen, over Cioran en Van Lerberghe en dus in het Frans. Dat smaakt echt naar meer, vind ik. Hij varieert met flarden van een gesprek (cf het laatste hoofdstuk). En hij neemt brieven op, fictieve brieven geschreven in de sandalen van antieke heren of eigen, nooit verstuurde brieven. Montaigne, aan wie we de naam te danken hebben van het literair genre dat ons hier bezighoudt, schrijft in het veertigste stuk van het eerste boek van zijn Essays: “Als ik iemand had gehad om aan te schrijven, zou ik mijn invallen liever langs die weg naar buiten hebben gebracht.’ Misschien dacht hij daarbij aan de brieven van Seneca, waar hij veel uit citeert. Welnu, de betogende of didactische brieven van Devoldere passen perfect binnen de geest van zijn essays en vormen daar tegelijk een welgekomen variatie op en een bevestiging van wat Montaigne schreef. Deze paar voorbeelden van stilistische aanpak mogen volstaan om erop te wijzen dat er in het oeuvre van deze auteur ook literair iets bijzonders gebeurt.

***

Dames en heren, wie een essay van Luc Devoldere leest, wie een van zijn boeken doorbladert, wie het bekroonde Wachtend op de barbaren doorneemt, zal beseffen dat de auteur zich niet bezondigt aan de fout waar hij zijn lezers voor waarschuwt. De laatste van de zeven hoofdzonden is acedia, luiheid, traagheid. De man kent nog zijn catechismus. Luiheid kan vele gezichten aannemen, zegt de auteur: onzorgvuldigheid, onverschilligheid, inertie, immobilisme, lusteloosheid, laksheid of nalatigheid. Ik zou er samenvattend aan toevoegen: oblomovisme à la Gontsjarow. Niets daarvan bij hem. Devoldere engageert zich als intellectueel, werpt zich in het cultuurdebat, niet met het gespeelde sérieux van wie meent zich ernstig te moeten voordoen, maar met de bevrijdende ironie en de open scepsis van iemand die zijn eigen verleden kent en de wortels van onze Europese cultuur. Op hem weegt niet la trahison des clercs die Julien Benda verwoordde of de pleinvrees van de kanunniken die Jozef Deleu ontmaskerde. Om wat Devoldere nu al ruim een decennium publiceert in tijdschriften en herwerkt en bundelt in boekvorm om het te onttrekken aan het efemere, om die schrijfdaad weze hij geprezen en valt hij terecht in de prijzen. Met zijn lezers verheug ik me om de keuze van de jury en de bekrachtiging door de respectieve Deputaties, en kijk ik reikhalzend uit naar een vervolg op al dat moois. Ik wens hem daarbij op zijn verdere reis één ding, en ik doe het graag met een ander vers van Kaváfis, Ithaka, dat optimistisch en geruststellend pleit om, zoals Odysseus, nooit vertrekpunt én bestemming uit het oog te verliezen:

Houd altijd Ithaka in je gedachten. …
Ithaka gaf je de mooie reis. …
En als je het armelijk vindt, Ithaka misleidde je niet.
Zo wijs als je bent geworden, met zoveel ervaring,
zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s betekenen.